FacebookTwitterLinkedIn
Columns

Ik heb mij in de aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen gewaagd aan een sociaal experiment. Ik wilde meten, weten en ook ervaren hoe het gesteld is met islamofobie in Nederland. Daartoe heb ik een project bedacht dat kortweg hierop neerkomt: een digitaal personage, een islamitisch meisje met hoofddoek (ze heet Nora), gaf vier weken lang commentaar op discriminerende en islamofobe uitspraken van politici en journalisten. Dat deed ze in de gevaarlijke krochten van de sociale media. De onderzoeksvraag was: hoe zou men reageren op een islamitisch personage dat terugspreekt? Welke mechanismen van uitsluiting zou zij kunnen ontdekken en uitlichten als het om moslims gaat? Ik kan u verklappen dat de reacties heftig waren. Maar daar gaat het niet om. Ik wil de twee woorden verkennen die ik al noemde: discriminatie en islamofobie. Discriminatie snappen we wel: iedereen moet in gelijke situaties gelijk worden behandeld en dat betekent dat je bijvoorbeeld sollicitanten niet mag weigeren op basis van een levensbeschouwing, geaardheid, uiterlijk of afkomst.

Maar over de term islamofobie is men het oneens. Ik heb in mijn sociale media-experiment vooral veel te maken gehad met discussies over de betekenis van dit woord. “Islamofobie mag je niet vergelijken met antisemitisme. Dat laatste is Jodenhaat en islamofobie is slechts een mening”. Een andere uitspraak: “Islamofobie kun je niet vergelijken met een ziekte. Je kunt de angst voor spinnen (fobie) bijvoorbeeld niet vergelijken met de angst voor moslims (fobie). Fobie gaat over angsten en die zijn irrationeel. Terwijl de angst voor de islam wél rationeel is uit te leggen!” Bent u er nog? De algemene tendens was dat kritiek op de islam altijd mogelijk moet zijn en als moslims het label ‘islamofobie’ gebruiken, slaan ze er elke discussie mee dood.
Al die definities, meningen en interpretaties. Hoe lossen we dit op? Eenvoudig, we wenden ons tot de wetenschap. In de wetenschap wordt onderzoek gedaan naar islamofobie. Achter het belagen van vrouwen met een hoofddoek, brandstichting bij een moskee of het voorstellen van een migratiebeperking voor mensen uit ‘moslimlanden’ schuilt een patroon. In al deze gevallen worden moslims bejegend op basis van stereotype ideeën over islam en/of de religieuze, nationale of etnische identiteit. Aan de ene kant wordt islam beperkt tot een ‘idee’ en dat kun je in een vrije samenleving dus bekritiseren en bespotten. En aan de andere kant wordt islam uitvergroot tot een magische kracht die ‘onze’ cultuur zou bedreigen en daar moet je dan tegen optreden. Dit patroon, dat uiteindelijk neerkomt op vijandigheid tégen en afkeer ván moslims, staat bekend onder verschillende namen: islamofobie, moslimfobie, moslimhaat, islamkritiek, enzovoorts. In de wetenschap is de term islamofobie echter de leidende term.

Tot zover de wetenschap. Maar hoe moeten we hiermee omgaan in de praktijk? Eenvoudig. Begin met de kritische houding en stel uzelf de vraag of u nog reageert als mensen spreken over ‘de islam’. De islam? Wie of wat is dat? Gooit de politiek of de journalist nu alle moslims op één hoop? Als u deze ene vraag al niet meer stelt, bent u al vervallen in groepsdenken. En als er een negatief label wordt geplakt op die groep, zijn er dan mechanismen in uw brein die zeggen: wacht eens even, we kunnen niet de ene persoon belasten met de daden van een ander? En als u hoort dat ‘wij in Nederland’ of ‘wij in het Westen’ staan voor zus en zo, is er een wakkere geest in u die zegt: maar wij protestanten en wij katholieken zijn helemaal niet gelijk? Zo niet, dan hebben we al onbewust een perfecte wij-zij-samenleving geaccepteerd, terwijl u er gewoon bij staat. Ik zet het even dik aan, maar u begrijpt wat ik bedoel. Dit leidt uiteindelijk ook tot islamofobe uitspraken en de bijbehorende handelingen. En het is levensgevaarlijk. Het woord islamofobie moeten we daarom omarmen, zodat al onze alarmbellen afgaan als we onbewust niet meer stilstaan bij hoe we lezen, hoe we schrijven en hoe we spreken over moslims.

Enis Odaci is voorzitter van Stichting Humanislam en te volgen op www.humanislam.com.

vrijdag, 30 maart 2018 06:12

Grijze ochtend

De bovenste rij en dan de derde van links. Je staat achter het raam, dat voel ik. Ik voel je ogen in mijn rug prikken en trek mijn kraag wat verder over mijn gezicht tegen de ijzige wind. Een sigaret zou fijn zijn, straks maar even een pakje kopen. De stad hier is van beton en asfalt. Het is als in van die tekenfilms waarin de bad guy alle kleuren uit de wereld heeft gestolen. In de zomer is het hier wel mooi, zei je, dan bloeien de bomen en kun je de andere flats bijna niet zien. Ik kan me er weinig bij voorstellen.
Wat gebeurde er? Ik wou dat ik het je kon vertellen, al was het maar omdat ik het dan zelf zou begrijpen. Is het de tijd? Ben ik nu eenmaal deel van een generatie die zich niet kan binden, die meteen op de vlucht slaat zodra het ook maar een heel klein beetje serieuzer wordt? Of was je misschien gewoon niet de juiste persoon? Maar als niet jij, wie dan wel? Hoe vaak moeten wij dit spelletje nog spelen. Ik – en steeds een andere jij.

Het begint zachtjes te sneeuwen, zo zachtjes dat men straks vast zal zeggen dat het ‘met die voorspelde sneeuw toch niets geworden is’. In de schijnbaar eindeloze rijen flats om mij heen moeten duizenden mensen wonen, maar afgezien van een sporadische automobilist zijn de straten verlaten. Wellicht houden flatbewoners er niet zo van om op zaterdagochtend naar buiten te gaan. Het geeft me een onverwachts geborgen gevoel, zoals soms ook de nacht kan geven. Ik, een klein figuurtje ingepakt in een zwarte jas en grijze muts, in een eindeloze zee van beton.

In de verte komt de bus al aanrijden. Ik kan nu nog terug. Me omdraaien, me in je armen gooien, zeggen dat het een bevlieging was. Wat nu als dit moment, wat nu als deze specifieke zaterdagochtend, tussen deze grijze flats, op deze grijze tegels, onder deze grijze lucht, achteraf allesbepalend zal blijken te zijn? Wat nu als ik gewoon eens stop met wegrennen en me omdraai en gelukkig met je word? En dan over dertig jaar nog terugdenk aan dat ene moment bij de bushalte: wat als ik toen niet…
Net voordat ik in de bus stap, werp ik een stiekeme blik op je raam. De bovenste rij en dan de derde van links – of was het de vierde? Ik zie niemand staan.

Jeroen Fierens is journalist en schrijft op www.eenpadvinder.nl.

woensdag, 28 maart 2018 07:27

Pasen op 1 april, dat is lachen

Er was een tijd – nog niet eens zolang geleden – dat ‘nepnieuws’ vooral aanleiding was tot vrolijkheid. Dat was de tijd waarin het verspreiden van berichten met een dubieus waarheidsgehalte nog hoofdzakelijk beperkt bleef tot één dag in het jaar. Op die dag, 1 april, bracht de krant meestal een bericht dat bedoeld was om de lezers bij de neus te nemen. Menigeen bleek er in te trappen. ‘1 April ha ha!’ riepen we dan achteraf. Hilariteit alom!
De gewoonte om op 1 april mensen op het verkeerde been te zetten, heeft oude papieren en is internationaal wijd verbreid. Ook in het Verenigd Koninkrijk, de Scandinavische landen, Polen, Roemenië, ja zelf in India houden mensen elkaar op 1 april voor de gek. De oudste vermelding van 1 April Fools Day is te vinden in de Canterbury Tales uit 1392. Nederland kent een geheel eigen ontstaansmythe die verwijst naar het feit dat de watergeuzen op 1 april 1572 Brielle (= Den Briel) veroverden op de Spaanse troepen: ‘Op 1 april verloor Alva zijn bril.’ Ook al was dat een overwinning van ‘de protestanten’ op ‘de katholieken’, het heeft de laatsten nooit belet om op 1 april hartelijk mee te lachen.

Het gebeurt niet vaak – een keer of vier in een lang mensenleven – dat Pasen op 1 april valt. Dit jaar is dat het geval. Pasen op 1 april: het zou voor gelovigen een reden kunnen zijn om dubbel te lachen. Niet alleen om nepboodschappen in de media, maar ook en vooral natuurlijk om de ‘blijde boodschap’ die christenen met Pasen vieren: de overwinning van het licht op de duisternis, van het leven op de dood. ‘Vrolijk Pasen!’ zal menig voorganger de kerkgangers weer toeroepen, maar echt vrolijk zal het er toch weer wel niet aan toe gaan. Katholieke parochies beneden de rivieren willen nog wel eens een uitbundige carnavalsmis organiseren, maar met Pasen blijft ook bij hen de viering ingetogen.
Dat was ooit wel anders. In de Middeleeuwen maakte de zogeheten paaslach (risus paschalis) vooral in Duitstalige gebieden een vast onderdeel uit van de paasliturgie. Kerkgangers schuddebuikten van het lachen om wat priesters vanaf de preekstoel of op de trappen van het altaar aan grappen en grollen ten beste gaven. Ze vertelden moppen en voerden komische toneelstukjes op. Er was immers alle reden tot vrolijkheid. Had met Pasen God de duivel niet voor de gek gehouden door Christus uit de doden op te wekken? Kerkvaders als Augustinus, Gregorius van Nyssa en Johannes Chrysostomus hadden het al gezegd. De duivel trachtte de deuren van de hel gesloten te houden, maar de afdalende Christus bleek niet tegen te houden. Zegevierend trad hij de hel binnen en de duivel had het nakijken. Als dat geen reden tot algehele vrolijkheid was!

Maar, zoals eigenlijk ook wel te verwachten was, liep de gewijde grappenmakerij uit de hand. Er werden vanaf de preekstoel “dingen gezegd en gedaan die echtgenoten in hun slaapkamer zonder bijzijn van getuigen plegen te doen”, zo klaagde bijvoorbeeld de protestantse hervormer Johannes Ökalampad (1482-1531). Ook zijn tijdgenoot Maarten Luther hekelde het “kolderieke, hilarische gezwets” op de kansel. Het zou nog even duren eer de katholieken om waren, maar uiteindelijk werd de paaslach ook door hen in de ban gedaan. Paus Clemens X (paus van 1670-1676) verbood dit gebruik. Ondergronds bleef het in Beieren tot begin twintigste eeuw niettemin nog bestaan. Niet zo vreemd dus dat het juist een theoloog uit Beieren was die in 1984 schreef: “Tot de liturgie van de Barok behoorde ooit de risus paschalis, de paaslach. (…) Dat mag enigszins een oppervlakkige en banale vorm van christelijke vreugde zijn. Maar is het eigenlijk ook niet een mooie en gepaste zaak dat lachen een liturgisch symbool geworden was?” Aldus Joseph Ratzinger, thans paus emeritus Benedictus XVI.

“Wat in de ogen van de wereld dwaas is, heeft God uitgekozen om de wijzen te beschamen; wat in de ogen van de wereld zwak is, heeft God uitgekozen om de sterken te beschamen”, schrijft de apostel Paulus (1 Korintiërs 1, 27). Pasen is voor hem het feest van de omkering van alle bestaande verhoudingen. De risus paschalis zie ik niet terugkeren, maar een bevrijdende lach is zeker op zijn plaats. Vrolijk Pasen!

Doorzoek de website

 

 

Agenda