FacebookTwitterLinkedIn
maandag, 16 June 2014 15:40

Lisette Thooft wint Anne Zernike Preekwedstrijd

'Ja, heilig is alle kunst' 'Ja, heilig is alle kunst'

Lisette Thooft, van 2004 tot 2010 redacteur van Volzin, is de winnares van de Anne Zernike Spreekwedstrijd, afgelopen zondag in Paradiso in Amsterdam. Thooft (61) – auteur van vijftien boeken, journalist, coach en mythosoof – wist met haar welsprekendheid de vier andere finalistes – allen predikant/theoloog – te verslaan. Zij treedt daarmee in het voetspoor van Anna Zernike (1887-1972), die 1911 de eerste vrouwelijke predikant van Nederland werd.

De organisator van de spreekwedstrijd, Vrijzinnigen Nederland, vroeg de deelneemsters aan de spreekwedstrijd om in te gaan op een uitspraak van Zernike: “Ja, heilig is alle kunst. Alle wegen die zich verheffen boven de alledaagschheid voren tot God. Zo’n weg wijst de wetenschap en stellig ook de kunst.” Hierbij de winnende toespraak:

Is alle kunst heilig? Op het eerste gezicht zou je het niet zeggen. Heilig is heel, volgens de etymologie. Heilig is wat heelheid uitdrukt. En drukt kunst heelheid uit? Iets kunstzinnigs scheppen betekent juist dat je het onderscheidt, dat je het afscheidt van het geheel. Een urinoir is geen kunst, maar toen Marcel Duchamp er in 1917 een inleverde bij een tentoonstelling, werd het dat wel. Hij wilde het heilige huisje van de kunst omver werpen en zette ‘readymades’ op sokkels. Groot schandaal. Het urinoir werd door de organisatie verstopt voor het publiek. Tien jaar geleden, in 2004, is zijn ‘Fountain’ door een college van vijfhonderd kunstkenners verkozen tot meest invloedrijke kunstwerk van de afgelopen eeuw. 

Scheppen is dus soms zelfs: ontheiligen. Kunst maken is iets afzonderen, iets apart zetten, iets uit het dagelijkse leven halen en bijzonder maken. Een beeld, een thema, een invalshoek, een visie – de kunstenaar neemt het uit zijn context, zet er een lijst omheen, plaatst het op een voetstuk. Scheppen is scheiden. Dat weten we ook uit de Bijbel, uit Genesis, waar we de Scheidende Schepper aan het werk zien. Het klinkt als een Suske en Wiske-titel... ‘Suske en Wiske en de Scheidende Schepper’. Pure schei-kunde ontrolt zich voor je geestesoog.

Op scheppingsdag één komt de scheiding tussen licht en duisternis. Maar dit licht is niet het zonlicht waardoor wij zien: dat komt later pas. Misschien kun je beter zeggen: er kwam onderscheid tussen bewustzijn en het onbewuste, de rest.
Op dag twee volgt de scheiding tussen hemel en aarde. Belangrijk detail, overigens: na deze scheppingsdaad ziet God niet dat het goed is. Het is namelijk niet ‘goed’ – althans, het is een smartelijke scheiding, die scheiding van hemel en aarde, van geestelijke en materiële wereld. Een kosmische kunstgreep: het ont-heiligen van de stof. Maar het moest gebeuren – anders zaten we nog steeds gevangen in dat oneindig kleine, onnoemelijk zware beginpunt van vóór de Big Bang. Scheppen is bevrijdend scheiden.

Op dag drie maakt de Schepper onderscheid tussen water en grond; op dag vier tussen dag en nacht; op dag vijf tussen vogels en vissen. Op dag zes verschijnen er afzonderlijke zoogdieren – en mensen. Deze prototypen zijn nog niet gescheiden in sexen; ze zijn nog ‘mannelijk èn vrouwelijk’, naar Gods beeld en gelijkenis, heel, androgyn. In Genesis 2 scheidt God ook de mens. Tegenwoordig weten we, dankzij de letterlijke vertaling van Pieter Oussoren in de Naardense Bijbel, dat God helemaal niet een rib nam uit de man om er een vrouw van te maken. Adam betekent ‘mens’, met klankassociaties van ‘aarde’, ‘rood’ en ‘bloed’. Er staat in het Hebreeuws: God neemt één van beide zijden van de roodbloedige, uit grond gemaakte mens en bouwt die zijde uit tot vrouw. De andere zijde bouwt hij uit tot man.

Rrrang, doormidden ging de mens! (En geheel terzijde: de vrouw werd dus eerder geschapen dan de man.) God verbreekt de androgyne heelheid van het prototype ‘mens’ om er mannen en vrouwen van te maken. Daarna komt de smartelijke scheiding tussen God en de mensen, in de verdrijving uit het Paradijs, de lusthof. Wij mensen raakten afgescheiden, opgesloten in een eigen afgezonderd ik. Een ego. Het gebeurt met elk mensenkind telkens weer, in de vroege jeugd: uit het oceanisch bewustzijn scheidt het zich af tot een ikje. Nog meer scheidingen volgen in de Bijbel. Tussen broeders, in de strijd tussen Kain en Abel. Tussen volkeren, bij de toren van Babel. Het gaat maar door, het scheidende scheppen. Allemaal erg creatief van God, en erg pijnlijk voor zijn schepsels. Maar alles is natuurlijk voor het goede doel: we zijn er individuen van geworden. Afzonderlijke wezens, afgesloten van elkaar.

En dan proberen we weer heelheid te vinden. Dat doen we op drie manieren: in de liefde, door te proberen de wereld te verbeteren, en door kunst. En bij alledrie is de opdracht: verbind je met het andere zonder je eigenheid te verliezen en zonder de eigenheid van de ander aan te tasten. We proberen onze tegenover te vinden en er één vlees mee te worden, zoals de opdracht luidde toen we uitgestuurd werden in de wereld. We worden verliefd. En even denken we dat we heel zijn. Om vervolgens te ontdekken dat we een deel van onszelf op die ander hebben geprojecteerd. ‘Oh wat is hij sterk en moedig en vrij’ – maar beantwoordt hij wel aan al mijn verwachtingen? Zoniet, dan zal ik mijn eigen moed en vrijheidsdrang uit mijn onbewuste tevoorschijn moeten halen en leren manifesteren. ‘Oh wat is zij toch lief en zorgzaam’ – behalve als ze een draak wordt. Als man zal ik toch mijn eigen liefde en zorgzaamheid moeten ontwikkelen. Daarop zijn we fysiek gebouwd, die ontwikkeling tot heelheid, door strijd, imitatie en offer. Het heet het heilige huwelijk van de ziel, het ‘hieros gamos’, het innerlijk heelmaken.

We zoeken ook verbinding door ons te engageren met de wereld om ons heen. Om vervolgens te ontdekken dat ook ons werk in de wereld altijd verdeeldheid met zich meebrengt, irritatie, en egogedoe… Ook hier gaat het pas goed wanneer je jezelf blijft en de ander, het andere, zichzelf laat zijn, en toch verbinding zoekt. Dan krijg je de Wisdom of the Crowd: de som van het geheel wordt knapper dan het knapste onderdeel. Maar alleen als iedereen eigenwijs blijft, zichzelf, en zich toch weet te verbinden met de anderen. Dan ontstaat er magie, gebeuren er wonderen. Dan kun je wereldproblemen oplossen.

En we zoeken verbinding door kunst. Want kunst scheidt niet alleen, kunst verbindt ook. Kunstenaars houden van hun onderwerp, van de modellen die zij schilderen, van de ideeën die zij vormgeven, de klanken die zij arrangeren, het beeld dat ze uithakken, het verhaal dat ze opschrijven. Kunst maken is aandacht geven en aandacht geven IS jezelf met iets verbinden. Elke schilder die een model schildert, wordt er een beetje verliefd op. Die liefde, die verbinding, slaat over op de kunstliefhebber. Kijken, luisteren naar een kunstwerk betekent: het bijzondere ervaren dat de kunstenaar erin ervaren heeft, het afgezonderde, het aparte. Wanneer je dat met volle aandacht doet, verbind je jezelf ermee.

Ik heb Duchamps Fountain nooit gezien – hij is trouwens per ongeluk weggegooid, meteen in 1917. Maar er zijn een aantal replica’s gemaakt tijdens Duchamps leven en voor veel geld aan museau verkocht. Ik kan me voorstellen dat het iets met je doet, dat je anders naar de wereld kijkt als je dat kunstwerk ziet: aandachtiger, frisser, opener. Misschien dringt er een spirituele waarheid tot je door: de Boeddha is de schijtstok. Het goddelijke is overal, ook in het banale, het onaanzienlijke. Een van mijn eerste indringende kunstervaringen was in het Jeu de Paume, destijds – nu zijn die impressionisten allemaal verhuisd naar het Musée d’Orsay maar toen hingen ze nog daar – bij een Monet. Een vrouw in een lichte jurk, op een duintop, met een parasol.

Ik stond stil en ik staarde ernaar, en het was alsof ik het schilderij IN mijzelf voelde. Het was alsof ik de zon voelde daar op dat blonde duin, dat licht, die transparantie, het was alsof ik de zilte zeewind rook, de meeuwen hoorde. Ik was er plotseling op mysterieuze wijze mee verbonden: met háár wereld, haar zon, haar wind, haar duintop. Er is iets heiligs in zo’n ervaring. Je bent nog steeds jezelf, en tegelijkertijd verbonden met iets of iemand in een andere tijd, op een andere plaats. En die verbinding brengt een gevoel van heelheid met zich mee. Van heiligheid.

Is dat misschien wat Jezus bedoelde toen hij zei dat we weer kinderen moesten worden om het Koninkrijk Gods te kunnen ervaren? Verbonden met een kosmisch, inclusief bewustzijn… Maar nu bewust, als volwassen, autonoom, vrij mens. Kunst heelt – als je jezelf blijft en tegelijkertijd jezelf met het kunstwerk verbindt. Dat betekent dat je ook kunt lachen om kunst, of er boos om worden. Maar wat je niet mag doen, is: klakkeloos meelopen, meepraten, meedoen met een mode. Dan is er niet die overstijgende verbinding, die tegelijkertijd afzondering inhoudt.

Je zou zelfs kunnen zeggen: laat de mens niet samensmelten wat God gescheiden heeft. Dan bereidt een kunstervaring de weg naar een grotere verbinding, naar een dieper openstaan voor het geheel. Voor het heilige.

Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda