FacebookTwitterLinkedIn
  • VOLZIN 2018: NUMMER 6

    VOLZIN 2018: NUMMER 6

    Volzin-special: ‘Beter zwijgen’ ‘Een geheim heb je niet per ongeluk’Psycholoog Andreas Wismeijer over
    29 May 2018 - Lees meer
dinsdag, 13 March 2018 09:29

’Ons leven houdt pas op als we dood zijn’

Tekst: Els van Wijngaarden Tekst: Els van Wijngaarden Beeld: Stijn Rademaker

“Weet je, de dood is onze lieve zuster”, zegt een franciscaan. “We bezingen haar, we weten dat ze bij ons leven hoort. Maar… als ze dichtbij komt, dan toont ze zich soms ineens als een feeks. Daar moeten we niet van wegkijken.” Els van Wijngaarden spreekt met franciscanen over het voltooide leven. Het werd een opmerkelijke ervaring: “De broeders drukken zich op een andere manier uit dan dat ik doorgaans tegenkom als het over dit onderwerp gaat. Ja, ze spreken ook over ongemak en onzekerheid, maar toch vooral over loslaten, aanvaarding, wachten, ego-loosheid, zin en betekenis.”
Fotograaf Stijn Rademaker brengt het vervulde leven van de franciscanen in beeld. De foto’s tonen de franciscaanse communiteit van Huize La Verna, ooit een klooster, nu verzorgingshuis in Wijchen (Gld.).

‘Soms word ik zo depri. Wij hebben van die communiteiten, daar hangt alleen maar ouderdom. De broeders die daar wonen zien slecht, horen slecht, en praten zacht en zwak. Het is dan zo ingewikkeld om goede gesprekken te hebben. Terwijl dat ontzettend van betekenis zou kunnen zijn. Weet je, op een gegeven moment bereik je een levensfase waarin je omziet in dankbaarheid en verwondering naar datgene wat geweest is. Maar tegelijk kijk je vooruit in vrees en beven naar wat er allemaal aan verschrikkelijks op je afkomt. Want echt, dat aftakelen”, hij hapert even en zoekt naar worden, “als dat een gezicht krijgt, vind ik het niet meer mooi. Als ik op bezoek ben bij een medebroeder die echt heel oud is, dan denk ik: jeetje, gedaante noch heerlijkheid. Wat kan ons leven uit handen lopen… Dus dat mensen af en toe zeggen: mag ik een pilletje, dat snap ik wel.” Dan is het even stil en vervolgt hij: “Maar hoe moeten we daar nu tegenover staan?”

Geduldige stilte
De minderbroeders franciscanen nodigden mij uit in Utrecht op het provincialaat, oftewel het huis van waaruit de communiteiten in Nederland bestuurd worden. Ze wilden zich bezinnen op de thematiek van het voltooide leven binnen hun eigen gelederen. Op die eerste ontmoeting zouden nog vier groepsgesprekken volgen, verspreid door het hele land. In die intense gesprekken deelden de broeders (met mij, maar vooral met elkaar) hoe zij – in hun dagelijks samenleven – omgaan met ouderdom en verlies.
Steeds meer franciscanen zijn op hoge leeftijd. In de meeste gevallen gaat dit gepaard met allerlei fysieke en mentale ongemakken. Dit vraagt veel van de anderen; de dagelijkse werkzaamheden drukken op steeds minder schouders, daarnaast is er de mooie, maar ook veeleisende taak van de onderlinge mantelzorg. Dat kan ook behoorlijk confronterend zijn: broeders waar je altijd tegenop zag, zijn nu dementerend of levensmoe. Na jarenlang samen bidden en vieren verzucht je medebroeder: “Het heeft voor mij afgedaan. Ik geloof het eigenlijk niet meer. Mijn bron is verdampt.”
En dan is er nog die collectieve zorg over de toekomst van het religieuze leven in Nederland: “We zien niet alleen onze medebroeders aftakelen, ook de ordes en congregaties kalven af. De vraag over het voortbestaan speelt in bijna elke communiteit. We maken deel uit van een instituut in afbouw. Een soort van voltooiing lijkt min of meer onafwendbaar.”
Dat klinkt voor een buitenstaander misschien een beetje somber. Maar het tegendeel is waar. Ik heb de afgelopen jaren honderden gesprekken gevoerd over voltooid leven. Juist deze groepsgesprekken met de franciscanen zijn me op een bijzondere manier bijgebleven. De broeders bezigen een andere taal; ze drukken zich op een andere manier uit dan dat ik doorgaans tegenkom als het over dit onderwerp gaat. Ja, ze spreken ook over ongemak en onzekerheid, maar toch vooral over loslaten, aanvaarding, wachten, ego-loosheid, zin en betekenis. Ook de wijze waarop het gesprek wordt gevoerd, laat bij mij een diepe indruk achter: er wordt zoekend en vragend geformuleerd, met een bepaalde terughoudendheid, maar ook met zelfrelativering en een lach. Regelmatig valt er een geduldige stilte, soms van bijna een halve minuut. Alsof iedereen de tijd neemt om de woorden te laten bezinken.

Een drama
“Kijk, als broeders hier in huis erg beginnen af te takelen, dan gaan ze naar een verzorgingshuis. Als het echt niet meer gaat, dan zeggen wij: wij kunnen dit niet aan. Maar daaraan voorafgaand gebeurt er een heleboel. Recent was er nog een broeder. Hij was zeer gehecht aan dit huis, aan zijn kamer, aan zijn bed. Alleen de ellende was: die kamer was beneden. Terwijl de rest boven slaapt. Ik zei nog tegen hem: Dit kan zo niet langer, jij moet ook naar boven, dan kan ik je tenminste horen als er iets is. We hebben wel zo’n val-alarm geregeld, maar toen hij hem nodig had, lag dat ding net buiten zijn bereik. Dus ja, ik bedoel maar. Dat was echt een drama.”
Een ander vult aan: “Soms zijn we er dag en nacht mee bezig. Ik bedoel, je hebt wel thuiszorg, maar uiteindelijk zijn wij er altijd, 24 uur per dag. Wij hebben wel meegemaakt dat een broeder 's nachts van de trap viel. Toen ik naar het toilet ging, rond een uur of twee, trof ik hem aan. Echt, er is hier heel veel gebeurd in huis. Door de jaren heen heb ik er vier dood gevonden. Ja, zo gaat dat… Bij Bernhard bijvoorbeeld, ik bracht hem 's avonds z’n melk, hij bleef nog even in z’n stoel zitten, en 's morgens vonden we hem. Hij zat nog steeds in zijn stoel.”
“Vergeet niet, wij hebben geen kleinkinderen. Wij missen die vitaliteitsimpuls die grootouders hebben. Ik heb mij laten vertellen dat de aanwezigheid van kinderen zelfs fysieke en hormonale effecten heeft. Dat hebben wij niet, dus dat missen we. En ik denk dat wij daardoor misschien wel makkelijker in de ouderdom wegzakken dan mensen die daar door een kind op de een of andere manier uitgetrokken worden. Echt waar, breng maar een groep kleuters naar een bejaardenhuis. Het lijkt daarna wel alsof de bewoners allemaal een vitamine B-spuit gekregen hebben.”
De broeders leven in navolging van de heilige Franciscus. Het verhaal gaat dat Franciscus aan het einde van zijn leven erg verzwakt is geraakt. Hij is dan bijna blind en lijdt aan reumatische pijnen. Vlak voor zijn sterven schrijft hij het Zonnelied: een lofzang op het leven, de schepping en op God. In dat lied noemt hij de dood ‘onze zuster’. Het Zonnelied wordt vaak gezongen tijdens de vieringen. Een van de broeders zegt daarover: “Weet je, de dood is onze lieve zuster. We bezingen haar, we weten dat ze bij ons leven hoort. Maar… als ze dichtbij komt, dan toont ze zich soms ineens als een feeks. Daar moeten we niet van wegkijken.”

Login om meer te lezen
Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

Volzin Schrijfwedstrijd 2018

volzin schrijfwedstrijd

 

Agenda