FacebookTwitterLinkedIn
Columns
donderdag, 26 mei 2016 15:20

Ebru Umar is bepaald geen rolmodel

De vrijheid van meningsuiting is een groot goed. Terecht dus dat zij verankerd is in onze grondwet. Vrijheid van meningsuiting is niet alleen van belang voor individuele burgers, zij vormt ook het fundament voor de democratie. Die kan immers alleen maar floreren wanneer zoveel mogelijk meningen in het maatschappelijke en politieke debat worden ingebracht. Deze vrijheid moet evenwel niet verward worden met aantasting van de goede naam van mensen,  belediging of een oproep tot geweld.

Neem het volgende citaat: “Het is waar: er zijn mensen die al jaren over de islam nadenken. Nooit heb ik ze begrepen, die hele fucking islam interesseert me geen ene reet. Mensen die oud papier nodig hebben om richting aan hun leven te geven, ze sporen niet. Mensen die in dat oude papier reden vinden om crimineel gedrag te uiten én rechtvaardigen, ze zijn rijp voor het gesticht. Maar mensen die toestaan dat die fucking islamieten de Nederlandse boel overnemen, die verdienen een standrechtelijke executie.” Een bijdrage aan het democratische debat? Vrijheid van meningsuiting? Niets van dat alles natuurlijk. Wél haatproza van de bovenste plank – haat jegens gelovigen die in ‘oud papier’ (Koran, Bijbel, enzovoort) levensoriëntatie vinden. Bovendien een oproep tot geweld – ‘standrechtelijke executie’ van andersdenkenden. Dat zulk proza tegenwoordig niet zeldzaam is, vervult me als burger van dit land met schaamte en walging. Openbaar Ministerie, doe toch je werk, zou ik zeggen.

Bovenstaand citaat is onderdeel van een column van Ebru Umar op de website Geen Stijl (15-10-2015). Dezelfde auteur dus die eind april tijdens haar vakantie in Turkije werd aangeklaagd wegens een beledigende tweet over het staatshoofd en vervolgens zeventien dagen lang het land niet mocht verlaten. President Erdogan is bepaald geen democraat, hij schendt op grove wijze de mensenrechten en voert een politiek van onderdrukking tegen de Koerden in zijn land. De Europese Unie heeft hem echter nodig om ‘het vluchtelingenprobleem op te lossen’. Erdogan maakt listig gebruik van het feit dat hij Europa in de tang heeft. Kritiek op zijn beleid – en op het mensonterende vluchtelingenakkoord – kan wat mij betreft niet hard genoeg zijn. Maar maakt dat Umar tot een martelaar voor de vrijheid van meningsuiting? Levert zij een bijdrage aan de strijd van de Turkse democratische oppositie tegen Erdogan? Helaas, dat doet zij op geen enkele wijze. Wat zij wél doet is in Nederland de polarisatie tussen ‘Neder-Turken’ en anderen aanwakkeren. Zo worden fatsoenlijke Nederlandse politici als Tunuhan Kuzu en Selcuk Özturk nu door collega’s in de Tweede Kamer en in de pers neergezet als ‘verlengstuk van Erdogan’.

Ook voor narcistische zelfexpressie is in onze samenleving een plaats, maar laten we die niet verwarren met het grondwettelijke recht op vrije meningsuiting. Anders dan de ‘Neder-Marokkaanse’ spreker tijdens de Dodenherdenking op de Dam en de veelkleurige jonge Amsterdammers – deels ‘Neder-Turks’ – die bij die gelegenheid bloemen bij het Nationaal Monument neerlegden, zijn mensen als Umar voor mij geen democratisch rolmodel.

1936: Adolf Hitler schudde op de eerste dag van de Olympische Spelen in Berlijn de hand van Duitse en Finse winnaars. Toen hem gevraagd werd om voortaan iedere winnaar van een gouden medaille te feliciteren, koos hij ervoor om dan maar niemand te feliciteren. Zo ontliep hij de handdruk van Jesse Owens.

De zwarte hardloper en verspringer Jesse Owens (1913-1980) kwam uit een straatarm gezin met elf kinderen. Zijn grootouders waren nog slaven geweest. Ondanks al zijn sportieve talent deelde hij het lot van de zwarte bevolking in de jaren twintig en dertig. Faciliteiten als atleet had hij nauwelijks, als begaafde leerling mocht hij wel studeren, maar niet op de campus wonen. Een beurs kreeg hij niet. Toch verlegde hij tal van grenzen. Zijn wereldrecord verspringen uit 1935 (8.13 meter) bleef 25 jaar lang staan, even lang als het huidige record van Mike Powell (1991, 8.95 meter). Owens’ 10,2 op de 100 meter uit 1936 was een sensatie.
Hij won op de ‘nazispelen’ van 1936 viermaal goud, knarsetandend gadegeslagen door het duizendkoppige Duitse publiek. Zo heet het althans in het collectieve geheugen. Dat mag wel een onsje minder zijn. Owens zelf zei dat het Duitse publiek hem tijdens zijn races hartstochtelijk toejuichte en dat er geen sprake was van discriminatie. De Führer had zelfs even naar hem gezwaaid. Owens had tijdens zijn verblijf in Berlijn ook niets gemerkt van maatschappelijke ongelijkheid, zei hij bij thuiskomst. In tegenstelling tot wat hij in de Verenigde Staten meemaakte, voegde hij daaraan toe. Zelfs cineaste Leni Riefenstahl, die de propagandafilm Olympia schoot, vol verheerlijking van Arische lichamen, kon niet om Owens heen. Ze bracht de finale van de 100 meter fraai in beeld. Zij nam tijdens de verspringfinale toevallig net een pauze, maar ze registreerde nog wel een vette knipoog van winnaar Owens. Vanwege haar focus op Germaanse Körperkultur leek het wel alsof ze zeggen wilde: het zijn net mensen, die zwarten. De zilveren verspringmedaille ging naar Luz Long, in alle opzichten de ideale Ariër. Hij bracht als alle Duitse medaillewinnaars bij de prijsuitreiking de Hitlergroet en sneuvelde in 1943 bij de geallieerde landing op Sicilië. Owens heeft altijd beweerd dat hij dikke vrienden was met Luz, die hem hartelijk omarmde na zijn overwinning. Owens schreef in zijn mémoires: “Al mijn medailles en bekers vallen in het niet bij de 24-karaats vriendschap die ik op dat moment voor Luz voelde. Hitler moet gek geworden zijn bij het zien van onze omhelzing.” Luz Long zelf heeft hier nooit aan gerefereerd. Owens stond erom bekend wel eens een loopje te nemen met de feiten. Ook een andere ‘edelgermaan’ legde het af tegen het zwarte sprintwonder. ‘Onze eigen’ Tinus Osendarp won in de Kampf der Farben (Riefenstahl) brons op de 100 en 200 meter. Ook hij bracht de Hitlergroet. Hij werd thuis onthaald als ‘de snelste blanke’. In de oorlog sloot hij zich aan bij de NSB en de Germaansche SS.
Van Hitler kreeg Jesse Owens geen hand, van zijn eigen president Roosevelt ook niet. Held of niet, hij mocht thuisgekomen weer gewoon plaatsnemen in de raciale pikorde. Hij kreeg wel een ticker parade en een galadiner in het New Yorkse hotel Waldorf Astoria, maar moest daar met de goederenlift naar boven. En hij kon ook weer gewoon achter in de bus plaatsnemen. Dat hoefde hij in Nazi-Duitsland niet, schimpte Owens. Tijdens de Spelen was de aandacht voor de zwarte medaillewinnaars in de witte Amerikaanse pers vaak summier. The Chicago Tribune noemde de succesvolle zwarte hoogspringers Cornelius Johnson en David Albritton “gekleurde springers op kangoeroepoten”.  
Jesse Owens was niet de eerste zwarte winnaar van een Olympische gouden medaille. Dat was de Amerikaanse estafetteloper John Taylor tijdens de Olympische Spelen van 1908 in Londen. Maar Owens is wel degene geweest die de ban gebroken heeft en tot op de dag van vandaag van enorme betekenis is voor het zwarte zelfbewustzijn en een inspiratiebron voor vrijwel alle zwarte atleten, in welke tak van sport dan ook. Naar Jesse Owens werd een straat vernoemd in West-Berlijn, een allee zelfs, bij het Olympisch Stadion, in 1984. Hij was met zijn sportieve zegetocht een speelbal van ideologische propaganda, maar grenzen verlegde hij zelf.

woensdag, 18 mei 2016 10:20

Die nooit verandert

God ‘die nooit verandert’, ‘die dezelfde is, gisteren vandaag en altijd’, ‘die niet loslaat het werk dat zijn hand begon’. Als kind al was dit voor mij een van de grootste mysterieën van het geloof: waarom vindt iedereen het toch zo belangrijk dat God niet verandert? En waar komt dat idee vandaan, toch zeker niet uit de Bijbel? Was God niet veranderd bij de Toren van Babel? Of (over werk loslaten gesproken) toen hij spijt had van zijn schepping en er een zondvloed op afstuurde? Of toen hij duizenden jaren later zijn zoon op aarde zette?

Later leerde ik tijdens mijn studie religiewetenschap hoe de ultieme andersheid van God een van de pilaren van de christelijke theologie is. En aangezien alles in de wereld vergankelijk en veranderlijk is, is God dat dus juist niet. Met de Reformatie werd dit onderscheid nog verder versterkt: God werd hoog in de hemel geplaatst, zó hoog dat hij absoluut onkenbaar werd. Het enige dat we kunnen doen is hier op aarde onze plicht vervullen en afwachten. De uitleg klonk logisch, maar begrijpen deed ik het nog steeds niet.

Pasgeleden kwam ik langs de woorden Gods grown old (oud geworden goden), de titel van een mij verder onbekend toneelstuk uit Victoriaans Engeland. De drie woorden raakten me en brachten me, hoewel het stuk uiteraard over Griekse goden gaat, meteen weer terug bij mijn verwondering over die éne God die nooit verandert. Wat nou als hij wel verandert? Wat als God inmiddels gewoon oud is geworden, oud en moegestreden, moe van de eeuwige mens die nooit eens luistert, moe van de wereld die nooit het paradijs zal worden dat hij voor ogen had.

Wanneer er dan weer eens een onderzoek verschijnt waaruit blijkt dat er wéér minder gelovigen zijn, komt dat idee mij nog minder vreemd voor. Misschien willen we zo graag geloven in een ongrijpbare, onveranderlijke God, dat we God zelf langzaam uit het oog zijn verloren. Misschien zit God intussen hoog op zijn hemelse troon te genieten van zijn welverdiende pensioen, zijn witte baard nog een stukje langer dan voorheen, en kijkt hij naar zijn volgelingen die van geen ophouden weten en elkaar elke zondag in de kerk vertellen over die God die in al die duizenden jaren nog nooit veranderd is. Dan zucht hij, glimlacht liefdevol en denkt: Och, die eeuwige, onveranderlijke mens.

Doorzoek de website

 

 

Agenda