FacebookTwitterLinkedIn
vrijdag, 04 April 2014 11:45

Eredoctoraat voor voormalig aartsbisschop Rowan Williams

'Het welzijn van één persoon, één gemeenschap of één land bestaat niet' 'Het welzijn van één persoon, één gemeenschap of één land bestaat niet' Tekst: Jurgen Tiekstra. Beeld: ANP

Uitdagende analyses, spirituele diepgang en een verzoenende denkstijl. Het zijn kenmerken waarvoor dr. Rowan Williams internationale waardering oogst. De Radboud Universiteit Nijmegen reikt Williams, die tussen 2002 en 2012 aartsbisschop van Canterbury en ook hoofd van de wereldwijde Anglicaanse Gemeenschap was, een eredoctoraat uit.

Dat gebeurt op 15 mei, tijdens de 91e dies natalis, de verjaardag van de universiteit. Williams ontvangt het eredoctoraat vanwege zijn wetenschappelijke en maatschappelijke verdiensten. Zo hecht hij bijvoorbeeld veel waarde aan de rol van wetenschap in het maatschappelijk debat. Het christelijk geloof maakt verschil, betoogde Williams in het kerstnummer 2013 van Volzin. Lees het hier het volledige interview:

“We hoeven onszelf niet de hele tijd te verdedigen. We zijn gemaakt om afhankelijk te zijn van elkaar, en ons welzijn zal altijd afhankelijk zijn van het welzijn van de ander.” Rowan Williams, oudbisschop en theoloog, over het christendom dat verschil maakt. (door Jurgen Tiekstra)

De stem van Rowan Williams is uit duizenden herkenbaar. Met een ingehouden bas, zijn stem nooit verheffend en altijd innemend, spreekt hij een messcherp beschaafd Engels dat je kunt verwachten van iemand die zowel in Oxford als in Cambridge heeft gestudeerd en gedoceerd. Die stem klinkt altijd even kalm en correct: of hij nu het kroonprinselijk paar prins William en Kate Middleton trouwt, in het openbaar discussieert met evolutiebioloog Richard Dawkins, bij president Robert Mugabe klaagt over de mishandeling van anglicaanse Zimbabwanen of op een synode van zijn kerk tot zijn diepe teleurstelling constateert dat de inzegening van vrouwelijke bisschoppen is weggestemd.

Intellectueel
Tussen 2002 en 2012 was Rowan Williams de aartsbisschop van Canterbury en dus het hoofd van de wereldwijde anglicaanse kerk. Bij zijn afscheid zei hij dat zijn opvolger moet beschikken over ‘het uithoudingsvermogen van een os en de huid van een rinoceros’. Want makkelijk was het niet. Toen hij vorig jaar afzwaaide klonk in de commentaren onmiskenbaar respect door voor de integriteit en intellectuele kracht van de geboren Welshman, maar ook zelf vertrok hij met mixed feelings: het was niet alleen mislukt om vrouwelijke bisschoppen aan te stellen, maar tevens om homoseksuele priesters geaccepteerd te krijgen. Vooral dat laatste debat heeft de anglicaanse kerk gespleten.

Dit jaar werden twee boeken van Williams in het Nederlands vertaald, die niet alleen blijk geven van zijn diep doordachte kijk op God, maar ook van zijn diep maatschappelijke engagement. Beide boeken zijn bundelingen van lezingen die hij de afgelopen jaren als anglicaanse aartsbisschop uitgesproken heeft. Tekens van vertrouwen (Tokens of trust) is een doorwrochte, basale inleiding op het christelijk geloof, die hij heeft voorgedragen in de kathedraal van Canterbury. In de omvangrijkere bundel Geloof in de publieke ruimte (Faith in the public square) horen we de sociaal bewogen Williams. In dit boek herken je de man die fel tegen de Irak-oorlog was gekant, die in 1985 opgepakt werd tijdens een demonstratie bij een Amerikaanse legerbasis in Suffolk en waarschuwt voor de perverse gevolgen van de globale markteconomie en de klimaatopwarming.

Betrokken
Begin dit jaar keerde Williams terug in de academische wereld. Sindsdien is hij Master van het Magdalene College, een onderdeel van de University of Cambridge. Maar zijn betrokkenheid blijft. Zo schreef hij een paar maand geleden een bewonderende brief aan vijf christelijke activisten, onder wie een methodistische dominee, die opgepakt waren nadat ze een ingang van een grote wapenbeurs in Londen hadden versperd. “Ik ben erg dankbaar voor die mensen die moedig genoeg zijn om aandacht te vragen voor dit schandaal en de bredere kwestie dat regeringen steun en subsidie geven aan de wapenhandel”, schreef hij.

Op een maandagochtend in december beantwoordt Rowan Williams de telefoon en klinkt zijn karakteristieke, beschaafde stemgeluid weer op. Op het moment van spreken zit Williams in zijn kantoor in Magdalene College, dat direct gelegen is naast de smalle rivier Cam. Precies hier heeft ook de door hem bewonderde schrijver en theoloog C.S. Lewis gedoceerd in de jaren vijftig. Vorig jaar publiceerde Williams nog een bescheiden boek over de morele en spirituele onderlaag in diens kinderboekenserie De Kronieken van Narnia.

U schrijft in uw boek Geloof in de publieke ruimte dat alle problemen die we nu hebben – de economische crisis, de klimaatopwarming, sociale spanningen – het gevolg zijn van dezelfde spirituele en culturele crisis. Welke crisis is dat?
“Ik denk dat het de crisis is die verwoord wordt in het werk van de Amerikaanse filosoof Michael Sandel: we leven in toenemende mate in een wereld waarin alles onderworpen is aan de waarden van de markt. We raken het gevoel kwijt van de waarde die een object of persoon in zichzelf draagt. Door altijd langs de concrete werkelijkheid te kijken en alleen na te denken over de mogelijke marktwaarde, houden we ermee op te zien wat daar eigenlijk is. Een van de dingen die ik beweer in mijn boek is dat een idee van het heilige inhoudt dat je de wereld als een geschenk ziet, als een uitdaging, en niet als iets dat je kunt bezitten of manipuleren. Hoe meer we over de materiële wereld nadenken als een object dat we kunnen uitruilen, hoe minder we zien wat er is. Dus ik denk dat we op een bepaalde manier niet materialistisch genoeg zijn. Voor zover het mogelijk is moeten we door Gods ogen kijken. Want God kijkt niet naar de wereld en naar ons met een agenda van wat Hij ervan kan maken. We zijn hier niet om zijn leven makkelijker te maken, we zijn hier alleen omdat Hij wil dat wij er zijn en van ons houdt. Als we die vrijheid van kijken en liefhebben overnemen, delen we iets van Gods perspectief op de wereld.”

Leven we in buitengewone tijden?
“Ik denk van wel. Op dit moment zijn de meeste conventionele manieren om politieke identiteit te begrijpen – zeker in Groot-Brittannië, maar eveneens in de Verenigde Staten en waarschijnlijk in Europa – door onzekerheid bevangen. We zijn er niet zeker van hoe een staat en een samenleving of een staat en een gemeenschap zich moeten verhouden. We moeten ook omgaan met een nooit eerder vertoonde vloeibaarheid van populatie, van migranten die zich meer en meer over de hele wereld bewegen. Daardoor moeten we harder dan eerder nadenken over de vraag wat voor gemeenschap we willen zijn. Tegelijkertijd moeten we erkennen dat we ons haast hebben opgesloten in een wereldwijde economie, wier functioneren geen specifieke natie of regering in de hand heeft.”

Ziet u zichzelf als een pessimist?
“Dat is altijd een moeilijke vraag om te beantwoorden, omdat ik niet zou willen zeggen dat ik in het algemeen een pessimist ben, en omdat ik denk dat we altijd keuzes kunnen maken, zeker op kleine schaal. Maar ik kijk op dit moment met bezorgdheid naar de wereld, omdat we niet weten wie de keuzes gaat maken die dingen gaan veranderen. Laten we zeggen: eerder somber dan pessimistisch. Het heeft geen zin om achterover te leunen en te zeggen: het is onmogelijk. Zeker waar het gaat om de klimaatopwarming is de grootste uitdaging om te zorgen dat mensen zich niet verlamd voelen door de omvang van het probleem. Er zijn keuzes die je in je eigen leven kan maken, je kunt druk uitoefenen op je eigen regering. Je bent niet machteloos. Hoe groot de kansen ook mogen zijn, je moet doorgaan dit te zeggen. Niks zeggen, maakt het alleen erger.”

U schrijft zelfs dat religie cruciaal is, omdat elke nieuwe alarmerende statistiek over de klimaatopwarming weinig verandert in ons gedrag.
“Dat klopt. Een religieus persoon zou volgens mij moeten zeggen: ook al kunnen we niet zeker zijn van het succes van een nieuwe aanpak, we moeten het toch doen, omdat het God eert, het de mensheid eert en het de wereld eert. Volgens mij citeer ik in mijn boek één van mijn favoriete uitspraken, van Martin Luther, die zegt: als ik wist dat de wereld morgen tot een einde zou komen, dan zou ik een boom planten. Daarmee bedoelde hij: of het nou wel of niet een verschil maakt, het is goed om een boom te planten, het is een eerbiedwaardig iets om te doen. Hier en nu. Aan ons wordt alleen gevraagd om God in het hier en nu te dienen.”

Ik vond het interessant dat u in dit verband spreekt over de ‘homo eucharisticus’. Wat is uw definitie van die mens?
“Iemand die de wereld ziet als een onaflatend getuigenis van Gods geschenk. Iemand die in antwoord daarop bereid is zijn of haar basishouding er één te laten zijn van dankbaarheid en dankzegging. Diegene kijkt altijd naar manieren waarop objecten en personen in deze wereld nog duidelijker kunnen spreken van Gods geschenk en liefde. De eucharistie, de aanbidding in het hart van de christelijke praktijk, is een aanwijzing voor hoe wij alles benaderen. De eucharistie is niet een klein stukje kerk dat geïsoleerd is van al het andere, maar het is moment waarop we begrijpen hoe we moeten reageren op de hele wereld.”

En u vindt dat zowat alles van de consumptiemaatschappij, waaraan bijna iedereen deelneemt, daarmee in tegenspraak is?
“Dat denk ik ja. En natuurlijk is dat geen recente conclusie. Het taalgebruik van de ‘homo eucharisticus’ is geworteld in het betoog van een theoloog uit de Church of England (de anglicaanse kerk, JT) die schreef in de jaren veertig. Dan al spreekt hij over de manier waarop wij onze omgeving exploiteren en vernielen en hoe de eucharistie een andere manier van begrijpen toont van waar we zijn. Het is interessant om terug te kijken op wat schrijvers en intellectuelen uit de Church of England in die periode zeiden. Ook de dichter T.S. Eliot schreef in 1939 al een sterke verwerping van onze exploiterende houding tegenover de materiële wereld. En Eliot wordt niet altijd gezien als een progressieve politieke denker.”

U spreekt niet alleen over de exploitatie van de natuur, maar ook wat van u de ‘economische verliezers’ noemt. In Nederland, en misschien ook in Groot-Brittannië, leidde de brand in een kledingfabriek in Bangladesh tot veel discussie.
“Dat was een sterk voorbeeld van wat er misgaat in een groot deel van onze economie. We schuiven de menselijke kosten af op mensen die zo wanhopig op zoek zijn naar werk dat ze die onder alle omstandigheden accepteren. En we zien de resultaten.”

U heeft zelfs geschreven dat economische transacties in het Westen gezien kunnen worden als een daad van agressie jegens die economische verliezers. Dat is een erg harde uitspraak.
“Het is natuurlijk niet zo dat alle individuen in het Westen kwaadaardig zijn. Maar ik zou graag hebben dat mensen erkennen dat in sommige industrieën, vooral in de kledingindustrie, er een donkere schaduw hangt over wat we doen. Ik vind het heel interessant om te zien dat de laatste jaren onder de druk die consumenten uitoefenen sommige arbeidsomstandigheden zijn veranderd. We oefenen druk uit op winkels om transparant te maken waar producten vandaan komen. Dat is het begin van een zelfbewustere, beschaafdere houding tegenover onze economie, het besef dat spullen niet uit de hemel komen vallen.”

Wat is volgens u het belangrijkste in de verkondiging in West-Europa?
“Ik denk dat ik dan moet teruggaan naar het perspectief dat je vindt in de tweede brief van de apostel Paulus aan de Korinthiërs, waarin staat dat we allemaal betrokken op elkaar zijn. Er bestaat niet zoiets als het welzijn van één persoon, één gemeenschap of één land, los van het welzijn van ons allen. We kunnen alleen opbloeien als iedereen opbloeit. Een deel van het evangelie wil vertellen dat we zijn in staat om in zo’n wereld te leven. We hoeven onszelf niet de hele tijd te verdedigen tegenover een vreemdeling, we hoeven niet een ander op de vingers te staan. We zijn gemaakt om afhankelijk te zijn van elkaar, en ons welzijn zal altijd afhankelijk zijn van het welzijn van de arbeider in Bangladesh, de kindsoldaat in Congo en op dit moment natuurlijk de gewone christelijke of islamitische burger in Syrië die omringd is door oorlog. Als zij veilig zijn en opbloeien, zijn wij veilig en bloeien wij op. Dat betekent dat onze roeping is om te zorgen dat niemand wordt vergeten of uit het oog raakt. Afgelopen week bezocht ik een school om met de leerlingen te spreken. Ik deed wat ik altijd doe: simpelweg heel veel vragen stellen. Een heel jong kind stelde mij toen een hele simpele vraag, zoals kinderen dat kunnen doen. Zij vroeg: wat is echt belangrijk voor u? Ik dacht daarover na en zei: ik denk dat wat ik echt belangrijk vind is dat niemand het gevoel heeft dat hij vergeten is.”

Dat is een belangrijke reden voor u om u betrokken te voelen bij de fabrieksarbeider in Bangladesh?
“Inderdaad. Of betrokken bij jong volwassenen met leerproblemen hier in mijn eigen stad. Of neem de school in Londen waar ik vrijdag op bezoek was, die aan de kerk verbonden is. Die school heeft net een afdeling geopend voor tieners met autistische problemen. Dat soort dingen is hier relevant. Het gaat niet alleen om de economisch armen, maar om iedereen die genegeerd en geminacht wordt, omdat ze bijvoorbeeld geestelijke gezondheidsproblemen hebben.”

In uw boek schrijft u zelfs: ‘Wanneer we ons lot losmaken van dat van de armen van de wereld, of van de uitgestotenen of gehandicapten in onze eigen omgeving, dan brengen we daarmee onze bestemming in gevaar en verlangen we naar een leven dat ook voor onszelf minder compleet is.’ Maar waarom maakt dat ons leven minder compleet?
“Moreel en spiritueel gezien worden we alleen volwassen voor zover we in staat zijn om zowel de behoeften van de vreemde als die van onszelf serieus te nemen. Als we dat niet doen, zouden we meer en meer egoïstisch en destructief worden. We moeten gevoed worden in het licht van de realiteit van anderen. We moeten anderen voeden. Dat betekent dat als ik de ander dien, ik ook mijzelf dien. We maken elkaar meer mens door in wederkerigheid te geven. Zonder dat zouden onze levens saai en leeg worden. We moeten groeien als mensen, wat betekent dat we met liefde en verbeelding betrokken moeten zijn bij de vreemdeling.”

In uw boek Tekens van Vertrouwen schrijft u dat u geen doorslaggevend bewijs hebt voor het bestaan van God, maar dat je kunt leunen op mensen die in hun leven ‘verantwoordelijkheid’ hebben genomen voor de ‘geloofwaardigheid van God’. Vraagt u dan niet heel veel van die mensen die dat doen?
“Het is geen kwestie van vragen van mensen om dat te doen. Maar ik merk dat er levens zijn die deze betekenis lijken te dragen. In mijn boeken schrijf ik over Etty Hillesum (een joodse Nederlandse vrouw die in 1943 in Auschwitz omkwam, maar voor die tijd een dagboek bijhield over haar spirituele groei dat na haar dood is gepubliceerd, JT). Zij was niet iemand die onder druk van een ander in de richting ging waarin ze ging. Voor mij is zij een van de grote voorbeelden van personen naar wie ik kijk als ik zeg: ik weet niet hoe ik moet beginnen om iemand te overtuigen om in God te geloven, maar ik kan wel wijzen naar iemand wiens leven betekenis heeft als je zegt dat God bestaat. Van zo’n leven kun je zeggen: dit is een leven met absolute integriteit dat in de richting van God bewogen wordt.”

Hoe nam zij die verantwoordelijkheid precies?
“Er gebeuren twee dingen in haar leven die naar buiten komen in haar dagboeken. Eén daarvan is dat ze voelt dat haar leven zich om wat voor reden dan ook – persoonlijk en emotioneel – opent op onvoorspelbare manieren. Er zijn meer dimensies in haar leven dan ze verwacht had. Daarom voelt ze de drang om te knielen. Ze heeft nog geen theorie over het universum, dus voelt ze dat ze moet groeien in die houding van eerbied. Het tweede is dat ze daarom het gevoel heeft dat ze op zo’n manier moet leven dat ze aan de mensen rondom haar iets laat zien van die mysterieuze mogelijkheid om te groeien in een nieuwe volwassenheid en dat je geen toevlucht hoeft te zoeken in egoïstische, rancuneuze of kleinzielige reacties. Ze groeit in dat mysterie dat alleen maar aanbeden kan worden. Dat betekent volgens haar dat ze op een of andere manier moet zorgen dat ze haar beslissingen en reacties zo vormgeeft dat ze serieus is waar het gaat om die mysterieuze, beminnelijke, ongrijpbare werkelijkheid waar ze een besef van heeft. En dat ze doet zonder sentimentaliteit, zonder een enge religieuze of confessionele agenda, zonder zelfrechtvaardiging. Dat is heel opmerkelijk.”

Die beweging van het knielen is ook voor u erg belangrijk, of niet?
“Ja, omdat ik geloof dat het spirituele leven altijd wordt geuit in het lichaam. Ik behoor tot een traditie in de Church of England die het ritueel heel serieus neemt. Niet vanwege het melodrama of het effect, maar omdat het belangrijk is om het bidden en het aanbidden in je lichaam te voelen, en niet alleen in je hoofd. Knielen en buigen, de bewegingen die ik maak met handen wanneer ik de eucharistie vier, dat is allemaal belangrijk. Ik heb altijd geloofd dat priesters het moeilijker of makkelijker kunnen maken om in hun buurt te bidden, afhankelijk van hoe ze zich opstellen. Ik heb als jongen veel geleerd van de priester in mijn parochie die zo’n verstilling en concentratie had in zijn lichaam dat ik wist dat het op een of andere manier mogelijk was om in zijn buurt te bidden.”

Wat is de verantwoordelijkheid die u zelf voelt, als voormalig aartsbisschop en publiek figuur, of zelfs los van die positie?
“Ieder van ons die zich een gelovige noemt, heeft de verantwoordelijkheid om zijn geloof geloofwaardig te maken voor de mensen om hem heen. Dat betekent dat we ons constant moeten afvragen of we op zo’n manier leven dat we de genade en vrijheid die aan ons gegeven zijn serieus nemen. Helaas worden gelovigen vaak gezien als mensen die opgesloten zijn in angst. Wanneer de kerk veel ruimte voor angst laat, wat ze vaak doet… dat is een van de meest beschadigende dingen voor het goede nieuws, het evangelie. Als je een groep mensen zou vragen: wat verwacht u in christenen te zien?, dan zeggen ze: ‘We verwachten mensen te zien die bezorgd zijn.’ Maar we moeten daaraan voorbij gaan.”

Maar u bent zelf ook bezorgd.
“Ik hoop dat er een verschil is tussen diepe verontrusting over waar we ons bevinden – en de constatering dat, ja, er dingen zijn om te vrezen – en op hetzelfde moment dat het waardevolle is van hoe wij van dag tot dag leven niet is dat we een boze God proberen te sussen of een veeleisend publiek tevreden willen stellen, maar dat we leven vanuit het idee dat wat er ook gebeurt we verankerd zijn in de liefde van God. Dus ik denk dat men verontrust moet zijn. Ik zou me erg zorgen maken als christenen niet verontrust waren. Soms zouden ze hun handen moeten wringen en huilen in gebed. Maar dat is iets anders dan angst.”

 

Biografie
Rowan Williams werd halverwege 1950 geboren in Ystradgynlais in Wales. Een groot deel van zijn anglicaanse kerkelijke carrière zou zich juist ook in Wales afspelen, waar hij in 1991 bisschop werd van het bisdom van Monmouth. In 1999 werd hij bovendien benoemd tot aartsbisschop van Wales. Drie jaar later werd hij de aartsbisschop van Canterbury, waardoor hij de hoogste positie bekleedde in de Anglican Communion, die zich uitstrekt over 38 provincies in de wereld.

Williams studeerde theologie aan Christ’s College in Cambridge en promoveerde in Oxford op de Russisch-orthodoxe filosofie en theologie. Overigens is Williams een liefhebber van de Russische literatuur en publiceerde hij in 2008 een boek over Dostojevski. Van eigen hand verscheen in 2002 een dichtbundel.
De tien jaar in Canterbury waren tumultueus, door discussies over vrouwelijke bisschoppen en homoseksuele priesters. Paus Benedictus XVI probeerde het de gefrustreerde anglicaanse priesters makkelijk te maken om terug te keren naar de rooms-katholieke kerk door ze te ontheffen van het celibaat.

Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda