FacebookTwitterLinkedIn
  • VOLZIN 2019: NUMMER 1

    VOLZIN 2019: NUMMER 1

      Volzin organiseerde in samenwerking met Tilburg University een schrijfwedstrijd. Thema was: ‘Kunst
    02 januari 2019 - Lees meer
donderdag, 13 October 2016 15:14

Bob Dylan, gelauwerd profeet

Tekst: Peter Sierksma Tekst: Peter Sierksma

In 1964 sprak hij op ironische wijze: 'Yippee, I'm a poet, and I know it, hope I don't blow it.' Nu bekend is geworden dat Bob Dylan de nobelprijs voor de literatuur in ontvangst mag nemen, kan ook hijzelf niet langer twijfelen aan zijn gevestigde positie als poëet en zanger. In Volzin verscheen eerder onderstaand artikel over Dylan's succes.

Toen de redactie van De Bijbel Cultureel (een in 2009 verschenen standaardwerk over de bijbel als bron voor de moderne kunsten) de belangrijkste componisten, schrijvers, theater- en filmmakers, schilders en andere beeldende kunstenaars bij de verschillende bijbelboeken en –verhalen moest zien onder te brengen, bleek als spoedig dat er zich één joker in het gezelschapsspel bevond: Bob Dylan. Anders dan bijvoorbeeld Franco Ferruci (De Scheping), John Steinbeck en Elia Kazan (East of Eden), Igor Stravinsky (De Psalmensymfonie), James Ensor (De Intocht van Christus in Brussel), Hugo Claus (Vrijdag) of Henri Matisse (De levensboom en het Nieuwe Jeruzalem), kon Dylan overal terecht. Hij paste zowel bij Genesis als bij Openbaringen en net zo makkelijk bij de Profeten als bij de Evangelisten; niet minder bij God dan bij de Duivel om over de Psalmen en Handelingen maar niet te spreken.

Waarschuwingen

De joker werd uiteindelijk op grond van zijn in 1967 opgenomen The Basement Tapes ingezet bij de kleine of boeteprofeten. Zo verwijst het ‘Voorwaar en zie’ in ‘Lo and behold’ naar de waarschuwingen en tijdingen uit Hosea, Joël, Amos, Habakuk, Zefanja en Zacharia. Specifieker is de koppeling met Hosea in ‘Yea! Heavy And A Bottle Of Bread’, ‘Please, Mrs. Henry’ en ‘Million Dollar Bash’. In deze scabreuze liedjes kan de overvloed aan eten, drinken en sex in verband worden gebracht met Hosea 2, waar de Heer als de oogst aanbreekt ‘zijn brood en wijn weg zal nemen.’ Voor veel liefhebbers van de oude meester moet het een vreemde keus geweest zijn.  Want natuurlijk kan die  rammelende verzameling rommelig in een kelder in de buurt van Woodstock opgenomen folk-, blues- en popliedjes niet tippen aan de twee hoogtepunten die er aan voorafgingen, Highway 61 Revisited (1965) en Blonde on blonde (1966).  Visionaire  nummers als ‘Like A Rolling Stone’, ‘Ballad Of A Thin Man’ van Highway 61 Revisited  en ‘Visions Of Johanna’ en ‘Sad-Eyed Lady Of The Lowlands’ van Blonde On Blonde zijn tekenen van de tijd gebleken. Bijbels gezien had ik er trouwens ook wel raad mee geweten. De titelsong van Highway 61 Revisited verwijst bijvoorbeeld naar het onmogelijke offer van zijn zoon Izak dat God vraagt van Abraham: ‘Oh God said to Abraham, ‘Kill me a son’…, terwijl de ‘droef kijkende profeet’ uit ‘Sad-Eyed Lady Of The Lowlands’ op Jeremia lijkt te slaan. Kort en goed is Bob Dylan de enige grote popartiest van wie je kunt volhouden dat de hele bijbel in zijn werk weerspiegeld wordt. Als joods opgegroeide jongen kent Robert Zimmerman, zoals hij besneden is, het Oude Testament door en door. Met name in de teksten voor zijn bekering laat hij zien hoe vertrouwd hij is met Abraham en de profeten. Maar behalve het Oude Testament is ook het Nieuwe hem niet vreemd. In ‘Masters of War’ (The Freewheelin’ Bob Dylan, 1963) vergelijkt hij de machthebbers en krijgsheren van deze aarde met Judas en refereert de jonge Dylan aan het christelijk geweten als hij voorspelt dat zelfs Jezus hun daden niet zal vergeven:  

You might say that I’m young

You might say that I’m unlearned

But there’s one thing I know

Though I’m younger than you

Even Jesus would never

Forgive what you do.

Na zijn bekering (in 1979 wordt Dylan korte tijd lid van een evangelische sekte en maakt dan ook een paar opmerkelijk ‘christelijke platen’ waaronder Slow Train Coming en het door de critici zwaar onderschatte Shot of Love (1981) krijgt het Nieuwtestamentische idioom een nog belangrijker plaats in zijn teksten. Op grond van werk en uitvoering noemde een Duitse theoloog (Knut Wenzel in het tijdschrift Herder Korrespondenz, april 2011 ) Dylans optredens onlangs een soort opwekkingsdiensten in het licht van een ‘apokalyptische Katastrophenwahrnemung’. Een vorm van religie waarin de liedjes de boodschap zelf zijn. Daar zit wel wat in. Ondanks het feit dat hij altijd ontkent heeft dat hij een boodschap te verkondigen heeft, zoekt Dylan naar meer dan enkel ‘ongein’ en probeert hij altijd achter de gordijnen en onder het tapijt van de schijn te kijken zoals  eerder schrijvers als Herman Melville, bluesartiesten als Robert Johnson en  Beatgeneratiegenoten als Jack Kerouac en Allen Ginsberg dit deden. Maar die hang naar de zelfkant betekent ook dat hij zich niet wil laten vangen. En in die zin behoort Wenzel (1962) tot de vele interpreten die de jarige Dylan een kant opschrijven die hij zelf nooit zou verkiezen. Wenzel moet haast wel de studies van Michael Gilmour en Christpher Ricks bestudeerd hebben die de afgelopen jaren in Tangled Up In The Bible (2004) en Dylan’s Visions Of Sin (2003) geprobeerd hebben Dylan te duiden. Gilmour, verbonden aan de universiteit van Manitoba (Canada), heeft zelfs alle Bijbelse plaatsen in de songteksten van Dylan tot en met 2001 in een handig overzicht vermeld en noemt de zanger aan wie hij zijn studie heeft opgedragen ‘my favorite theologian’. Ricks (literatuuronderzoeker in Boston) gaat een andere kant op en noemt Dylan in wezen een moderne Shakepseare – meer dichter dan zanger. Maar is hij dat ook?

Grote Gabber

Zelf heeft Dylan alle uitleg van zijn werk altijd afgedaan met de opmerking ‘I’m the first person who put it to you and the last person who’ll explain it to you.’  In zijn in 2004 gepubliceerde Kronieken schrijft hij: ‘Muzikanten wisten altijd al dat het bij mijn liedjes om meer ging dan de woorden alleen, maar de meeste mensen zijn geen muzikanten. Ik moest alles opnieuw op een rijtje krijgen… Ik werd er ziek van dat mijn teksten op van alles en nog wat werden toegepast, hun betekenis werd ontwricht tot er een soort polemiek overbleef en dat ik werd gezalfd als de Grote Gabber van de Rebellie, de Hogepriester van het Protest … de Hoge Piet Zelf – waar hebben we het in godsnaam over? Allemaal vreselijke benamingen, hoe je ze ook wendt of keert. Allemaal codewoorden voor Bandiet.’

Bandiet, joker, sjacheraar, troubadour, kleine profeet; dat past Dylan beter dan al die grote woorden. Daar steekt hij slechts de draak mee, zoals in het gospelachtige ‘I shall Be Free No. 10’ (Another Side of Bob Dylan, 1964) als hij zingt: ‘Yippee, I’m a Poet, and I know it, hope I don’t blow it.’ Een liedjesschrijver en performer wil hij zijn, meer niet, althans, zo lijkt het. Zijn fragmentarisch geschreven autobiografie voegt daar, vindt hij zelf, dan ook weinig aan toe: ‘Ik ben gewend songs te schrijven vol metaforen en symbolen. Mensen kunnen die verkeerd uitleggen. Maar nu moest ik een boek schrijven dat niet voor tweeërlei uitleg vatbaar was. Dat vond ik lastig.’

Stug beeld

Toch zijn juist die Kronieken van Dylan prachtig. Ze geven een mooi stug beeld van het Amerika waarin hij opgroeide onder de schaduw van de Tweede Wereldoorlog en direct daar op volgend de Koude Oorlog. Wat vooral intrigeert is de chronologie die Dylan hanteert. Zijn verhaal begint op het moment dat hij zijn eerste platencontract in New York heeft getekend en gaat meteen over het vak. Over studio’s en helden en de ingekakte populaire muziek, de ‘loze ongein’ die je in de dagen voor The Beatles, The Who of The Rolling Stones (en in die volgorde!) op de radio hoorde. Dylan had op dat moment nog geen idee dat hij beroemd zou worden met zijn ‘verbeten folkliedjes die het publiek trakteerden op hel en verdoemenis.’ Het tweede deel gaat over de nieuwe lente van de jaren zestig die in de lucht hangt. Maar wie dan denkt uitgebreid Dylans privéleven voorgeschoteld zal krijgen, komt bedrogen uit. In hoofdstuk drie, ‘New Morning’, kijkt hij, terug van weggeweest, nog een keer achterom: maar ‘liedjes met een boodschap? Zaten er niet tussen.’ (!) In het volgende hoofdstuk, ‘Oh Mercy’ geheten, springt hij meteen door naar 1987, de tijd dat hij veel met Tom Petty optrad en de meeste gehate muziekjournalisten uit de jaren zestig inmiddels ‘ verworden waren tot pr-medewerker’. Dylan vertelt uitgebreid hoe hij op een nacht na lange tijd niet geschreven te hebben voor het eerst weer een liedje wist te schrijven. Het is ontroerend hoe groot zijn blijdschap is als hij met de komst van de tekst van ‘Political World’ zijn klein geworden en tot stilstand gekomen wereld weer ziet groeien en in beweging ziet komen. Letterlijk, want na het eerste liedje volgen er meer en begint Dylan weer, net als na zijn onderduikperiode in 1967, mensen te zien en naar studio’s te verlangen. Hij ontvangt Bono thuis en geniet van de gesprekken die zij hebben. Ook hier benoemt Dylan de dynamiek ervan als bewegen: ‘Een avondje met Bono is als een etentje in de trein: je hebt het gevoel dat je in beweging bent, ergens naartoe gaat… hij is ook een filosoof die nog niet uit de kast gekomen is.’ Ook. Net als de meester zelf, zo proef je. Na deze tweede comeback gaat Dylan in het vijfde hoofdstuk terug naar zijn roots. ‘IJsrivier’ heet het slot. Met winters New York als achtergrond schetst hij de inleiding tot zijn magnus opus, het sterk door Robert Johnson beïnvloede en door The Band bepaalde Highway 61 Revisited. De snelweg van Duluth naar de het Zuiden van de Blues. Toen pas, nadat hij eerst zoals hij het zelf uitdrukt ‘het paradijs van de folk moest verlaten, als Adam de Hof van Eden’, lag de wereld voor hem open. ‘Ik ging er recht in,’ schrijft hij. En doet hij nog steeds, in beweging, als een kei die zwerft.

Peter Sierksma is historicus en journalist.

Dit artikel werd eerder gepubliceerd in Volzin nummer 11, jaargang 10, 2011.

Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda