‹ Terug naar overzicht

Bijbels humanist, bruggenbouwer en groot Europeaan

Geplaatst op:
De hooggeleerde heren Annæus Ypeij en Isaäc Johannes Dermout, bobo’s in hun kerk, schreven in de jaren twintig van de negentiende eeuw een vierdelige Geschiedenis der Nederlandsche Hervormde Kerk. Deze kerk was in 1816 als eerste door koning Willem I een Algemeen Reglement opgedrongen en de andere kerken zouden volgen.

Desiderius ErasmusGeen bevoorrechte kerk meer, een nationaal gedeelde, redelijk vormgegeven religiositeit die bijdroeg aan een hoogstaand zedelijk leven, in die sfeer schreven Ypeij en Dermout hun geschiedenisboek. Zij betoogden daarin dat Desiderius Erasmus Nederlands grootste hervormer was. Die paste precies in het profiel van hun gewenste religie en kon zo met terugwerkende kracht als de grootste inspirator ervan op het voetstuk worden geheven.
Erasmus is vaker in de geschiedschrijving gebruikt om een ideologische stellingname te legitimeren en even vaak werd hij afgeserveerd als de geschiedkundigen hem niet konden gebruiken. De schrijvers van het een halve eeuw geleden veel gebruikte lesboek De geschiedenis der Kerk, Berkhof en De Jong, moesten minder van Erasmus hebben. Over diens conflict met Luther: “Tegenover Luthers ‘eenzijdigheid’ meende Erasmus het zuivere evenwicht tussen God en mens gevonden te hebben. Doch dit (…) was niet de belijdenis des geloofs, maar de constructie van het beschouwend verstand. Luther doorzag dat.” Ai, verstand, betrapt!

Desiderius Erasmus (1467-1536) leed zelf als groot geleerde, bijbels humanist en bruggenbouwer tussen middeleeuwen en moderne tijd onder zijn nederige afkomst als buitenechtelijk, ‘onwettig’ kind. Geboren in Rotterdam (of Gouda) leidde hij een rusteloos bestaan. Hij werd geschoold bij de Broeders van het Gemene Leven in Deventer, ontwikkelde zich tot humanistische wetenschapper van naam en maakte reizen door heel West-Europa. In de dominante Latijnse kerkelijke wereld van zijn tijd hield hij zich bezig met het Grieks. Zijn nieuwe teksteditie van het Nieuwe Testament en de vertaling ervan in het Latijn uit 1516 is misschien wel zijn grootste prestatie. Martin Luther heeft er voor zijn bijbelvertaling dankbaar gebruik van gemaakt. Verder schreef hij satirische werken als de bekende Lof der zotheid en ontpopte zich als een moderne denker over internationalisme, pacifisme en religieuze tolerantie. Maar hij zal vooral bekend blijven als de opponent van Luther. Diens kerkhervorming – die hem uiteindelijk buiten de katholieke kerk dreef – ging Erasmus te ver, de toon van Luther was hem te fel – al deelde hij diens antisemitisme – en hij plaatste tegenover Luthers opvatting over de vrije genade van God de vrije wil van de mens. En zo werd hij vooral bekend als de hervormer die niet meeging met de Reformatie, maar in de moederkerk bleef. Daarbinnen roerde hij zich wel degelijk en hij schreef zeer kritische teksten, maar hij bleef loyaal.

Toch – of misschien wel juist daarom – bleef zijn invloed in de katholieke kerk de eeuwen erna gering: een erasmiaans katholicisme, een katholieke vrijzinnigheid, gestoeld op de vrije wil van de mens tegenover welk leergezag dan ook, heeft zich nauwelijks ontwikkeld. Hoe anders is dat geweest in de geschiedenis van het Nederlandse protestantisme, waar erasmiaans zowel eretitel als scheldwoord werd. Dissidente bewegingen en kerkgenootschappen als die van de remonstranten, aanhangers van Spinoza, verlichte christenen in de achttiende en modernisten en vrijzinnigen in de negentiende eeuw voerden Erasmus in hun vaandel. En ook Ypeij en Dermout zagen in het bijbelse humanisme van Erasmus en zijn wetenschappelijke impact een stevige voedingsbodem voor een nieuwe natiebrede religiositeit. De eeuw die volgde liet zien dat hun project geen kans van slagen had en dat het protestantisme versnipperde in elkaar bestrijdende of negerende groeperingen. Maar wie zich vandaag de dag in een geloofsgemeenschap thuisvoelt waar men elkaar religieus niet de maat neemt en mensen de regie laat over hun eigen geloof of ongeloof, bevindt zich in Erasmus’ gezelschap.
Erasmus ‘van Rotterdam’ is buiten ons land een van de bekendste Nederlanders – die internationale faam heeft hij verdiend. In zijn oudste geschrift, Adagia, een spreukenverzameling uit 1500, schreef hij al: Heel de wereld is mijn vaderland. Niet voor niets is Erasmus’ naam zowel verbonden aan tal van grensoverschrijdende Europese projecten als aan een brug in Rotterdam.