FacebookTwitterLinkedIn
Columns

Geachte heer Sybrand Buma,
Staat u mij toe om u een persoonlijke brief te schrijven. We moeten eens een hartig woordje met elkaar spreken, van gelovige tot gelovige. U als christen, ik als moslim. U bent politicus, ik ben journalist, dus ik moet toetsen wat u zegt en doet. Twee vragen spelen daarbij een rol: spreekt u de waarheid? En: hoe gebruikt u uw macht? U bent nu aan het formeren met uw broeders van de VVD, D66 en de ChristenUnie. Het CDA mag eindelijk weer regeren, na een aantal jaren in de oppositiebanken te hebben doorgebracht. U bent leider van een echte bestuurderspartij dus dat moet u zwaar gevallen zijn, nietwaar? Maar ja, de puinhopen van het PVV-gedoogkabinet moesten wel opgeruimd worden. Bijna was het CDA ten onder gegaan aan interne twist. Volgens een deel van uw achterban was samenwerking met Wilders geen probleem, een ander deel protesteerde openlijk. Hoog tijd dus om te ‘herbronnen’, zoals u dat noemde. Ik vind dat een mooi woord – het suggereert een nieuwe geboorte. Wie zijn bronnen opnieuw bestudeert vindt namelijk altijd wel weer een hoopvolle, nieuwe weg.

Tijdens de verkiezingscampagne zag ik dan eindelijk het resultaat. Maar ik was er niet blij mee. U zegt nu openlijk: “Nederland moet weer gaan staan voor onze nationale normen en waarden!” Wie kan het daar niet mee eens zijn? Elke natie of volk is immers gestoeld op een gedeelde identiteit en daar mogen en moeten we met zijn allen trots op zijn. Ik word echter wantrouwend wanneer het woordje ‘joods-christelijk’ daaraan toegevoegd wordt. Want kunt u mij alstublieft voor eens en altijd uitleggen wat die nu zijn? We hebben zover ik weet in dit land de homorechten, de vrouwenrechten, diverse mensenrechten, de Grondwet en al dat moois vaak verworven als reactie op onderdrukkende mechanismen vanuit het christendom. En met de joden was u ook al niet al te beste maatjes tijdens de oorlogsjaren. Ik zeg dit niet om u te pesten of om het christendom af te serveren. Ik zeg het slechts om u te bewegen het label ‘eeuwenoude joods-christelijke cultuur’ eens niet zo vanzelfsprekend te misbruiken. Want die joods-christelijke normen en waarden zijn pas ná de Tweede Wereldoorlog in ons vocabulaire opgedoken. Dit soort romantiek verschaft de mensen in Nederland een schijnidentiteit. We hebben geen behoefte aan spookidentiteiten, maar aan échte normen en waarden, die het weefsel in de samenleving sterker maken.

Kijk, u bent een witte man. U bent christen, zit in het centrum van de macht, bent van voorname komaf en ook nog eens hoogopgeleid. Kijkt u eens om u heen en vertelt u mij hoe groot de groep mensen is die op u lijkt? We zijn een divers land geworden en de toekomst is nog diverser. Tijdens de jaarlijkse H.J. Schoolezing vertelde u over de ‘Gewone Nederlander’ en u noemde hem ‘ontheemd’, omdat hij dankzij globalisering en immigratie iets kwijtgeraakt is. Toe maar. Wat is hem concreet afgepakt? En hoe ziet hij er uit? Is hij ook wit, christen en patriciër, zoals u? Welnee. De gewone Nederlander is net zo’n hersenschim als Henk en Ingrid. Hem is niks afgenomen. Hem is slechts de taal van wantrouwen geleerd, onderwezen door politici die goed weten dat een wij-zij denken stemmen oplevert. Of hebben globalisering en immigratie werkelijk geleid tot een stijging van huurprijzen, zorgkosten en meer armoede?
Als journalist moet ik toetsen of u de waarheid spreekt. Dat doet u niet. Ook moet ik onderzoeken hoe u uw macht gebruikt. Die zet u in om een gevaarlijke wij-zij samenleving te scheppen. Balkenende zou herhalen wat hij tegen Wouter Bos ooit heeft gezegd: “U liegt en u draait.” Mijn advies: neemt u de inspirerende Bijbel ter hand en vertel de gewone Nederlander niet over zijn superioriteit, maar over solidariteit, compassie, broederschap, verantwoordelijkheid, inclusiviteit en andere nobele woorden. Ik geef toe, dit is ongewone taal, maar Nederland heeft vooral bestaan dankzij de gebundelde kracht en inventiviteit van zeer vele Ongewone Nederlanders. Met voorname groet.” ●

Enis Odaci is voorzitter van Stichting Humanislam en te volgen via zijn website: www.humanislam.com.

Tweemaal interviewde ik Harry Kuitert, in 1999 toen hij 75 werd en in 2011 naar aanleiding van zijn boek ‘Alles behalve kennis’. Kuitert interviewen was een genoegen. De ontvangst was hoffelijk, zijn spreken was helder en transparant. Je voelde bovendien: deze man staat voor wat hij zegt. Zijn – typisch gereformeerde? – karakter, kwaliteiten en werklust verklaren ongetwijfeld waarom hij uitgroeide tot zowel Nederlands meest gelezen als meest omstreden theoloog van zijn tijd. Maar nu hij is overleden – Kuitert stierf op 9 september jl., 92 jaar oud – vallen er woorden als ‘afrekentheologie’, ‘achterhaald’ en ‘niet meer actueel’. Terecht of ten onrechte?
Waar ging het Kuitert om? “Het belangrijkste dat ik mijn tijdgenoten heb willen zeggen, lijkt me de stelling te zijn, dat al onze voorstellingen over ‘boven’ van ‘beneden’ komen. Wij zijn in het godsdienstige geloof bezig als mens te spreken over dat geloof met alle relativiteit die aan het menselijke spreken eigen is. Ons geloof is niet anders of meer dan een menselijk ontwerp. Daar houd ik het op. Wij moeten dus als christenen ons gelijk nog krijgen. In één zin samengevat: wij christenen wéten niet beter dan anderen”, aldus Kuitert in 1999. Twaalf jaar later dacht hij er nog zo over: “God is een gedachte van mensen.” Dat religie ‘mensenwerk’ is, dát heeft Kuitert duidelijk gemaakt. Dat was in de jaren vijftig tot tachtig zeker binnen zijn eigen gereformeerde kerk – maar evenzeer voor bijvoorbeeld rooms-katholieken – een bevrijdend inzicht. Kuitert bevrijdde mensen van achterhaalde en neerdrukkende geloofsvoorstellingen: de straffe en strenge God, de bloedoffertheologie, de nadruk op de menselijke zondigheid en nietigheid, geboden en verboden, enzovoorts. Ja, Harry Kuitert was een ‘afrekentheoloog’, maar die afrekening was dan ook hard nodig. En zij blijft nodig waar theologen en kerkleiders nog steeds menen precies te weten ‘hoe het zit’ en aan anderen hun wet gaan voorschrijven.
Kuitert kwam uiteindelijk tot de conclusie dat alle geloofsconcepten inclusief God een werk ‘van verbeelding’ zijn, ‘alles behalve kennis’ dus. Wat hij niet kon inzien, was dat die ‘verbeelding’ ook werkelijk de verbeelding van ‘iets’ is, van een alles overstijgende ervaring. De kop boven het interview dat ik in 2011 met hem had, is in dat opzicht veelzeggend: “Nee, nee, nee! Ik geloof niet in God”. Religieuze verbeelding was uiteindelijk voor Kuitert een vorm van inbeelding geworden. Dat blijkt ook uit het antwoord dat hij gaf op de vraag welk grafschrift hij eventueel zou wensen. Luidde zijn antwoord in 1999 nog: ‘God is een God van levenden, niet van doden’, in 2011 wenst hij geen grafschrift meer. “Ash to ashes. Als ik op de brandstapel kom, blijft er een beetje as van me over, that’s all.”
Harry Kuitert was een warm mens maar zijn denken had een zeer tragische kant. Zijn rationalistische denkwijze – ook typisch gereformeerd? – bood geen ruimte voor de religieuze ervaring, de ervaring die door mystici van alle eeuwen en religies steeds weer is verwoord: dat God een onkenbaar maar ook zeer levend Geheim is, een Geheim dat mensen te boven gaat maar waarin zij ook voorgoed geborgen zijn, wat mij betreft: geborgen over de grens van de dood heen.

woensdag, 20 september 2017 10:26

Omstreden overschrijder van grenzen

De speelfilm Apocalypto uit 2006 is een bloederig spektakelstuk waarin de oorspronkelijke bewoners van Midden-Amerika hun fin de siècle vieren met een orgie van geweld. De suggestie wordt gewekt dat het om de Maya’s gaat, maar dat kan om diverse redenen historisch niet kloppen. Na tal van wreedheden vluchten de laatste overlevenden naar de kust. De slotscènes vertonen daar drie landingsschepen, met aan boord Spaanse soldaten en missionarissen en met de kruisvlag hoog in top. De boodschap van regisseur Mel Gibson, een aartsconservatieve rooms-katholiek, is duidelijk. Hier worden de wilden van het westen, die zichzelf aan het vernietigen zijn, gered door de afgevaardigden van het ware geloof.

Zo ging het niet, maar de mythevorming is hardnekkig. De Europese pionier van deze beeldvorming is Christoffel Columbus (Cristobál Colón), de man van ‘1492’ en de ‘ontdekker’ van Amerika. Columbus (1451-1506) uit Genua maakte in opdracht van de Portugese koning in twaalf jaar vier zeereizen naar de West en verlegde zo onbekende grenzen. Tijdens de eerste reis landde hij op de huidige Bahamas, Cuba en het eiland Hispaniola. Op de tweede reis deed hij ook Jamaica en Puerto Rico aan. Op de derde reis waagde hij de oversteek naar Trinidad en het vasteland van Zuid-Amerika, om op de vierde reis het kustgebied van Midden-Amerika te verkennen. Hoe we nu moeten aankijken tegen de motivatie voor deze reizen en de inzet van de reizigers is in de mist van elkaar tegensprekende interpretaties verdwenen. Zo vindt de ene analyticus Columbus een beroerde navigator, maar roemt een ander juist zijn stuurmanskunst en kennis van de winden. Constateert de een oprechte belangstelling voor de ‘indianen’ die Columbus op zijn reizen aantreft, voor de ander is hij een rover en genadeloze zeloot van het ware geloof. Zelf kreeg ik in een leesboekje voor kinderen nog te horen dat Columbus dacht dat de aarde plat was… Hoe hij dan dacht de westelijke route naar Indië en China te vinden, werd er niet bij verteld.

De bolvorm van de aarde was anno 1492 bekend, zeker onder zeevaarders, maar wat je bijvoorbeeld onderweg naar het westen kon aantreffen, was nog met veel mythevorming verweven. Marco Polo had twee eeuwen eerder geschreven dat er ten oosten van China nog een groot en rijk eiland moest liggen, dat hij Cippangu (Japan) noemde. Columbus wilde er graag heen en misschien deed hij onderweg nog wel de fantasie-eilanden Frislant en Thule aan. Of liever nog Atlantis! De ontbrekende kennis die Columbus en de zijnen het meest parten speelde, was een correcte inschatting van afstanden. Columbus zelf dacht in enkele weken naar Indië te kunnen zeilen. Toen hij vijf weken na vertrek land in zicht kreeg, dacht hij dan ook Indië te hebben bereikt en noemde de ‘wilden’ die hij aantrof ‘indianos’. En Cuba moest dan wel Cippangu zijn. Hij vond er echter tabak, maar geen specerijen of goud. Soms waren de contacten met de inheemse bevolking welwillend, maar de reizigers vonden niet overal een warm onthaal. Enkele tientallen zeelieden die achterbleven in een nieuw gebouwde nederzetting, werden uitgemoord.

Voor de ‘indianen’ was de kennismaking met hun ‘ontdekkers’ uiteindelijk verwoestend. Hun gebieden werden leeggeplunderd, zij zelf werden uitgeroeid en wie overbleef viel ten prooi aan hun onbekende ziekten als toegift van de nieuwe heersers. De eerste chroniqueur van Columbus’ reizen, de Spaanse dominicaan Bartolomé de las Casas (1484-1566), kwam in 1502, zeker niet gespeend van missionaire ijver, voor het eerst naar het westen, verbleef enige tijd op Cuba en stelde in 1542 het lot van de inheemse bevolking op een schrijnende wijze te boek in zijn ‘korte relaas over de vernietiging van de Indiës’. Zijn boek was onder Spaanse historici eeuwenlang omstreden en hij gold als de eerste vertolker van ‘de zwarte legende’, waarin de Spaanse bijdrage aan de wereldgeschiedenis met bloed wordt geschreven. Toch geldt hij voor velen als de uitvinder van de mensenrechten. De standbeelden van Columbus zijn in Latijns-Amerika niet te tellen – die van De las Casas niet. Dat is wrang, maar geschiedenis wordt door de overwinnaars geschreven.

Doorzoek de website

 

 

Agenda