FacebookTwitterLinkedIn
  • VOLZIN 2018: NUMMER 6

    VOLZIN 2018: NUMMER 6

    Volzin-special: ‘Beter zwijgen’ ‘Een geheim heb je niet per ongeluk’Psycholoog Andreas Wismeijer over
    29 May 2018 - Lees meer
maandag, 11 June 2018 07:40

Het geheugen speelt wat af

Tekst: Nico Keuning Tekst: Nico Keuning Beeld: Hollandse Hoogte

De literatuur leeft van herinneringen en bestaat bij de gratie van het geheugen van de schrijver. Het idee om het geheugen aan te roepen en de schrijver bij te staan bij het schrijven, geldt ook voor fictie. Ook daar wordt de verbeeldingskracht maar al te vaak in gang gezet door ware feiten, persoonlijke herinneringen en authentieke ervaringen. En de lezer schrijft in gedachten mee; ook hij gebruikt tijdens het lezen zijn associatieve geheugen.

In de historische roman De ommegang, de recent verschenen roman van Jan van Aken, wordt het verhaal in één lange flashback teruggehaald uit de tijd. “Ik zoek iets, een herinnering”, zegt hoofdpersoon Isidorus van Rillington, “die zich net achter de horizon verschuilt, zoals je soms een eenvoudig woord niet meer voor de geest kunt krijgen, maar tegelijkertijd weet dat het je ieder moment weer te binnen kunt schieten.” Al schrijvend, vertellend, zal het geheugen wel actief worden. Schrijven is gaan zitten en beginnen. Tenminste, als de schrijver de vorm heeft gevonden. “Ik weet alleen niet goed waar ik moet beginnen”, verzucht Isidorus. “Bij mijn vroegste herinnering? Of bij de wending die mijn leven nam toen ik Maelgys weer tegenkwam op de lange weg naar Konstanz? Maar er is geen reden waarom we geen twee paden kunnen bewandelen, tenslotte betreden we het domein van de geest.”

Vervalste wereld
De historische roman is voor de schrijver hét domein van feiten en verbeelding; op basis van ware gebeurtenissen vertelt hij het (levens)verhaal van de hoofdpersoon tegen het decor van een periode uit de geschiedenis. Wat de protagonist doet en denkt komt voor rekening van de schrijver die uit onderzoeksgegevens deze persoon, als ware hij God zelf, kneedt en leven inblaast. Hij creëert zijn hoofdpersoon, vult hem in.
In de bundel Ik herinner mij (Privé-Domein nr. 151, 1988), zette een groot aantal Nederlandse auteurs op verzoek van de redactie een aantal herinneringen op papier. Grappig, serieus, ironisch, of aforistisch. Tijdens de achtste Rudy Kousbroeklezing op 6 april jongstleden refereerde Mensje van Keulen in haar lezing Het geheugen speelt wat af aan deze uitgave. Zelf schreef zij als een van haar herinneringen: “Ik herinner me een man in zwembroek met één been.” Van Keulen ging nu, dertig jaar later, op deze herinnering in: “De herinnering zal bij anderen, die niet eerder een man in deze hoedanigheid zagen, toch een beeld oproepen. Voor de een zal de man zijn rechterbeen missen, voor de ander zijn linkerbeen. De zwembroek kan van elke kleur en dessin zijn en van te klein om de heupen tot hoog op de buik en ruim afhangend. De man kan dik, dun, behaard, kaal, jong, oud zijn, hij kan een handdoek om zijn schouders hebben geslagen en een badmuts dragen, en hij zou niet stil kunnen staan maar net te water kunnen gaan of eruit verrijzen. Hij kan zich bevinden in een zwembad, maar ook aan zee, in een rivier, in een park bij een ijscokar. Hoe dan ook is er een beeld dat voor het geestesoog verschijnt. Het is zelfs niet uitgesloten dat het kan terugkeren en verworden tot een beeld dat een ander in zijn geheugen opslaat als iets wat hij met eigen ogen heeft gezien, zonder ooit nog te beseffen dat het een plagiaatherinnering betreft.”
Ik moest denken aan wat Willem Frederik Hermans in Preambule, in de verhalenbundel Paranoia zegt over het tekortschieten van de taal: “De mensheid denkt in een orde die niet werkelijk bestaat en is blind voor de oorspronkelijke chaos.” Hij doelt met ‘chaos’ op woorden en zinnen die in wezen onduidelijk zijn, omdat ze door iedereen op een andere manier ingevuld kunnen worden. “Er is maar één werkelijk woord: chaos.” Als de schrijver het woord ‘stoel’ gebruikt in een zin, weet immers niemand hoe die stoel er uit ziet. De lezer mag het zelf invullen. En als je een jonge vrouw op of in die stoel laat plaatsnemen, kiest elke lezer zijn eigen, geliefde, favoriete jonge vrouw.
Hermans geeft in Preambule VI een prozaïscher voorbeeld: “Een paard in een stal is een ander ‘paard’ dan een paard voor een wagen. En een stal zonder is een andere stal dan een stal met paarden en een wagen zonder paard is dezelfde wagen niet meer.” Aangezien het menselijk geheugen te beperkt is om alle woordvarianten op te slaan en te reproduceren, maken wij gebruik van abstracta. Maar deze hebben voor iedereen een andere betekenis. Chaos, inderdaad. “Wij leven in een vervalste wereld,” zegt Hermans.
Leve de chaos! Zou ik zeggen. Want in de chaos krijgt de luisteraar of lezer de kans deze abstracta geheel naar eigen inzicht en voorkeur te interpreteren. In een verhaal of roman ontstaat er aldus een wisselwerking tussen de schrijver en de lezer die ‘onduidelijke’ woorden invult en deels zijn eigen versie van het verhaal maakt als coauteur.

Stad van geheugenverlies
In de recente roman Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken, van Arjen van Veelen, speelt het verleden en daardoor de herinnering een belangrijke rol. De ‘ik’ reist naar Alexandrië in Egypte om er te zoeken naar sporen van Alexander de Grote. Ondertussen dringen zich voortdurend herinneringen op aan zijn overleden vriend met wie hij hier, zoals ze eens hadden afgesproken, had moeten zijn. Nu en dan schuift het recente verleden van Egypte over het heden heen. In een straat met boekenstalletjes valt het oog van de hoofdpersoon op een dun boekje. Beach memory luidt de titel. Op de omslag is een strandfoto foto afgebeeld met rieten strandstoelen. Uit de stoel op de voorgrond steken de slanke blote benen van een vrouw. Het boekje verwijst naar een fototentoonstelling: Strandgeheugen. De vrouw in de strandstoel blijkt de kunstenares ‘Halcia’ te zijn. Zij verzamelde foto’s van het vroegere strandleven. “Ze leeft niet meer. Ze is omgekomen bij de demonstraties die door de vorige dictator werden onderdrukt.”
Als in 1984 van George Orwell wordt in Alexandrië de geschiedenis gewist. Doorgehaald wat niet verlangd wordt. “Alexandrië is de stad van het geheugenverlies”, citeert auteur Van Veelen de kunstenares in een gepubliceerd interview. “Het meest sterke symbool daarvan is niet de verdwenen bibliotheek, maar de publieke stranden. Vanaf de jaren vijftig, toen de buitenlanders het land uit moesten en de bevolking islamitischer werd, verdween de westerse bladkledij. Die bestond daarna alleen nog in de weggestopte albums met familiefoto’s. Naarmate de bevolking conservatiever werd, begonnen mensen – soms omdat ze daartoe opgeroepen werden, soms ook uit zichzelf, uit schaamte – de strandfoto’s uit de albums te verwijderen. Soms waren het zelfs de kinderen die de foto’s uit de albums van hun ouders verwijderden, alsof ze hun zonden wilden uitwissen.”
In een steeg is nog wel het museum te vinden dat gewijd is aan de dichter K.P. Kaváfis (1863-1933). Het is ondergebracht in het huis waar de dichter 25 jaar woonde. Hij is bekend van zijn beeldende gedichten over de stad Alexandrië en zijn weemoedige, homo-erotische liefdesgedichten die in Nederland in de jaren zeventig met dank aan Gerrit Komrij veel werden gelezen. Gedichten over jonge, beeldschone knapen. Poëzie van het verlangen. Geïdealiseerde poëzie. “Zijn gedichten zijn valse herinneringen”, schrijft de ‘ik’ in Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken, die een bezoek brengt aan de kamer van de dichter op de tweede verdieping van het museum. “Deze kamer die nu baadt in het licht, dit is zijn leven, dit ontluisterende hok waar hij vijfentwintig jaar woonde. Dit smalle bed waarin hij zich heeft afgetrokken, denkend aan liefdes en bijna-liefdes. Waarin hij eenzaam heeft liggen rochelen van de kanker, met alleen het geknakte hoofdje van de kleine Jezus aan het kruis als getuige boven zijn bed. Zonder medelijden, zonder schaamte laat de dichter zich hier zien. Het is een open en eerlijk museum.”
Er is nog een laatste foto van Tomas, de vriend van de hoofdpersoon, gemaakt toen die al ernstig ziek was. Foto’s dienen als geheugensteun aan iemand, aan een plek, een periode. Maar de foto neemt de plaats in van de werkelijke herinnering aan de persoon, het moment, de tijd. Je herinnert je uiteindelijk alleen nog de foto. De vriend op de foto is bleek en mager. “Zijn wallen zijn paars, zijn neus wit.” In werkelijkheid was hij “zelden zo gelukkig als in zijn laatste zomer”.

Dodenmasker
Vlak voor zijn dood had Kaváfis per testament bepaald dat er een dodenmasker gemaakt zou worden. Een laatste, blijvende herinnering. Een traditie die door de fotografie naar de achtergrond is gedrongen. Ik herinner me uit biografische boeken foto’s van het sterfbed van schrijvers: het uitgeteerde gezicht van Slauerhoff, de bitse streepmond van Vestdijk. Maar er werd soms (ook) een dodenmasker gemaakt… Wanneer was het? Ik was op bezoek bij Reinold Kuipers in Amstelveen, de oud-directeur van De Arbeiderspers en later van uitgeverij Querido. De man die in 1952 De kapellekensbaan van Louis Paul Boon had uitgegeven. Een boek dat ik tot op de dag van vandaag een meesterwerk vind. Kuipers liet me ‘beneden’ zijn werkruimte zien. Hij was ‘zondagsdrukker’ van bibliofiele uitgaven. Mijn aandacht werd getrokken door een zwartglanzend dodenmasker aan de muur. “Boon,” zei Kuipers, reagerend op mijn blik. Hij schoof het dodenmasker van de spijker en reikte het mij aan. Stond ik ineens met het hoofd van de grote schrijver in mijn handen. Het bekende, ronde gezicht, de ogen gesloten. Een intiem moment met de man wiens werk ik kende maar die ik nooit had ontmoet. Ik heb geen idee wat ik op dat moment dacht. Er was wel iets van ontroering.
Jaren later, in 1990, bezocht ik de weduwe Jeanneke Boon op het adres Vogelenzang 4 in Erembodegem, waar de schrijver vanaf 1954 tot zijn dood op 10 mei 1979 had gewoond, geschreven vooral. Jeanneke had haar Memoires gepubliceerd. Zij wees mij ‘de plek’ waar zij die tiende mei haar Boontje op de vloertegels voor zijn schrijftafel had aangetroffen. We liepen door het huis langs kunstwerken van de schrijver: schilderijen, tekeningen, readymades. Et voilà, pikzwart hing daar het dodenmasker aan de muur. Ik dacht niet aan Boon, maar aan Reinold Kuipers en vroeg of ik een foto mocht maken. Even later stonden we in de keuken. Zij vertelde dat Louis Eros en de eenzame man in een paar weken had geschreven. “Hier op de hoek van de tafel”, wees zij, “terwijl ik tv zat te kijken.”
Niet het dodenmasker, maar de verhalen van Jeanneke brachten Boon weer tot leven,‘met kloppend hart en kloten’. Van de ontmoeting met Jeanneke kan ik me nog veel herinneren. Misschien omdat ik erover heb geschreven. Of juist omdat ik toen van haar, noch van het huis een foto heb gemaakt.

Mensje van Keulen: ‘Het geheugen speelt wat af’, in: De Gids, april 2018.
Jan van Aken: De ommegang (Querido, 628 blz., € 22,50).
Arjen van Veelen: Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken (De Bezige Bij, 272 blz., € 19,99).

Login om meer te lezen
Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

Volzin Schrijfwedstrijd 2018

volzin schrijfwedstrijd

 

Agenda