FacebookTwitterLinkedIn
dinsdag, 19 July 2016 10:58

'Ik heb gekke momenten van geluk gehad'

Tekst: Jurgen Tiekstra Beeld: ANP Foto Tekst: Jurgen Tiekstra Beeld: ANP Foto

“Het is een gewone gang van zaken: mensen leven en mensen gaan dood. En waarschijnlijk hoor ik bij die groep”, aldus Bloeme Evers-Emden eerder in Volzin. Joods boegbeeld en Auschwitzoverlevende Bloeme Evers overleed gisteren op negentigjarige leeftijd in Tel Aviv. Bij de pakken neerzitten was voor haar geen optie, zo vertelde ze in 2014 aan Jurgen Tiekstra.

Iemand die de jodenvervolging in de Tweede Oorlog ternauwernood heeft overleefd, kan een wat achtelozer kijk op de dood hebben dan anderen. Bloeme Evers-Emden (88) haalt haar schouders op. “Zoals de tijd onstuitbaar voortgaat, word je ouder. Ik probeer dingen te regelen voor als ik er niet meer zal zijn, maar daar willen mijn kinderen nooit over horen. Ik ga daar zakelijk mee om. Want ik heb me er bij neergelegd, hoor. Nou kijk, ik heb voor de dood gestaan. Dat was bijna een jaar lang de dagelijkse bedreiging. Ja, dan... Zal ik het zo zeggen: ik zie er niet tegenop. Het is een gewone gang van zaken: mensen leven en mensen gaan dood. En waarschijnlijk hoor ik bij die groep.” “Die oorlogstijd was natuurlijk een verschrikkelijke bedreiging. Je levensverwachting komt op de helling. Ik was nog geen veertien toen de oorlog uitbrak. Ik fietste ergens toen Hitler een redevoering hield die op straat werd uitgezonden. Overal stonden luidsprekers. Het was een hysterisch overslaande stem: Ich würde die Juden ausrotten, ausrotten, ausrotten. Ik dacht: ik laat me niet ausrotten. Maar ik begreep wel dat het moeilijk zou zijn om aan die voortrollende tank te ontkomen. Ik heb gekke, gekke momenten van geluk gehad, waardoor ik erdoor ben gekomen. Bijvoorbeeld bij een huiszoeking in een huis waar ik ondergedoken zat. In dat huis haalden ze het bureau ondersteboven en rukten ze alles van zijn plaats. Ze waren uren bezig, maar ze sloegen de kamer waar ik sliep over. Ik heb daar geen enkele verklaring voor.”

Niet verlummelen

“Ik ben een bezig meisje”, vertelde Evers eerder, terwijl ze in haar woning in Amsterdam Slotervaart plaatsnam op de bank. Ze geeft nog wekelijks les in het jodendom, aan zes groepen cursisten, thuis bij haar aan de eettafel. Ze zit in vier besturen, waaronder in die van de kleine sjoel bij haar om de hoek, in de Nederlandse tak van de Israëlische stichting Yad Vashem en het JOK, een praatgroep van Joden die in de oorlog als kind ondergedoken hebben gezeten. Evers was er zelf zo één voordat ze via Westerbork in Auschwitz terecht kwam, en uiteindelijk bevrijd werd in het Oost-Duitse werkkamp Liebau. Naast haar column voor het Nieuw Israëlitisch Weekblad schrijft ze nu aan, wat ze nadrukkelijk noemt, ‘mijn tiende boek’: hierin tekent ze de onderduikverhalen op die ze dertig jaar geleden hoorde van leden van de Joodse vrouwengroep Deborah, die ze mee had opgericht. Dit nieuwe boek herinnert aan de vier boeken die ze in de jaren negentig schreef over de psychologie en emoties van voormalige onderduikkinderen, hun biologische ouders en de mensen bij wie ze verborgen zaten. ‘Ik denk niet dat ik zo gek veel veranderd ben’, zegt ze. ‘Ik rende vroeger ook al door het leven. Ik had al heel jong het besef van het belang van tijd. Mijn huiswerk repeteerde ik voor mijzelf onderweg naar school, waarbij ik nog weleens tegen een lantaarnpaal aanbotste. Daar was ik me al jong van bewust: je moet je tijd niet verlummelen. Dat idee heb ik nu nog veel meer. Maar ik voel me geen 88. Ik ben bevoorrecht dat ik geen ziekten heb opgelopen. Iets waar ik nog meer met de neus op gedrukt word, omdat een goede vriendin van mij een heel slechte diagnose gekregen heeft. Dat trek ik me erg aan.’

Orthodox

Puur onschuldig is haar ‘druk doen’ toch niet. In een eerder gesprek sprak ze over de mogelijke invloed van de oorlog op de ambities in haar leven. Toen ze eind dertig was en vier kinderen had, ging ze psychologie studeren. Later promoveerde ze ook. Daarnaast liet ze zich gelden in de Amsterdamse Joodse gemeenschap. Misschien wilde ze verloren tijd goedmaken. Maar de link met de tijd in de kampen is volgens haar ook: “Als je passief was, werd je afgevoerd. Ziek zijn, dat kon niet.” Een grote verandering in Evers’ leven, was haar ommekeer naar het orthodoxe jodendom. Ze was seculier Joods opgevoed, door socialistische ouders, maar ironisch genoeg duwde juist het naziregime haar de andere kant op. “Ik heb een groot aantal dingen in mijn leven meegemaakt die geluk betekenden. De vervolging was geen geluk natuurlijk, maar ik heb bijvoorbeeld veel geleerd van iemand die ik in Auschwitz heb leren kenen. Dat was een twintig jaar oudere, orthodoxe vrouw. Toen we in Liebau zaten, was er de arbeid van twaalf uur per dag. We moesten dingen maken die wielen van de tanks zouden behoeden voor wegzakken. In die eentonige arbeid was er veel gelegenheid om te praten, al mocht dat niet. Zij heeft mij toen veel over het jodendom geleerd.” Na de oorlog volgde ze met haar man Joodse les. Hun zes kinderen gingen naar de Joodse school en werden zonder uitzondering orthodoxe Joden. In hun kielzog sleepten ze haar en haar man mee: de keuken werd koosjer, met Loofhuttenfeest kwam een soeka in de achtertuin en voortaan werd de sjabbat gehouden. Oudste zoon Raphael Evers werd rabbijn in Amsterdam. Veel van haar kinderen wonen nu in Israël.

Gelukkig leven

“Het is een goede manier van leven. Een belangrijke regel in het jodendom is dat je goed bent met je medemens, dat je oprecht, maar ook gevend bent. Probeer een goed mens te zijn en strek je hand uit naar een ander. Nou is dat niet altijd even gemakkelijk, dat weet ik ook wel.” Want begin niet over Duitsers. “Nee. Nee. Dat is in tegenstelling met wat ik zou willen. Ik heb een lijfelijke afkeer van Duitsers. Toen ik in Liebau bevrijd werd, zijn mijn kampgenoten het dorp ingegaan en hebben ze genomen wat ze wilden. Ik niet, ik was er vies van. Ik heb nooit willen spreken met een Duitser ooit. Ze hebben mij en mijn gezin, ze hebben mijn volk willen vernietigen. Moet ik daar mee willen praten?” “Ik leef niet met de oorlog, hoor. Ik heb een veelbewogen, gelukkig leven erna gehad”, vertelt ze. “Ik prijs me gelukkig, met een lieve, goede man, met lieve kinderen, en met een vriendenkring. Want familie had ik na de oorlog niet meer. Ik heb mijn eigen familie gemaakt, bij wijze van spreken. Ik ben niet bij de pakken neer gaan zitten.”

Profiel

Bloeme Evers-Emden (1926, Amsterdam) deed één dag voordat ze opgepakt werd eindexamen op het HBS. Dat was in 1943. Daarna wist ze in de Hollandse Schouwburg in Amsterdam te ontsnappen en dook ze lange tijd onder. Ze werd ontdekt en verbleef in Auschwitz en het werkkamp Liebau. Haar ouders en zusje werden in Sobibor vermoord. In haar boek Als een pluisje in de wind uit 2012 schrijft ze over deze tijd, maar ook over haar psychologisch onderzoek vanaf de jaren zeventig. Ze kreeg zes kinderen, wat zij en haar man – wijlen Hans Evers – zagen als een bijdrage aan het voortbestaan van het Joodse volk. Ze deed uitgebreid onderzoek naar de psychologie van onderduikkinderen. De laatste jaren vraagt ze geregeld aandacht voor het oplaaiende antisemitisme.

Eerder gepubliceerd in Volzin, nummer 11, 2014

Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda