FacebookTwitterLinkedIn
donderdag, 02 June 2016 15:29

Vrome Poolse kanunnik deed wereldbeeld springen

Vrome Poolse kanunnik deed wereldbeeld springen Tekst: Willem van der Meiden

Grenzen waren er in zijn tijd volop, maar die tussen landen, talen en wetenschappelijke disciplines waren vloeiend. Onze tijd van hokjes en vakjes heeft het wel eens moeilijk met die middeleeuwers en hun eigen wereldbeeld. Er was eigenlijk maar één wezenlijke grens: die tussen hemel en aarde. De late-middeleeuwer die wij kennen als Nicolaus Copernicus (1473-1543), Duits: Niklas Koppernigk, woonde in het huidige Polen, waar hij nog als Pool vereerd wordt, sprak en schreef in het Duits en publiceerde in het Latijn. Hij was – in het idioom van onze dagen – kerkelijk jurist, classicus, taalkundige, wiskundige, diplomaat en astronoom. Bij de toenmalige stand van de wetenschap én het heersende wereldbeeld kwam zo’n combinatie van talenten en vakgebieden veel vaker voor dan nu. Zo was hij behalve astronoom ook astroloog – een vloeiende grens, want natuurlijk had het firmament directe invloed op mensenlevens. Had God het niet gemaakt (Genesis 1) en was het niet object van menselijke verering (Psalm 8)? “Zie ik de hemel, Uw handwerk, de maan en de sterren die U hebt gemaakt: wie is dan de mens dat U hem gedenkt?” Zo’n plotseling wisselende blikrichting als in de psalm voltrok Copernicus in zijn tijd, zodat hij tot in lengten van dagen op een voetstuk zal staan als voltrekker van de copernicaanse omwenteling.

In 1992 verscheen van de hand van F. Plooij en H. van de Rijt een omstreden boekje over de ontwikkeling van jonge kinderen: Oei, ik groei. De auteurs stelden vragen bij een van de volgens hen belangrijkste axioma’s van de ontwikkelingspedagogie, dat van de continue en geleidelijke ontwikkeling van een kind. Nee, zeiden zij, die ontwikkeling gaat met horten en stoten, er zijn momenten waarop het kind in één keer sprongsgewijs iets nieuws ervaart, iets nieuws kan wat het daarvóór niet kon. En die momenten zijn protestmomenten en signalen voor opvoeders. Mijn eigen ervaring is dat je onze peuter rustig trap-op trap-af kon sjouwen, totdat zij van het ene moment op het andere diepte leek te zien en in een angstkramp schoot. Zoiets, een shift in je uitgangspunt van analyse en visie, heet een paradigmawisseling. Je ruilt de heersende grammatica in voor een totaal nieuwe.
Copernicus schopte het wereldbeeld omver en startte de copernicaanse revolutie. Zijn boek, dat hem op zijn sterfbed werd aangeboden, droeg het woord in de titel: De revolutionibus orbium coelestium, ‘over de omwentelingen (omlopen) van de hemellichamen’. Tot dan toe stond de aarde onbeweeglijk in het midden van het universum. Anders dan de astronomen na hem, die de beschikking hadden over een telescoop (een Nederlands uitvinding in 1609), ‘bewees’ Copernicus met behulp van de klassieke autoriteit Aristoteles dat het anders moest zijn. Die had immers gesteld dat alles in het universum zich in cirkels bewoog, omdat cirkels de eeuwige kringloop voorstellen en dus naar God verwijzen. En wat hij om zich heen zag met het blote oog – zo meende hij schijngestalten van planeten waar te nemen – wees erop dat de zon en niet de aarde in het middelpunt van de hemel stond en dat de planeten in keurige cirkels eromheen draaiden. Revolutie! Ging Copernicus met zijn nieuwe inzichten nog voorzichtig om, in zijn spoor gingen anderen steeds verder. De dominicaan Giordano Bruno (1548-1600) meende dat er meer zonnestelsels moesten zijn. Hij werd als ketter (maar niet vanwege die zonnestelsels) verbrand. Galileo Galilei (1564-1642) ontdekte – met telescoop – de elliptische banen en zag bewijs van de schijngestalten van Venus. Hij kreeg van de kerk huisarrest. Anderen – Kepler, Newton – gingen weer verder. Maar de gelovige Poolse kanunnik had het spoor getrokken.

In 1962 stelt de Amerikaanse wetenschapsfilosoof Thomas Kuhn dat alle belangrijke ontwikkelingen in de wetenschap zich sprongsgewijze hebben voltrokken. In zijn niet onomstreden boek The Structure of Scientific Revolutions beschrijft hij aan de hand van diverse paradigmawisselingen in de geschiedenis van de wetenschap, zoals die van Copernicus, maar ook die van Darwin en Einstein, dat de wetenschap zich niet evolutionair en in een zekere continuïteit, maar revolutionair en discontinu dankzij radicale omwentelingen ontwikkelt. Umwertung aller Werte noemde Nietzsche dat: Oei, ik denk!

Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda