FacebookTwitterLinkedIn
maandag, 24 November 2014 13:49

Mohammed Ajouaou: Wie is moslim?

Mohammed Ajouaou schept orde in de chaos met een inzichtelijke en heldere studie naar de vele vormen van islam in Nederland.

Het Sociaal en Cultureel Planbureau heeft geen duidelijke omschrijving van wat een ‘praktiserend moslim’ is. Jihadgangers zouden psychologisch onderzocht moeten worden volgens de publieke opinie. Lokale islamitische partijen heten een gevaar voor de democratie. Socioloog Ruud Koopmans concludeerde eind 2013 dat een veel hoger percentage van de Europese moslims fundamentalist is dan we dachten. Wanneer de islam in het publieke domein wordt besproken, leidt dat veelal tot verwarring en discussie. Hoog tijd dus voor een verhelderende studie over de religiositeit van moslims in Nederland. Mohammed Ajouaou slaagt erin het probleem simpel te formuleren: “In onderzoeken en discussies wordt niet duidelijk wat het begrip ‘moslim’ nu eigenlijk inhoudt.” Als hoofd islamitische geestelijke verzorging in gevangenissen en als docent islam aan de Vrije Universiteit heeft Ajouaou zicht op zowel de praktijk als de geloofsleer. 

Dat de begripsvorming wat betreft de islam ietwat troebel is, blijkt wel uit de acht casussen die Ajouaou aandraagt. Van een overheid die bepaald hoe vroom een werknemer is tot het toekennen van het predicaat ‘islamitisch’ aan een bank: een te simpel beeld van een  islam, gericht op wetten en regels, overheerst. Maar tussen dogma’s en de religieuze praktijk van westerse moslims bestaat een aantoonbare kloof, blijkt uit deze heldere studie. De vele ervaringen van geestelijk verzorgers illustreren deze kloof. Religieuze praktijken van gelovigen die zij tegenkomen zijn niet consistent en hoeven dat ook niet te zijn. Moslims gaan trouw naar het vrijdaggebed, maar plegen zina (overspel); vieren Ramadan wel, maar vasten niet; zijn vrijgevig en eerlijk, maar bidden niet. De vele voorbeelden dienen als tegenhanger bij hoofdstukken over basisbegrippen als salat, ‘ibadat of niyya (resp. gebed, aanbidding en intentie). Het vergt bij het lezen wat moeite om door te gaan bij het zien van zoveel cursieve woorden, maar Ajouaou stelt overtuigend dat ons begrippenkader te christelijk is voor een goed begrip. Een kerk is niet hetzelfde als een moskee, een zondagsmis is geen vrijdagdienst, dus gebruiken we de begrippen van de islam zélf. 

Op gelijke wijze bespreekt Ajouaou secularisatie onder moslims. Is bijvoorbeeld binnen de islamitische context de uitspraak “Ik ben niet gelovig” hetzelfde als “Ik ben atheïst”? Door de discussie over geloof, ongeloof en atheisme binnen de islam te onderzoeken volgt hij een andere weg dan gebruikelijk. Andere studies onderzochten de religieuze praktijk om te bepalen of er sprake is van secularisatie. Hij vindt dat de praktijk onvoldoende aanwijzingen bevat voor een goed oordeel en bespreekt secularisatie aan de hand van andere factoren, zoals kennis van de Koran of mystieke ervaringen. Zo concludeert hij dat men “tegelijk praktiserend kan zijn en tegelijk geseculariseerd”, maar ook “niet-praktiserend kan zijn en toch gelovig en zelfs orthodox”. Studies als deze kunnen leiden tot een besef dat niet iedere moslim vijfmaal per dag bidt, naar Mekka gaat en vast tijdens de Ramadan. De volgende keer dat iemand zegt: “Ik ben moslim”, vraagt u dus: “Oh leuk, wat voor één?”  (Volzin 2014, nummer 11, Chris van Wieren)

Mohammed Ajouaou, Wie is moslim? Geloof en secularisatie onder westerse moslims, Meinema, 240 blz., € 22,50 

Tekst: Chris van Wieren
Het Sociaal en Cultureel Planbureau heeft geen duidelijke omschrijving van wat een ‘praktiserend moslim’ is. Jihadgangers zouden psychologisch onderzocht moeten worden volgens de publieke opinie. Lokale islamitische partijen heten een gevaar voor de democratie. Socioloog Ruud Koopmans concludeerde eind 2013 dat een veel hoger percentage van de Europese moslims fundamentalist is dan we dachten. Wanneer de islam in het publieke domein wordt besproken, leidt dat veelal tot verwarring en discussie. Hoog tijd dus voor een verhelderende studie over de religiositeit van moslims in Nederland. Mohammed Ajouaou slaagt erin het probleem simpel te formuleren: “In onderzoeken en discussies wordt niet duidelijk wat het begrip ‘moslim’ nu eigenlijk inhoudt.” Als hoofd islamitische geestelijke verzorging in gevangenissen en als docent islam aan de Vrije Universiteit heeft Ajouaou zicht op zowel de praktijk als de geloofsleer. 
Dat de begripsvorming wat betreft de islam ietwat troebel is, blijkt wel uit de acht casussen die Ajouaou aandraagt. Van een overheid die bepaald hoe vroom een werknemer is tot het toekennen van het predicaat ‘islamitisch’ aan een bank: een te simpel beeld van een  islam, gericht op wetten en regels, overheerst. Maar tussen dogma’s en de religieuze praktijk van westerse moslims bestaat een aantoonbare kloof, blijkt uit deze heldere studie. De vele ervaringen van geestelijk verzorgers illustreren deze kloof. Religieuze praktijken van gelovigen die zij tegenkomen zijn niet consistent en hoeven dat ook niet te zijn. Moslims gaan trouw naar het vrijdaggebed, maar plegen zina (overspel); vieren Ramadan wel, maar vasten niet; zijn vrijgevig en eerlijk, maar bidden niet. De vele voorbeelden dienen als tegenhanger bij hoofdstukken over basisbegrippen als salat, ‘ibadat of niyya (resp. gebed, aanbidding en intentie). Het vergt bij het lezen wat moeite om door te gaan bij het zien van zoveel cursieve woorden, maar Ajouaou stelt overtuigend dat ons begrippenkader te christelijk is voor een goed begrip. Een kerk is niet hetzelfde als een moskee, een zondagsmis is geen vrijdagdienst, dus gebruiken we de begrippen van de islam zélf. 
Op gelijke wijze bespreekt Ajouaou secularisatie onder moslims. Is bijvoorbeeld binnen de islamitische context de uitspraak “Ik ben niet gelovig” hetzelfde als “Ik ben atheïst”? Door de discussie over geloof, ongeloof en atheisme binnen de islam te onderzoeken volgt hij een andere weg dan gebruikelijk. Andere studies onderzochten de religieuze praktijk om te bepalen of er sprake is van secularisatie. Hij vindt dat de praktijk onvoldoende aanwijzingen bevat voor een goed oordeel en bespreekt secularisatie aan de hand van andere factoren, zoals kennis van de Koran of mystieke ervaringen. Zo concludeert hij dat men “tegelijk praktiserend kan zijn en tegelijk geseculariseerd”, maar ook “niet-praktiserend kan zijn en toch gelovig en zelfs orthodox”. Studies als deze kunnen leiden tot een besef dat niet iedere moslim vijfmaal per dag bidt, naar Mekka gaat en vast tijdens de Ramadan. De volgende keer dat iemand zegt: “Ik ben moslim”, vraagt u dus: “Oh leuk, wat voor één?”  .
Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda