FacebookTwitterLinkedIn
dinsdag, 11 November 2014 12:50

'Ik sta uiterst argwanend tegenover elke inpakkerij'

'Ik sta uiterst argwanend tegenover elke inpakkerij' Tekst: Jan van Hooydonk Beeld: Stijn Rademaker

 Vandaag is Harry Kuitert 90 jaar geworden. Morgen is het honderd jaar geleden dat zijn collega-theoloog Edward Schillebeeckx geboren werd. De Bazuin, voorloper van Volzin, hield 15 jaar geleden een dubbelinterview met beide spraakmakende theologen. Vandaag het eerste deel van die tweeluik: Harry Kuitert.

Verkwanselaars van het erfdeel van hun gereformeerde en katholieke vaderen? Zelf zien de twee beroemdste Nederlandse theologen van de twintigste eeuw liever als padvinders die wegen willen openleggen naar de toekomst.

"Het belangrijkste dat ik aan mijn tijdgenoten heb willen zeggen, lijkt me de stelling te zijn, dat al onze voorstellingen over 'boven' van 'beneden' komen. Wij zijn in het godsdienstig geloof bezig als mens en spreken over dat geloof met alle relativiteit die aan het menselijke spreken eigen is. Ons geloof is niet anders of meer dan een menselijk ontwerp. Daar houd ik het op. Wij moeten dus als christenen ons gelijk nog kríjgen. In één zin samengevat: wij christenen wéten niet beter dan anderen."

Waaraan dankt u uw populariteit en hoge verkoopcijfers?
"Ik vertegenwoordig een generatie gelovigen die met alle goede wil graag wil vasthouden aan de traditie, maar die dat in de vorm waarin die traditie is overgeleverd, heel moeilijk kan. De kerkelijke cultuur waarmee we vertrouwd zijn geweest, verdwijnt onherroepelijk. Kerken die menen de waarheid over God in bezit te hebben: dat is voorbij. Ook de hele taal en ritualisering daaromheen heeft geen toekomst meer. Om enkele voorbeelden te noemen: De incarnatie, de verklede-prins-christologie, Jezus als God en mens inéén, dat alles kan echt niet meer. En met de drie-eenheid doe je niemand een plezier. Die kwestie hoort niet bij het geloof, maar is meer iets voor theologen, en daarmee klaar.
Ik zie mezelf niet als een overgangstheoloog en ook niet als een voorloper, maar als iemand die staat op een breukvlak. En dat heb ik, vermoed ik, gemeen met veel van mijn lezers. Dat is het punt van spirituele herkenning.
Het tweede punt is dat van de leesbaarheid van mijn werk. Ik schrijf zonder jargon, in gewone-mensentaal. Vandaar dat collega-theologen mij nogal eens laatdunkend bekijken. Zij missen de theologentaal. Dat gemis vind ik nou juist heel leuk! Ik heb dat ook altijd aan mijn studenten voorgehouden: zolang je het niet aan je vrouw of vriendin kunt uitleggen, heb je de zaak nog niet onder de knie."

@vraag = Hoe staat u tegenover de roem en eer die u ten deel is gevallen?
@t1 = "Ik heb nooit zo'n gevoel van roem gehad, eerder het gevoel dat ik met argwaan werd bekeken en in het verdomhoekje gezet werd. Dat vond ik lang niet altijd erg. Maar soms liep het uit de hand. Dan kwam men tot zulke krasse uitspraken over mijn leven, mijn geloof en mijn werk dat ik wel eens gedacht heb: het kunnen toch nauwelijks nog christelijke overwegingen zijn die mensen tot een dergelijk oordeel brengen. Die onheuse kritiek kwam vooral uit de meer behoudende vleugel van het protestantisme. Maar ik heb van mijn lezers ook veel bijval ondervonden. Dat geef ik graag toe."

Bent u, alle kerkelijke tegenwerking ten spijt, blij gereformeerd te zijn?
"In de tijd dat ik nog hoogleraar aan de Vrije Universiteit was en het geduvel met de kerk enigszins beu was, heb ik wel eens overwogen om naar de hervormde kerk over te stappen. 'Doe dat nou niet', zei de voorzitter van het VU-bestuur toen tegen me. 'Dan beteken je niks meer.' Die man had gelijk. Juist doordat ik binnen de gereformeerde kerken gebleven ben, heb ik voor een aantal mensen een emanciperende rol kunnen vervullen.
Maar of ik op dit moment nog blij ben gereformeerd te zijn? Ik zou mijn hand overspelen als ik die vraag met ja zou beantwoorden. 'Blij' is echt niet het goede woord. Daarvoor ben ik door de gereformeerde autoriteiten te zeer gemarginaliseerd. Ik had best wat ideeën en praktische inzichten in huis waarmee die autoriteiten hun voordeel hadden kunnen doen. Maar ze hebben daar nooit gebruik van willen of durven maken. Ik ben nooit gevraagd om als deskundige zitting te nemen in kerkelijke organen.
Ik bezoek de kerk nog maar mondjesmaat. Mijn vrouw is van afkomst Zweeds, luthers; ik ga wel eens met haar mee naar de lutherse kapel. Maar het liefst ga ik naar kerken waar niet gepreekt wordt. Woorden zeggen me niet zoveel meer. Ik kan het zelf ook allemaal bedenken. U kunt me dus wel eens in een rooms-katholieke kerk aantreffen waar ik zelfs nog een kaarsje opsteek voor welke heilige of maagd dan ook. Dat vind ik prachtig, evocatief; het brengt mij in heel serene stemming."

Welke gebeurtenis tijdens uw leven heeft uw denken het meest bepaald?
"In 1953 maakte ik als jonge dominee op Schouwen-Duiveland de Watersnoodramp mee. Die gebeurtenis heeft me een enorme opdoffer verkocht. Ik ontdekte hoe eenmalig de kansen zijn die je als mens krijgt en hoe je morst met de tijd als je maar in je gewone stramien blijft doorgaan. Buit je je mogelijkheden wel genoeg uit?
Van heel andere aard is een ervaring die me tien jaar later overkwam: na mijn promotie werd ik uitgenodigd om de vereniging van hervormde predikanten toe te spreken. De hoogleraar Van Niftrik kondigde me bij die gelegenheid aan als 'Kuitert, de coming man van de gereformeerden'. Toen dacht ik: nu gaat het verkeerd met me. Sinds die tijd sta ik uiterst argwanend tegenover elke inpakkerij van welke kerkelijke of wereldlijke instantie dan ook."

Van welke theologische stellingname heeft u achteraf het meeste spijt?
"Ik ben voor mijn gevoel heel tastend mijn weg gegaan. Ik heb me stap voor stap losgemaakt van mijn oergereformeerde verleden. In die zin is mijn denken voortdurend veranderd. Maar daar kan ik niet echt spijt van hebben.
Nee, waar ik wel eens spijt van heb, is dat ik eind jaren zestig en begin jaren zeventig een korte periode te overmoedig de optimistische tijdgeest heb omhelsd. Ik heb toen beweerd dat het Koninkrijk Gods hier op aarde al werkelijkheid zou kunnen worden.
Maar al gauw heb ik van die gedachte weer afscheid genomen. Mijn boek Alles is politiek, maar politiek is niet alles mag u lezen als een bekeringspamflet. Het Koninkrijk Gods is een utopie, denk ik nu, en daar blijft het bij. Utopieën moet je niet willen verwezenlijken. Dat leidt tot bloedvergieten en mensen die niet meedoen, worden uitgemaakt voor verraders."

Gesteld dat u opnieuw kon kiezen, zou u dan opnieuw theoloog worden?
"Ik kan me niet goed indenken hoe mijn leven zonder de theologie verlopen zou zijn. Misschien zou ik voor een rustigere tak van de theologie gekozen hebben. Ik heb er wel eens over gedacht me te concentreren op de patristiek, de studie van de kerkvaders. Daar zit een filologische kant aan en die heeft me altijd getrokken. Ik ben graag met taal bezig. Maar, vraag ik me dan af, leidt zo'n studie ergens toe?
Natuurlijk, als theoloog ben je altijd óók archeoloog, en dat vind ik heerlijk. Maar tegelijkertijd heb ik altijd padvinder willen zijn, wegen willen openleggen naar de toekomst. Als ik het pistool op de borst gezet krijg, zou ik vermoedelijk dus toch weer voor datgene kiezen wat ik tot nu toe in feite gedaan heb, ondanks de ellende die me dat bezorgd heeft."

Wat betekent Edward Schillebeeckx voor u?
"Dankzij hem heb ik geleerd waar de nieuwe katholieke theologie op neerkomt en hoezeer die een breuk is met de klassieke, traditionele leer van de rooms-katholieke kerk. Meer specifiek denk ik dan aan zijn beide Jezusboeken. Die zijn - ik zou bijna zeggen: ondanks hun vracht aan geleerdheid - heel fundamenteel. Ik ben het met Schillebeeckx eens dat we niet over Jezus kunnen praten wanneer we niet de historische Jezus in het oog houden. De context van zijn Jezusboeken is vooral die van het menselijk lijden; bij mij ligt de nadruk meer op schuld en verantwoordelijkheid. Die twee benaderingen sluiten elkaar zeker niet uit. Het moet mogelijk zijn daar een synthese van te maken.
Het leven binnen het kerkelijk instituut is, vrees ik, soms fnuikend geweest voor Edwards spontaniteit. Ik geloof dat de mens Schillebeeckx over een veel teerdere en gevoeligere ziel beschikt dan uit zijn boeken blijkt. Zijn lezers zien hem alleen maar als een heel geleerd man. Ik weet daarbij dat hij ook een heel warm mens is."

Hoe zien uw plannen voor de toekomst eruit?
"Statistisch gesproken heb ik nog maar één jaar te leven... Ik hoop te blijven schrijven. Jakkeren wil ik niet meer; ik heb mijn uitgever verboden om me te bellen met de vraag wanneer mijn volgende boek af is, maar ik heb al wel de nodige aantekeningen.
Waarom doen mensen dat nou, geloven? Daarover moet mijn nieuwe boek gaan. Ik wil die vraag stellen en beantwoorden omdat ik niet graag zie dat mensen met behulp van God en godsdienst om de tuin geleid worden of met een kluitje in het riet gestuurd worden. God en godsdienst worden soms misbruikt om mensen horig te maken, maar ik vind dat geloof bedoeld is om mensen vrij te maken. Zoals Luther zei: 'niemands slaaf en ieders dienaar'. Ik vind dat een mooie formulering voor een prachtige praktijk van het menszijn."

Waar en hoe ontmoet u God?
"Echte ontmoetingen met God, ze waren en zijn er wel, maar ik vind dat niet iets om over uit te weiden. Maar ik zoek het niet zo hoog, meer in een bepaalde gestemdheid. Noem het een meditatief moment. Met open ogen wandelen door het avondlijk duister van Amstelveen, een flatgebouw zien met vijftig, honderd verlichte ramen en weten: daar wonen mensen, en God hoort bij mensen. Soms overkomt me een gevoel van openheid voor wat ze me over God verteld hebben. Daar ben ik dan heel blij mee."

Maakt het geloof het u lichter om te sterven?
"Dat geloof ik niet. Het gruwelijke lijden van medemensen die gemarteld en vermoord worden, ervaar ik als een verschrikking - als je ooit je geloof zou verliezen, dan dáárom - maar mijn eigen sterven zie ik als doodnormaal. Niemand is ooit aan doodgaan ontkomen, ook Jezus niet. Dat vind ik al troost genoeg.
Maar een leuk vooruitzicht is het natuurlijk niet. Je wilt nu eenmaal in de zandbak blijven spelen. Dus wil ik nog lang niet dood en als je dat niet wilt, ben je nog lekker vitaal. Zo gauw je dat wél wilt, is het tijd om te gaan.
Of ik na mijn dood ergens naar toe ga, nee, zo bekijk ik dat niet. Ik blijf wel vasthouden dat wij mensen niet vernietsen. De geest keert terug naar Hem die haar gegeven heeft. Die gedachte bewaart je voor het rottige idee dat je nihil zou worden, helemaal niets.
Het oordeel en de hel vrees ik niet. De hel is in mijn ogen een sprookje dat is uitgevonden om mensen bang te maken. Daar heb ik nooit mee gezeten evenmin als ik ooit gezeten heb met een typisch gereformeerd punt als de uitverkiezing. Dat kan een oppervlakkigheid mijnerzijds zijn, maar dan toch een oppervlakkigheid waar ik God dankbaar voor ben."

Gesteld dat u begraven wordt en u kunt een grafschrift kiezen, hoe zal dit dan luiden?
"Wat ik heel mooi en kuis vind is: 'God is een God van levenden, niet van doden.'
Wat ik best op een rouwkaart zou willen hebben is een zinsnede uit de klassieke rooms-katholieke begrafenisliturgie: Angeli te deducant. 'Dat de engelen je mogen begeleiden': als laatste wens van de nabestaanden lijkt me dat heel ontroerend."

Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda