FacebookTwitterLinkedIn
Columns

Ik ben de laatste vijftien jaar regelmatig in aanraking gekomen met de media. In de periode na de aanslagen op de Twin Towers ben ik logischerwijs veel meer gaan lezen over de islam. Het debat op televisie volgde ik natuurlijk ook. Theo van Gogh, Ayaan Hirsi Ali, Pim Fortuyn en Geert Wilders waren zeer dominant aanwezig. Geen ontkomen aan. Ik luisterde met interesse naar wat zij te zeggen hadden. Het klonk af en toe redelijk, vaker overdreven agressief. Het ging vaak over theologie. Die Koran, daar stonden nogal heftige dingen in, zo vertelden deze islamcritici mij. Tot mijn grote schrik besefte ik dat ik niet zoveel van de Koran afwist. Ik was veel meer in culturele zin islamitisch opgevoed en beleefde religie als een reeks van feestdagen. Maar omdat ik na 9/11 van de ene op de andere dag veranderde van collega in ‘moslimcollega’ moest ik opeens vragen beantwoorden over alles wat met de islam te maken had. Ik pakte de Koran eens serieus op, leerde Arabisch lezen, en mijn conclusie was duidelijk: Van Gogh, Hirsi Ali, Fortuyn en Wilders zaten een potje te liegen. Zij benoemden weliswaar misstanden in de islamitische wereld, maar de koranische onderbouwing klopte gewoon niet. Helaas, het is niet anders. Zeker, er waren radicale interpretaties van losse koranverzen, zoals je die ook met de Bijbel hebt, maar dan moest je wel eerst de hele Koran weggooien.

De islamcritici vielen voor mij door de mand. Als halfbakken voorgangers claimden ze de ware kennis, negeerden ze moedwillig de theologische en culturele diversiteit, en speelden ze handig met de angstgevoelens onder christelijk en ontzuild Nederland. Ik ging met meer aandacht het zogenaamde ‘islamdebat’ volgen. In het begin dacht ik nog dat inhoudelijke kennis het debat zou kunnen verheffen, maar van die koude kermis ben ik snel thuisgekomen. De media waren het probleem. Er vielen mij een aantal zaken op. Televisie- en radioredacties hadden altijd de meest radicale stemmen in hun programma. Journalisten van kranten gingen undercover om te achterhalen wat er toch in de moskee werd geroepen en plakten welbewust uitspraken van individuen op een complete religie. Het kwam zelden voor dat een welbespraakte islamdeskundige aan het woord kwam om vragen uit te diepen. En als die persoon al aan het woord kwam, zat er een kritische kwelgeest tegenover die genuanceerde moslimstem, zodat het ‘gesprek’ altijd ontaardde in een welles-nietesspel tussen twee mensen. Dit nietszeggende format van twee tegenpolen bij elkaar zetten is inmiddels de ijzeren standaard geworden volgens welke talkshows nu alle thema’s behandelen.

Hoe dan de media te consumeren? Ik zet een aantal aandachtspunten op een rij zonder toelichting. Besef dat journalisten niet objectief zijn. Objectieve journalistiek bestaat niet. Er bestaat alleen transparante journalistiek. Stel uzelf de vraag wie de schrijver is van het artikel en google de persoon in kwestie eens. Televisieredacties zijn voor 95% wit, autochtoon, en zeker niet islamitisch. Dat kleurt vanzelf de berichtgeving over de islam. Besef dat televisie- en radioprogramma’s uithangborden zijn van grote bedrijven. WNL oogt ogenschijnlijk als een interessante ochtendshow, maar is gelieerd aan de Telegraaf – de krant met een historische agenda tégen migranten en moslims. Christelijke kranten zoals het Nederlands Dagblad, Trouw en het Reformatorisch Dagblad hebben een sterk religieus profiel. Om over de EO maar te zwijgen. U krijgt vanzelf een christelijke bril opgezet en u staat er niet eens meer bij stil. En valt het u niet op dat mensen die dan wel een migrantenachtergrond hebben, meestal precies het geluid verkondigen van de heersende redactiecultuur? Ze zijn, hoe toevallig, meestal ex-moslim en hebben zich ontworsteld aan familiedruk op weg naar de seculiere vrijheid. Nu ik zelf al mijn werkuren besteed aan media maken kan ik helaas niet nuanceren. Integendeel, ik zie bij de collega’s meer blinde vlekken dan ik vermoedde. Wees dus kritisch, blijf kritisch, en verbreed de eigen mediahorizon door altijd andere programma’s, kranten en websites te lezen. Wees zelf een semi-journalist. Begint u gerust met het ontkrachten van deze column.

Enis Odaci is voorzitter van Stichting Humanislam en te volgen op www.enisodaci.nl.

donderdag, 01 november 2018 10:00

Solidair met de doden

De maand november is vanouds de maand waarop gelovigen hun dierbare overledenen gedenken. In protestantse kerken gebeurt dat doorgaans op de laatste zondag van het kerkelijk jaar (Voleindingszondag). Juist op het eind van het kerkelijk jaar klinken in kerkdiensten nogal eens passages uit het Evangelie die betrekking hebben op het zogeheten ‘laatste oordeel’ dat aan het einde der tijden voltrokken zal worden. Die omstandigheid geeft in mijn beleving aan de herdenking van de overledenen iets huiveringwekkends.
De rooms-katholieke traditie volgt een wat ander spoor. Op 1 november viert de r.-k. kerk het feest van Allerheiligen. Met die ‘heiligen’ zijn niet alleen de mensen bedoeld die door de r.-k. kerk heilig zijn verklaard, maar alle gelovigen van wie men aanneemt dat ze ‘in de hemel’ zijn. De kerk gelooft dat deze gestorvenen in de hemel bij God voor de levenden ten beste spreken. Daags erna, op 2 november, viert de r.-k. kerk Allerzielen. Dan gedenken de levenden de overledenen en bidden zij dat de gestorvenen nu thuis mogen zijn bij God. Allerheiligen en Allerzielen vormen dus elkaars spiegelbeeld: viert de kerk op Allerheiligen de solidariteit van de doden met de levenden, Allerzielen staat in het teken van de solidariteit van de levenden met de doden. 1 en 2 november, Allerheiligen en Allerzielen, horen daarmee bij elkaar, zij die ‘in de tijd zijn’ – de levenden – en zij die reeds ‘uit de tijd zijn’ – de overledenen – zijn immers in God met elkaar verbonden.
Maar hoe zit dan precies? Leven bij God? Eeuwig leven? Als moderne gelovige heb ik op zulke vragen niet echt een antwoord. Maar ik houd me graag vast aan de overtuiging die in de Schrift opklinkt: wij die nog leven, zijn omgeven door een ‘wolk van getuigen’, allen die overleden zijn. Hen gedenken betekent hen present stellen als mensen die niet alleen ons leven bepaald hebben maar het ook in de toekomst mee zullen bepalen. Een joodse spreuk – een uitspraak van de Baäl-Sjem-Tov, de grondlegger van het chassidisme – drukt het treffend uit: “Ballingschap wordt veroorzaakt door vergeten, in gedenken ligt het geheim van de verlossing.”

De kerk mag dan voor veel mensen geen of weinig betekenis meer hebben, de behoefte om stil te staan bij de doden, bij verlies en rouw, is er in onze samenleving niet minder om. Het lijkt erop dat die behoefte de laatste jaren alleen maar is toegenomen. Dé seculiere manifestatie daarvan is vanouds de minuut stilte op de avond van 4 mei. Ook 75 jaar na de Tweede Wereldoorlog trekt de nationale dodenherdenking massaal publiek. Gelijk opgaand met de ontkerkelijking zien we de laatste jaren een hausse aan stille tochten en herdenkingsbijeenkomsten voor slachtoffers van geweld, rampen en ongelukken. Een recent fenomeen vormen ook herdenkingsbijeenkomsten op begraafplaatsen en in crematoria die door hun datum – begin november – verwijzen naar Allerzielen. Niet zelden worden zulke bijeenkomsten georganiseerd of gesponsord door het uitvaartwezen.
Wat drukken zulke bijeenkomsten uit? Medeleven met de nabestaanden is een belangrijk element. Nabestaanden ervaren dit medeleven als troostvol. Maar het gaat niet alleen om de nabestaanden. De deelnemers aan een stille tocht klagen daarmee ook een als onrechtvaardig ervaren dood aan – die je als mens kennelijk ‘zomaar’ kan overkomen. Ze tekenen protest aan tegen het tragische lot dat mensen treft en drukken angst uit dat henzelf eenzelfde lot treft. Wie rouwt om de dood van een ander, rouwt altijd ook om zijn eigen naderende dood.

Tussen de seculiere en de religieuze gedachtenis van de overledenen bestaan veel overeenkomsten. Medeleven, gedeelde rouw, klacht en protest maken van beide deel uit. Maar er is ook een opvallend verschil: de dimensie van belofte, van ‘eeuwig leven’, heeft in het seculiere ritueel geen plaats. Misschien is deze dimensie voor individuele deelnemers aan zulke manifestaties wel aanwezig, maar ze blijft impliciet. Ze krijgt doorgaans geen publieke verwoording in zoiets als een gebed. Waar in de religieuze beleving Allerzielen en Allerheiligen bij elkaar horen, krijgt Allerheiligen in de seculiere beleving geen plaats. Ook hier is de vraag of onze ‘ziel’ – de ziel is het onderwerp van de special in deze aflevering van Volzin – wel voldoende gewicht krijgt.

vrijdag, 26 oktober 2018 10:00

Zwartwassen

Zoals veel mediabedrijven slaagt Netflix er de laatste tijd regelmatig in zich de woede van de conservatieve kijker op de hals te halen. Het bedrijf voert een actief diversiteitsbeleid en zet daarin onder meer in op een betere representatie van minderheden. Begin dit jaar kregen ze kritiek over zich heen vanwege het casten van twee zwarte acteurs voor de rollen van Zeus en Achilles in een historische serie over Troje. Afgelopen maand was het opnieuw raak, toen uitlekte dat voor een personage in de verfilming van boeken/gameserie The Witcher specifiek gezocht wordt naar een meisje met een minority background. ‘Blackwashing!’ riep de boze blanke man vanachter zijn toetsenbord.

Hoewel ik me gewoonlijk maar moeilijk in dergelijke kritiek kan verplaatsen, merkte ik dat ik zelf toch ook even moest slikken toen ik pasgeleden Netflix’ nieuwe cartoonserie The Dragon Prince aanzette. De serie speelt zich af in een tamelijk traditionele fantasiewereld die met haar ridders, tovenaars en kastelen traditiegetrouw sterk leunt op de Europese middeleeuwen. Alleen is de koning van het mensenrijk in deze serie zwart met dreadlocks. En hij is niet het enige overduidelijke kind van Netflix’ diversiteitsbeleid: een van de legeraanvoerders in de serie is een doofstomme vrouw. Ik ben helemaal voor meer diversiteit, maar dit voelde te…

…te wat? Onrealistisch? Want in een wereld met lichtgevende huisdierpadden, draken en magische eieren is een zwarte koning onrealistisch? Te geforceerd? Maar komt dat door het belichten van minderheden? Of juist doordat zij decennialang onderbelicht zijn geweest?

De verhalen die we elkaar vertellen, bepalen hoe we de wereld zien en lange tijd werden die verhalen verteld vanuit een klein, blank mannenwereldje. Netflix slaagt in enkele jaren in iets dat Hollywood al decennialang niet wil lukken: de mainstreamfilm uit dit kleine wereldje te bevrijden. Dat gaat met vallen en opstaan en het zal soms even wennen zijn, maar het verdient alle aanmoediging. Hoe mooi is het dat nu een hele generatie de kans krijgt op te groeien met verhalen waarin niet alleen blanke superhelden de wereld redden, gelukkige gezinnen niet alleen weggelegd zijn voor middenklasseheterostellen met een auto voor de deur en blinden meer kunnen zijn dan arme bedelaars?

Pagina 1 van 11

Doorzoek de website

 

 

Agenda