FacebookTwitterLinkedIn
dinsdag, 09 June 2015 11:22

Bijna thuis

Het is zondag, een uur of vier in de middag. Ik sta in de warme lentezon op de bus te wachten en maak mij druk om de volgende dingen: mijn maag heeft om het uur een Rennie nodig om het biermaagzuur van het afgelopen weekend te verwerken, ik moet vanavond nog een was draaien en ik moet zo meteen ruim een uur in de bus zitten om thuis te komen.
Achthonderd doden. Er zitten drie hechtingen in mijn voet, maar de wond ziet er goed uit. Het loopt nog wat lastig, maar volgens de dokter merk ik er over een week niks meer van. Achthonderd mensen dood. Achthonderd. Ik zal waarschijnlijk niet eens een rekening zien, dat regelt de verzekering allemaal wel. Duizenden euro’s betalen ze, vaak straatarme mensen, om de kutsituatie waarin ze leven te ontvluchten. Niet omdat ze in hun leven iets slechter hebben gedaan dan ik, gewoon omdat ze in een andere plaats geboren zijn. Een plaats zonder uitzicht, zonder toekomst, een zwart gat zonder uitweg. Of nou ja, eentje dus, die dure boot. “Het is blijkbaar hun enige uitweg, ze laten niet voor niets alles wat ze hebben achter,” zegt een Italiaanse dokter tegen de krant. Ik probeer me voor te stellen hoe dat is, alles moeten achterlaten omdat je geen andere uitweg ziet. De bijna totale wanhoop, de boot als voorlaatste mogelijkheid tot verlossing, de hoop. Ik zie mezelf staan op de boot, tussen alle andere gelukszoekers, vechtend om een plekje. Terwijl de boot begint te varen, denk ik aan mijn ouders en broertjes. Ik heb ze beloofd dat ik snel voldoende geld zal hebben om hen ook de oversteek te laten maken. Een breekbare hoop sprak uit hun betraande glimlach en hoewel ik diep vanbinnen weet dat ik die belofte waarschijnlijk nooit waar zal kunnen maken, wilde ik hun houvast niet breken. De grootste van de drie is de hoop. Ik denk aan het huis waarin ik opgroeide: het stelde niet veel voor, maar het was wel thuis. Zal ik ooit een nieuw thuis vinden? Als ik me een beetje uitrek, kan ik de kust zien terwijl we wegvaren. Ik blijf onafgebroken staren, tot de laatste lampjes versmelten met de sterren in een pikzwarte hemel. Nergens om ons heen is nog land te zien. Ik voel me misselijk worden.
Buiten trekken de weilanden aan me voorbij, nog even en ik ben thuis. Een lekkere warme douche en, oja, niet vergeten de was te doen.

Jeroen Fierens (25) studeert humanistiek en schrijft op www.eenpadvinder.nl

Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

 

 

Agenda