Boëthius: Troost in filosofie

‹ Terug naar overzicht
Geplaatst op:
Boëthius’ Troost in filosofie in de vertaling van Piet Gerbrandy is een verontrustend modern boek.

Tekst: Michel Dijkstra en Simone Bassie

‘Een zanger was ik ooit van bloeiende gedichten,/ nu is het slechts nog droefenis wat ik speel./ De Muzen die mijn pen bestuurden zijn gehavend,/ de tranen van mijn verzen zijn oprecht.’ Met deze zwaarmoedige woorden begint Troost in filosofie, een uit proza en poëzie bestaand boekwerk van de vroegmiddeleeuwse denker Boëthius (ca. 480-525).
Onlangs kwam deze tekst uit in een zeer soepel lezende vertaling van dichter en classicus Piet Gerbrandy, die ook een lucide inleiding bijvoegde. In deze introductie vertelt Gerbrandy over het turbulente leven van Boëthius, die aanvankelijk een hoge ambtenaar en lieveling van de Oost-Gothische vorst Theodrik was, maar later door allerlei politiek gekonkel in ongenade viel. De koning liet hem zelfs executeren.

Troost begint dramatisch: de hoofdpersoon, die we volgens Gerbrandy vooral niet moeten vereenzelvigen met Boëthius, bevindt zich in de gevangenis en beklaagt zich over zijn lot. Terwijl hij in zelfmedelijden zwelgt, krijgt de man plotseling bezoek van een statige vrouw: de personificatie van de filosofie. Streng wijst ze hem terecht: “Dit moment vraagt eerder om therapie dan om een klaagzang.” Daarop roept de man dat er in de wereld geen rechtvaardigheid bestaat. Hij heeft zijn vorst altijd naar eer en geweten gediend, maar raakt nu plotseling uit de gratie.

Vrouwe Filosofie ontvouwt twee theorieën om het lijden van de gevangene te verlichten: de stoa en het neoplatonisme. Volgens het stoïcisme moet de mens zich alleen zorgen maken over onheil waarop hij invloed heeft. Onplezierige zaken die buiten zijn macht liggen kan hij het beste accepteren. Daarom stelt Vrouwe Filosofie dat de hoofdpersoon uit Troost zich niet moet wentelen in zelfmedelijden, want dit vertroebelt zijn denkvermogen. Hij moet streven naar geestelijke rust en emotieloosheid.
De tweede troostrijke theorie is die van de neoplatonisten. Volgens hen leeft de mens in de gebroken wereld van de veelheid, die door duisternis en kwaad gekenmerkt wordt. Diep in zijn binnenste is de mens echter ongeschonden: dankzij zijn ziel heeft hij de mogelijkheid om terug te keren tot het Ene. Dit hoogste principe wordt door Boëthius vereenzelvigd met de christelijke God. Eén worden met God betekent uitdrukkelijk dat de mens zich terugtrekt uit de wereld van de materie, inclusief zorgen over een verblijf in de gevangenis.

Piet Gerbrandy wijst er terecht op dat de stoa en het neoplatonisme een schrale troost vormen van de gevangene. Je kunt je zelfs afvragen of Troost in filosofie wel werkelijk een ‘troostboek’ is. De gevangen hoofdpersoon krijgt van Vrouwe Filosofie namelijk nooit een concreet antwoord op zijn vragen. Wellicht gaat het hier om botsende perspectieven: de actieve mens die graag zijn eigen leven en de wereld verbetert versus de contemplatieve filosoof. Hoe dit ook zij: Gerbrandy’s vertaling en duiding van Troost maakt de middeleeuwse klassieker een verontrustend modern boek.

Boëthius
Troost in filosofie
Damon,
192 blz., € 29,90