FacebookTwitterLinkedIn
Columns
woensdag, 17 mei 2017 11:51

Anne Frank: 'ik verlang zo - naar alles'

“De zon schijnt, de hemel is diep-blauw, er waait een heerlijk wind en ik verlang zo – ik verlang zo – naar alles… Naar praten, naar wijsheid, naar vrienden, naar alleen zijn. […] Ik geloof dat ik het voorjaar in me voel, ik voel het lente-ontwaken, ik voel het in mijn hele lichaam en in mijn ziel. Ik moet me in bedwang houden om gewoon te doen, ik ben totaal in de war, weet niet wat te lezen, wat te schrijven, wat te doen, weet alleen, dat ik verlang…!” Anne Frank in haar dagboek op 12 februari 1944, 14 jaar oud. Een jaar later was ze dood.

Het als Het Achterhuis in 1947 gepubliceerde dagboek van Anne Frank (1929-1945) is in alle opzichten – haars ondanks – grensverleggend. Er zijn meer egodocumenten van jonggestorven adolescenten verschenen, maar geen heeft de emotionele lading van deze nu eens oppervlakkige, ‘bakvisachtige’, dan weer ongemakkelijk persoonlijke notities van een meisje op de grens van haar volwassenheid. Dat het dagboek nog steeds zo’n verpletterende indruk maakt, is vooral te danken aan de beklemmende sfeer. De onderduikers aan de Amsterdamse Prinsengracht zijn niet eens zo klein behuisd, maar ze leven twee jaar lang op elkaars lip, moeten het met elkaar redden in een begrensde ruimte, niet alleen tastbaar om hen heen, maar ook in het hoofd van het meisje dat de teksten noteert. Het is een lastig boek om te lezen voor mensen met claustrofobie. Als lezer wil je regelmatig zélf naar buiten, omdat het beschreven opgesloten bestaan je benauwt. Je wilt buiten de muren van het Achterhuis komen, maar ook buiten de accolades van het verhaal treden, al weet je wat zich vóór de eerste en na de laatste aantekening van het dagboek heeft afgespeeld. Wie wil weten wat vrijheid is, moet dit boek lezen. Dat het leven van dit meisje zich in de snelkookpan van haar leefomgeving ontwikkelt tot dat van een jonge vrouw, wordt in soms onbeholpen, soms ook diepontroerende zinnen opgeschreven. Als je ze leest, zie je haar zitten achter haar schrijftafeltje, met de geuren, kleuren en geluiden van toen. Het straatgedruis op de achtergrond… buiten! Anne Frank overstijgt met haar notities de begrensdheid waarin ze moet leven in een ongekende vrijheidsdrang, ondanks de angst voor wat er in de wereld gebeurt.

Het Achterhuis is een van de meest gelezen boeken ter wereld. Het tot museum verbouwde pand trekt jaarlijks meer dan een miljoen bezoekers, voor negentig procent uit het buitenland. Anne’s vader, Otto Frank, kwam als enige levend uit de oorlog en hij wilde het dagboek van zijn dochter graag gepubliceerd zien, maar daar kwam pas vaart in na een column van Jan Romein in Het Parool in 1946: “Voor mij (…) is in dit schijnbaar onbetekenende dagboek van een kind, in dit door een kinderstem gestamelde 'de profundis', alle afzichtelijkheid van het fascisme belichaamd, méér dan in alle processtukken van Neurenberg bij elkaar.” Dat zijn grote woorden voor dit ‘kleine’ verhaal, maar ze passen bij het luidruchtige appel dat opstijgt uit de intieme teksten.
Twee maanden na de landing van de Geallieerden in Normandië worden de onderduikers in het Achterhuis opgepakt en naar het oosten getransporteerd. Anne’s laatste aantekening is van 1 augustus 1944. Ze is erg optimistisch over de aanstaande afloop van de oorlog en de vrijheid die haar te wachten staat. In 2002 schrijft ene Marjon in haar boekbespreking voor 4-vwo: “Aan het boek merk je ook dat Anne een meisje is dat veel met de toekomst bezig is. (…) Ik denk dat zij zoveel met de toekomst bezig was, omdat de situatie waar ze in de tijd van het boek in zat zo uitzichtloos was, en ze niet veel anders kon dan fantaseren over de toekomst, over de tijd waarin ze vrij zou zijn… Dat is meteen het verschil met het leven van nu, van onze generatie. Wij kunnen ons niet meer voorstellen dat wij opgesloten in huis zitten, afgesloten door een boekenkast, en nergens heen kunnen, en altijd maar stil moeten zijn. Dat is voor ons niet te bevatten. Het is juist goed om daar ook eens bij na te denken, niet alleen aan WOII maar ook in andere oorlogsgebieden, waar mensen niet in vrijheid leven.”
Zo heeft Anne Frank postuum aan veel mensen betekenis gegeven. Een schrale troost voor haar, maar een echte voor haar erfgenamen.

In de rubriek Grensverleggers portretteert Willem van der Meiden mensen die grenzen verlegden, overschreden of ophieven en zo de samenleving betekenisvol vernieuwden.

“Ze vermoordden elkaar daar allemaal. Pas in 1880 kwam er fatsoenlijk bestuur”, voegde een man me toe na een lezing in een kerk. Hij had het over Afrika, het hele continent, en de zegeningen die Europees kolonialisme daar zouden hebben gebracht. Ik voelde verontwaardiging, en ergernis toen hij met zijn wijsvinger ging zwaaien.


Die meneer voelt
ergens ongemak, vermoed ik. Een paar jaar geleden passeerde ik met een Zuid-Afrikaanse vriend een checkpoint in Palestina. Hem stonden de tranen in de ogen. Hij was opgegroeid in een wit, christelijk gezin. Apartheid was simpelweg de natuurlijke, door God gewilde ordening der dingen. In zijn studententijd ontdekte hij geleidelijk wat apartheid echt is. Ook die soldaten zullen op een dag geconfronteerd worden met een systeem van onrecht waarvan ze deel uitmaken, realiseerde hij zich. In die jonge Israëlische soldaten in het checkpoint herkende hij zichzelf
Aan dat moment denk ik vaak terug. Dat komt vooral doordat de vriend toevoegde dat de dag zou komen dat witte Europeanen zoals ik zich rekenschap zouden moeten geven over hun rol in de wereld. Ik voelde ongemak, en ook dat wat hij zei van waarde was. Daar begon een leerproces. Ik kan niet doen alsof, bijvoorbeeld, de bezetting van Palestina niet samenhangt met christelijk zionisme. Het veranderde ook mijn perspectief op de Nederlandse samenleving. Ik werd me bewust van uitsluiting hier. Ik kan niet doen alsof 400 jaar Nederlands kolonialisme geen gevolgen heeft voor onze samenleving nu – iets waar Gloria Wekker op wijst.

Inmiddels zitten we als Nederlanders samen in zo’n leerproces. Het blijkt moeizaam, het leidt tot tegenreacties. Logisch, want ons zelfbeeld is in het geding. Ik voelde dat ook, toen mijn perspectief op Zwarte Piet begon te veranderen. Ik voel het nog steeds, want dit soort leerprocessen gaan een leven lang door. Dat wil niet zeggen dat we gebukt onder gevoelens van schaamte door het leven moeten gaan. Bewustwording over racisme leidt juist tot meer vrijheid voor meer mensen. Wij – witte Nederlanders – hebben werk te doen. Dat is vaak ongemakkelijk, en we zien er tegen op. Belangrijk is het wel.

Janneke Stegeman is Theoloog des Vaderlands en werkt bij debatcentrum De Nieuwe Liefde.

dinsdag, 02 mei 2017 12:54

Onhandige ontmoetingen

Laatst was ik te gast bij een statige herenclub ergens in het oosten van het land. Ik mocht er iets vertellen over de islam. Dat is natuurlijk geen probleem, doe ik graag. Voorafgaand aan deze bijeenkomst met gepensioneerde mannen had ik een voorgesprek met de voorzitter. Want de man wilde weten wat voor islamitisch vlees hij in de kuip had. Ik krijg regelmatig mensen over de vloer die eerst willen weten of ik wel pas bij hun club, niet zo vreemd natuurlijk, gezien de wilde verhalen die de ronde doen. De ene keer zijn mijn gasten mannen, de andere keer zijn het vrouwen en weer een andere keer is het een oecumenisch koppel, dialoogprofessionals, die vooral een garantie willen dat er geen ruzie uitbreekt tijdens of na een lezing. Ik houd me dan altijd in, want wat is een dialoog waard zonder schurende gesprekken? Ach, iedereen is van harte welkom, bij mij hangt het touwtje standaard uit de brievenbus. Maar na al die voorgesprekken thuis kan ik inmiddels een patroon herkennen. Het is als een eeuwenoud ritueel.

Ik zit achter mijn laptop te werken aan een volgende column, lezing of artikel. De bel gaat. Standaard zoeft mijn jongste kleuter naar de voordeur en smijt de deur open om vervolgens weer heel hard naar binnen te rennen. Alle zorgvuldig opgebouwde warmte in de woonkamer is door de openstaande deuren op slag verdwenen. Van een afstand zie ik dat de gast zich even geen raad weet. Moet hij nog een keer aanbellen? Moet hij wat in de lege gang roepen? Hij is radeloos. Dan komt mijn vrouw in beeld. De man lacht ongemakkelijk en weet niet of hij zijn hand moet uitsteken. Want hij heeft tijdens zijn voorstudie onderweg naar mijn huis op Google gelezen dat hij op moet passen om zomaar zijn hand uit te steken. Moslimvrouwen zouden dat weleens niet prettig kunnen vinden. Balancerend tussen respect en ongemak blijft de hand van de man ergens in het midden zweven, alsof hij naar de buik van mijn vrouw wijst. Mijn vrouw draagt geen hoofddoek. Ze heeft schitterend zwart haar, sierlijk welvend over haar schouders. Ze heeft een jong uiterlijk en dat leidt tot het volgende standaard misverstand. Hij zegt: “Mag ik jouw vader spreken?” De vrouw des huizes heeft stalen zenuwen en is de beleefdheid zelve, want dit gebeurt niet voor de eerste keer. Ze zegt dat ik haar echtgenoot ben en ik glimlach van een afstand. De arme gast schaamt zich de oogbollen uit zijn hoofd en loopt met een geknakte ziel voor de allereerste keer het huis van een moslim binnen. Vanachter de bank sprint mijn jongste kleuter opnieuw naar hem toe en roept vrolijk dat hij straks naar school gaat! Voor de eerste keer kijken we elkaar in de ogen. Wie ijs wil breken moet kinderen inhuren.

“Hij zit op een katholieke school,” vertel ik mijn gast. Ik houd er wel van om extra verwarring in het hoofd van mijn gast te stichten. “Komt u zitten, hier aan de eettafel.” Op tafel ligt een zwarte bijbel, de statige Statenvertaling. De hersenen kraken, zie ik. Katholieke school-bijbel op tafel-geen hoofddoek-goede beheersing van de Nederlandsche Taal. Het enige wat ontbreekt is een kruisbeeld aan de muur. De man installeert zich en probeert de zorgvuldig voorbereide vragen in chronologische volgorde te stellen. Hij pakt er een schrijfblok bij.
Ik zeg: “Eerst wil ik weten wie u bent. U heeft al kennisgemaakt met mijn zoon en mijn geliefde, we moeten wel gelijk oversteken natuurlijk!” De man beseft dat hij veel te zakelijk is en vertelt met enige schroom over zijn gezin. “Hoe bent u uw vrouw tegengekomen? Ook via uithuwelijking?” De man schrikt zich een hoedje en lacht daarna heerlijk hard. We spreken over de jaren zestig en zeventig. Over het Nederland van toen. Nostalgische verhalen. We spreken over zijn reizen door Noord- en Zuid-Amerika. Pas een uur later komen we toe aan zijn vragenlijstje, maar hij bergt zijn schrijfblok op en zegt dat het wel goed zit. Ik mag zelf mijn thema’s uitkiezen. Hij zegt: “U zou best mijn vriend wel kunnen zijn.” Ja, waarom niet?

Enis Odaci is voorzitter van Stichting Humanislam en te volgen via zijn website: www.humanislam.com.

Doorzoek de website

 

 

Agenda