FacebookTwitterLinkedIn
  • VOLZIN 2019: NUMMER 1

    VOLZIN 2019: NUMMER 1

      Volzin organiseerde in samenwerking met Tilburg University een schrijfwedstrijd. Thema was: ‘Kunst
    02 januari 2019 - Lees meer
vrijdag, 16 May 2014 11:50

Jubileum: 100 keer Dichterbij in Volzin

Honderdste Dichterbij in april-nummer van Volzin Honderdste Dichterbij in april-nummer van Volzin Tekst: Bert van der Kruk

Het april-nummer van Volzin bevat de honderdste aflevering in de rubriek Dichterbij, waarin bekende en onbekende Nederlanders hun favoriete gedicht kiezen. Zeven keer viel daarbij de keus op Ida Gerhardt – hoe symbolisch voor deze dichteres. Op een gedeelde tweede plaats staan drie dichters, elk met drie vermeldingen: Hans Andreus, Remco Campert en Rutger Kopland.

Het is elke keer weer een groot plezier om de rubriek te maken: via het gedicht kom je iets meer te weten over de persoon, en via de persoon begrijp je soms het gedicht iets beter. Het mooist zijn wat mij betreft de afleveringen waarin iemand een klein verhaaltje vertelt waarin het gedicht een rol speelt. Daarom hieronder mijn eigen ‘verhaaltje’, dat tevens een hommage wil zijn aan de dichteres die het hoogst scoort in de Dichterbij-kolommen.

Door: Bert van der Kruk

Ik volg mijn diepste wet

“Ik had een mooie moestuin. Ik was daar op een bijzondere manier aan gekomen. Ik fietste rond in het rommelige gebied rond Nijkerkerveen en stapte af bij een boerderij aan de Buntwal, waar ik al eerder verlekkerd had staan kijken. Zou men daar geen lapje grond voor me hebben? Ver van de bewoonde wereld, onaangepast, ruig. Ik belde aan en trof een grijze vrouw, krom gebogen. ‘Kiek mar rond’, zei ze. Verbaasd en verrast door zoveel gastvrijheid keek ik rond, begerig. Ik vond een mooi plekje bij de oude varkensschuur, maar dat was niks volgens haar. Ze leidde me naar een plek achter een paar vervallen schuren, een totaal verwilderde lap grond. ‘Dit is beter’, sprak ze, ‘hier had Herman z’n moestuin ook altijd.’ Maar Herman was dood en het zou nooit meer zo worden als toen.

Ik ging aan het hakken en snoeien, haalde struiken en bomen omver, trok brandnetel en zevenblad uit en spitte de grond om. Ruim vijf jaar had de aarde niks liggen doen, nu ging ik daar verandering in brengen. Ik zaaide, wiedde en oogstte. Het was heerlijk, het was mijn paradijs. Maar vanaf het allereerste moment lag daarover de doem van de zondeval. De 81-jarige boerin was al zachtjes aan het dementeren en zou ooit naar het verzorgingshuis moeten. Het duurde uiteindelijk een kleine drie jaar, waarin zij steeds slechter en de moestuin steeds beter werd. Geregeld kon ik haar vol trots een maaltje bonen brengen. Het deed haar goed, het deed mij goed.

Maar opeens was ze verdwenen, richting Huize Zilverschoon. Ik bleef nog een half jaartje komen op de tuin, maar de ziel was verdwenen uit het grote, rommelige erf. Haar ziel. Ik kwam er steeds minder. Het langzaam opgebouwde contact met de vijf boerenzoons verwaterde. Ik bezocht de boerin in het verzorgingshuis, maar ze herkende me niet meer. De boerderij stond voor zeven ton te koop. Op de laatste dag tikte ik aan de oude eiken paal bij de ingang van de tuin het gedicht van Ida Gerhardt, gestoken in een plastic hoesje tegen de regen, met daarbij als dankwoord dat ik intens had genoten van de Andere Tuin en dat ik met een tevreden gevoel het paradijs verliet. Zoiets.

Een paar weken later belde een van de zoons, Henk: ‘Bert, ik zit hier samen met Alex in de boerderij met jouw gedicht op tafel en we hebben een vraag.’ Het ging wat hakkelig; Nijkerkerveners zijn geen praters, ook geen poëzielezers trouwens. Maar toen kwam de vraag: ‘Hoe is het met je? Er is toch niks ergs aan de hand? Je bent toch niet ziek?’ Nee, zei ik verbaasd, ik ben springlevend. Maar hoezo? ‘Nou’, zei hij, ‘als ik het gedicht goed lees, gaat het over het verlangen naar een andere wereld… dus je weet maar nooit.’ Ik was geroerd. Zo werkt poëzie dus, ook aan een eiken paal in een moestuin, die inmiddels voorgoed onder het asfalt is verdwenen.”

GEORGICA
Labor improbus

Ik ben een tuinman, niets dan dat,
met aarde en met mest bespat;
ik buig mij neer, ik richt mij op,
ik klem de schoffel en de schop.

Ik wied, ik volg mijn diepste wet
als ik de naakte zaailing zet;
ik richt mij op, ik buig mij neer.
Een tuinman ben ik en niets meer.

Ga ik met donker stram naar huis,
de pijn spaart schouderblad noch kruis.
Ik waak nog als ik rusten mag.
Mijn land, mijn land: het is kort dag.

Delft straks uw spa voor mij de wig,
vergeet waar ik geborgen lig.
Voorbij mijn moeite, nood en pijn
moet er een tuin van sterren zijn.

Ida Gerhardt (1905 – 1997), uit: Verzamelde Gedichten, uitgeverij Athenaeum – Polak & Van Gennep

Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda