FacebookTwitterLinkedIn
Columns
vrijdag, 27 november 2015 12:23

Identiteit is een raar ding

Afgezien van een periode van acht jaar van ‘aangename ballingschap’ in de noordelijke buurstad woon ik sinds 1972 onafgebroken in de plaats die zich ‘de oudste stad van Nederland’ noemt, Nijmegen dus. Ben ik daarmee ‘een echte Nijmegenaar’? Nee hoor, ik noem mezelf bij voorkeur ‘een Nijmegenaar van keuze, maar een Brabander van geboorte’. Mijn afkomst, mijn familie, mijn jeugdherinneringen, ze maken dat ik nogal altijd over een ‘Brabantse ziel’ beschik.

De special in deze aflevering van Volzin heet Zin in Brabant. “Je speelt een thuiswedstrijd”, zei een collega me. Klopt helemaal! Met genoegen! De special Zin in Brabant exploreert het Brabantse religieuze landschap. Het is voor mij ook een exploratie van mijn eigen ziel. Verdenkt u me echter niet van chauvinistische bedoelingen. De ontwikkelingen die zich in Noord-Brabant voordoen, hebben weliswaar specifieke trekken, maar ze zijn natuurlijk geenszins uniek. Overal blijkt de eigen identiteit van provincies, streken en groepen van mensen aan verandering onderhevig te zijn. Maar hoe flexibel kan onze ziel zijn? Journalist Anton de Wit komt in zijn rondgang door de provincie tot een opmerkelijke en hoopgevende conclusie: in Noord-Brabant blijken traditionele vormen van katholicisme heel goed samen te kunnen gaan met andere religies en nieuwe spirituele bewegingen. Juist het ‘tolerante volkskatholicisme’ blijkt de humus te zijn waarop andere en nieuwe vormen van geloof en spiritualiteit welig kunnen tieren.

Ik ben als zestiger niet meer dezelfde als ik toen tien was en toch ben ik voor mijn gevoel nog altijd dezelfde – met die ‘Brabantse ziel’ dus. Identiteit is dus een raar ding. Enerzijds is zij diep in onze persoonlijkheid verankerd, anderzijds toch ook weer vatbaar voor verandering. Wat voor de identiteit van de persoon geldt, geldt evenzeer voor de identiteit van groepen en sociale verbanden. Het is in sociaal opzicht onverstandig om mensen te dwingen hun identiteit op te geven – ze zullen zich alleen nog maar sterker vastklampen aan wie ze altijd al waren. Tegelijkertijd is het in sociaal opzicht gewenst om mensen te verleiden tot veranderingen. Die vaststelling is volop actueel nu wij overal in het land getuige zijn van vaak weinig verheffende discussies tussen voor- en tegenstanders van de opvang van vluchtelingen in hun lokale gemeenschap. Persoonlijke aanvallen, verwensingen en dreigementen van tegenstanders aan het adres van voorstanders vervullen mij met grote weerzin. Toch, laten de voorstanders de moeite doen om ons in de tegenstanders te verplaatsen. De angst van mensen aan de onderkant van de samenleving voor het verlies van werk of huis valt niet zomaar weg te poetsen. Ze heeft reële gronden. Hetzelfde geldt voor de angst om de eigen identiteit, het gevoel van vertrouwdheid met de eigen omgeving, te verliezen. Ook die angst is reëel. Niet forceren, wel uitnodigen, zou het beleid moeten zijn. Zijn discussiebijeenkomsten over potentiële opvang van vreemdelingen hiervoor wel een geschikt instrument? Beter lijkt het me te mikken op het bevorderen van de ontmoeting tussen gevestigden en nieuwkomers. Kleinschalige opvang verdient daarom de voorkeur boven grootschalige, omdat zij de ontmoeting bevordert. Ontmoeting met de ander maakt je niet alleen bewust van je eigen identiteit maar relativeert die ook. Zo blijft een mens, een samenleving, altijd dezelfde en toch ook steeds weer in verandering. Zoals Brabant dat in godsdienstig opzicht deed en doet.

dinsdag, 10 november 2015 10:55

Monument in Roombeek

Willem van der Meiden bezoekt voor Volzin oude en nieuwe 'heilige plaatsen' in de twaalf Nederlandse povincies. Vandaag voert zijn rondgang hem naar het monument voor de slachtoffers van de vuurwerkramp in de Enschedese wijk Roombeek.

Een steen in de kade, de boom die alles zag, het verdwenen huis tussen hemel en aarde… poëzie over rampen. De steen: de buskruitramp van Leiden, 12 januari 1807. 151 mensen kwamen om het leven, koning Lodewijk Napoleon veroverde de harten van het volk door zeer persoonlijk aanwezig te zijn bij het rouwproces. De boom: de Bijlmerramp van 4 oktober 1992. Het El Al vliegtuig dat zich in twee flats in de Bijlmermeer boorde. Waarschijnlijk 43 doden. Het verdwenen huis: de vuurwerkramp in Enschede, een serie gigantische ontploffingen, 23 doden.

Zaterdagmiddag 13 mei 2000 werd ik door mijn vader gebeld. Hij leek in paniek – had ik nooit meegemaakt. Hij stotterde over een gigantische bom in Enschede, 30 kilometer bij hem vandaan. Ik zette de televisie aan en zag de enorme explosies. Ik wist meteen wat hem onderuithaalde: oud zeer. Enschede werd in de oorlog 61 keer gebombardeerd. Het ligt bij de Duitse grens en de geallieerde bommenwerpers wisten niet altijd precies waar ze waren. Vliegveld Twenthe was een doelwit en als je achtervolgd werd door Duitse stuka’s liet je je bommen vallen. Het ergste bombardement was op 10 oktober 1943, een mooie zondagmiddag, een voetbalwedstrijd was net afgelopen. In de bomen hingen brokstukken van dode supporters. Mijn vader, 14 jaar oud, had het van nabij gezien. 151 doden. Zelf moest hij een half jaar later vluchten uit zijn brandende kostershuis naast de kerk, dinsdag 22 februari 1944. Het gezin verloor have en goed. De kerk ging verloren. Er vielen die dag 40 doden, overal brand in de straten. Dat kwam bij hem boven op die middag in 2000. Maar er was meer. Zijn zus, mijn tante, woonde in Roombeek, de getroffen wijk. Hij kon haar niet te pakken krijgen, niemand wist waar ze was. Pas uren later meldde ze zich, overstuur, ze was een dagje uit geweest naar de Achterhoek met een vriendin en had niets gemerkt. Toen ze in de stad terugkeerde, was haar huis weg met alles wat ze verder had. Zoals de mooie poppen die ze maakte, nog toen ze ver over de tachtig was.

71 jaar na het bombardement en 15 jaar na die andere ramp wandelde ik met mijn vader en broer, even over uit Canada, in het lege hart van het nieuwe Roombeek. De oude volkswijk, waar Turkse bewoners met zwaar Twents accent destijds commentaar gaven op wat gebeurd was, is enigszins ‘veryupt’, dat is te zien. De lege driehoek waar wij staan, is een van de vele lieux de mémoire in Nederland die herinneren aan een ramp. Het lijstje rampen in Nederland van de laatste tweehonderd jaar is lang: scheepvaartongelukken, autobotsingen, branden, overstromingen, ontploffingen, treinongelukken, vliegtuigcrashes. Wat doe je als je zo’n lieu moet ontwerpen? Je laat hem leeg, dachten ze in Enschede, je legt er stenen neer, evenveel als er dodelijke slachtoffers waren. Hun namen op die stenen? Geen goed idee, vonden nabestaanden. Honden doen er hun plas over. Dus de namen op een aparte steen. Plus de tekst: het verdwenen huis tussen hemel en aarde.

Het monument is simpel, mist pompeuze uitstraling, het is zo Twents als ‘doe maar gewoon’. We staan er even stil op die middag in september. Een paar andere mensen ook, merk ik. Onze hele familie komt uit Enschede, al hebben mijn broer en ik er nooit gewoond. Mijn vaders moeder, mijn oma, is in Roombeek geboren. Hij staat er nu zelf en in zijn hoofd ziet hij beelden die ik niet kan meebeleven, die van zijn eigen trauma uit 1944. Op dit compost van de geschiedenis groeit uitbundig het gras.

 

vrijdag, 06 november 2015 10:39

Stammenstrijd

Begin deze maand was ik, sensatiezoeker, even op het Vredenburg gaan kijken bij de groot aangekondigde eerste Pegida-demonstratie van Nederland. Ik liep rustig wat over het plein, langs de groepjes Duitsers die waren meegereisd, langs de Nederlanders die trots de driekleur bij zich droegen, langs een paar Marokkaanse jochies die fel discussieerden met de politie, langs een paar hippies met roze borden met I love Islam erop. Ik wist verder ook niet zo goed wat ik daar deed, dus ik bleef maar rondlopen, van de ene naar de andere kant en weer terug.

Uiteraard keurde ik – hoogopgeleid, grote stad, etc. – die slechterikken van Pegida af. Maar terwijl ik tussen ze liep, begon ik mijn mening wel een béétje simpel te vinden. Een mening hebben is makkelijk wanneer je je thuis achter je krant verschuilt, nu zag ik échte mensen: verschrikkelijke zelfvoldane kereltjes, maar ook bezorgde huisvrouwen. En toen de spreker begon over de houding tegenover homo’s in de arabische wereld, herkende ik een stukje van de angst van die mensen om me heen in mijzelf. En de hippies, zij waren niet alleen maar lief en vrolijk, maar al net zo hatelijk richting de ‘nazi’s’ als Pegida richting de islam. Ik voelde een lichte walging jegens hun vermeende morele superioriteit. Mijn heen-en-weer-bewegen verloor zijn doelloosheid en werd een bewust weigeren stil te staan, partij te kiezen. Dit had helemaal niks met de complexe realiteit van (arabische) moslims in Europa te maken, dit ging over meningen schreeuwen, je gelijk willen krijgen, een stammenstrijd in een modern jasje.

Nadat ik een half uur hand rond gelopen, sloeg de vlam in de pan. Van alle kanten kwamen tegendemonstranten, er werd geschreeuwd, mensen vlogen elkaar aan, en voor ik het door had, stond ik aan de kant van de antifascisten met een brede rij politie tussen mij en de Pegida-aanhangers. Om mij heen schreeuwde iedereen ‘Nazi’s raus!’ Tegenover ons schreeuwden ze andere dingen die ik niet kon verstaan, maar die – aan de boze gezichten en vliegende bierblikjes te zien – vast ook niet heel vriendelijk waren. Hoe groter de politie de afstand tussen de twee partijen maakte, hoe makkelijker de meningen heen-en-weer werden gesmeten. En de werkelijkheid? Die lag ergens onopgemerkt in de stilte tussen de politieblokkades. Net als mijn fiets.

Jeroen Fierens (25) studeert humanistiek en schrijft op www.eenpadvinder.nl.

Doorzoek de website

 

 

Agenda