Michel Dijkstra: In alle dingen heb ik rust gezocht

‹ Terug naar overzicht
Geplaatst op:
Mysticus Meister Eckhart en zenmeester Dōgen leefden beiden in de dertiende eeuw, maar wel op 9.000 kilometer afstand van elkaar. Niettemin vertoont hun denken grote overeenkomsten, zo laat filosoof Michel Dijkstra zien.

Tekst: Daniël Zevenhuizen

Filosoof Michel Dijkstra promoveerde afgelopen maand aan de Radboud Universiteit Nijmegen op een onderzoek naar de verhouding tussen het denken van westerling Meister Eckhart en oosterling Dōgen. De Duitse mysticus en de Japanse zenmeester leefden beiden in de dertiende eeuw, maar wel zo’n 9.000 kilometer van elkaar verwijderd. Opvallend dus dat er veel gelijkenissen in hun respectievelijke werk aan te treffen zijn. Dijkstra legt deze gelijkenissen bloot in de publieksversie van zijn proefschrift, vernoemd naar een preek van Eckhart, In alle dingen heb ik rust gezocht.

In die titel komt wat Eckhart en Dōgen gemeenschappelijk hebben, al direct naar voren. We weten dat spirituele denkers vaker ‘rust’ nastreven, in de zin van individuele verlossing.  De twee besproken meesters bereiken ‘rust’ door een bijzondere variant van meditatie. Die is volgens Dijkstra namelijk geënt op de ‘non-dualiteit’ van de dingen; hun ‘niet-twee’-zijn. Wie weet dat alle dingen, in hun mooie en minder mooie verschijningen, in hun soms vereenzamende en vervreemdende onderscheidingen, allemaal terugvallen op één werkelijkheid, kan in die gedachte troost vinden.

Nadenken over deze werkelijkheid is niet gemakkelijk. De taal suggereert constant diversiteit. We hebben het over ‘de rivier’, over ‘schepsels’ over ‘jij’ en over ‘ik’. Als we spreken over een ding, lijkt het alsof het op zichzelf staat. Maar vanuit non-dualiteit gedacht, kunnen dingen niet werkelijk los van elkaar bestaan. De taoïstische filosoof Zhuang Zhi licht toe: “De tienduizend dingen zijn één met mij. Als ze dus reeds één zijn, is het dan nog mogelijk daarover een uitspraak te doen?” Wie zegt dat ‘alles één is’, schept al een tweeheid, namelijk tussen ‘Alles’ en ‘het Ene’.

Taal leidt ons dus op allerlei dwaalwegen. Om die reden bewandelen de zenmeester en de mysticus vaak de ‘negatieve weg’: iets benaderen door te zeggen wat het niet is. God is “voor ons onbenoembaar,” zegt Eckhart, “vanwege de onbegrensheid van alle zijn in Hem. Al onze namen en begrippen drukken echter iets begrensds uit.” Dōgen spreekt niet over God maar over ‘boeddhanatuur’. Toch zien we ook hier toenadering; de taal kan de overkoepelende eenheid van de werkelijkheid niet direct vatten. Dat ligt voor de boeddhist overigens niet zozeer aan de begrensdheid van de taal. Die kan immers via paradoxen wel iets tonen van ‘het alomspannend net’. Een opvallend voorbeeld daarvan vinden we in een verhaal over twee zenmeesters. Een van hen, toen pas zeven jaar, beweerde dat zijn naam ‘boeddhanatuur’ was. Schertsend zei de oudere meester: “Je hebt geen boeddhanatuur.” Waarop de eerste antwoordde: “U zegt ‘geen boeddhanatuur’ omdat de boeddhanatuur leegte is.”

Het aantal mensen dat zich in Meister Eckhart verdiept, groeit nog altijd. Het boek van Michel Dijkstra zal hen zeker kunnen boeien. Ook oosterse denk- en levenswijzen mogen zich in Nederland in veel belangstelling verheugen. De vergelijking van Meister Eckhart en Dōgen is daarmee zeer op zijn plaats.

Michel Dijkstra
In alle dingen heb ik rust gezocht
Vantilt,
152 blz., € 15,00