FacebookTwitterLinkedIn
dinsdag, 30 January 2018 13:21

‘De beste straf is de kortst mogelijke’

Tekst: Jan van Hooydonk Tekst: Jan van Hooydonk Beeld: Anna van Eekelen

“De overgrote meerderheid van de mensen die je als rechter voor je krijgt, zijn gewoon mensen die in een situatie zijn terechtgekomen die ze zelf ook liever vermeden zouden hebben.” Rechter Rino Verpalen streeft ernaar “de verdachte te zien als een medemens met wie je ter terechtzitting het gesprek kunt aangaan”.

‘Ik heb de gelegenheid gekregen om grote zaken te doen. Ik denk dat die in het algemeen goed zijn verlopen en goed ontvangen zijn, door de samenleving, maar soms ook door verdachten. Dat een verdachte blij is met een veroordeling kun je niet verwachten, maar de manier waarop je als rechter de zaak doet, het gesprek met de betrokkenen voert, de ruimte die je laat en de uitleg die je geeft in het vonnis: dat alles kan tot tevredenheid stemmen. Ik doe mijn werk niet om waardering te krijgen, maar als je die toch krijgt, geeft dat wel voldoening. Ik wil kwalitatief goed werk leveren, daar span ik me voor in, ik ben een perfectionist. Wanneer dat tot uitdrukking komt in de ervaring die anderen daarvan hebben, is dat natuurlijk heel mooi.”
Dr.mr. M.J.M. (Rino) Verpalen (66) maakt sinds 1991 deel uit van de rechterlijke macht. Als vicepresident van de rechtbank Haarlem gaf hij leiding aan geruchtmakende processen, de ‘Kolbakzaak’ tegen Willem Holleeder en anderen en de ‘Klimopzaak’ (fraude in de vastgoedwereld). Werkweken van 100 uur zijn voorgekomen, maar sinds deze zomer doet hij het wat rustiger aan. Zijn aanstelling bij de rechtbank is tot een kwart teruggebracht. Maar druk bezig blijft hij nog wel, zegt Verpalen. Al is het maar doordat hij ook redacteur is van Tekst & Commentaar Strafrecht en Strafvordering, het handboek dat mede aan de basis ligt van Verpalens reputatie als gezaghebbend strafrechtsgeleerde.
Verpalen groeide op in het Brabantse grensdorp Achtmaal. Smokkelactiviteiten waren daar aan de orde van de dag, nachtelijke beschietingen geen zeldzaamheid. Het katholieke gezin met negen kinderen had het niet breed, maar dankzij een beurs kon de oudste zoon naar het gymnasium en de universiteit. Eenmaal afgestudeerd als jurist werd Verpalen medewerker van het Buro voor Rechtshulp in Rotterdam. Hij kreeg de opdracht om – “geheel los van de kennis die daarvoor vereist was” – spreekuur te houden in het Huis van Bewaring. Uit dat werk ontstond het Bajesboek. Deze ‘bijbel voor gevangenen’ vond niet alleen enorme aftrek in de gevangenis – “ook bewaarders wilden het hebben” – maar bracht de auteur ook definitief op het pad van het strafrecht. In 1985 werd hij aan de Universiteit van Amsterdam aangenomen als docent strafrecht en strafprocesrecht. In 1991 kwam het aanbod rechter-plaatsvervanger te worden, in 1999 werd hij voltijds rechter in de rechtbank Haarlem.

U had aanvankelijk een carrière voor ogen in de sociale advocatuur. Maar u belandde in de rechtszaal aan de andere kant. Hoe voelde dat?
“Aan rechter worden had ik zelf nooit gedacht. Toen de toenmalige president van de rechtbank in Haarlem me vroeg of ik rechter-plaatsvervanger wilde worden, heb ik hem teruggeschreven dat ik vereerd was en het wel wilde proberen, maar dat ik me zou terugtrekken als ik er hoofdpijn van zou krijgen. En ik kreeg er inderdaad hoofdpijn van. Ik vond het echt vreselijk om medeverantwoordelijk te zijn voor het opsluiten van mensen. Ik begon het werk toch interessant te vinden toen ik merkte dat de discussie in raadkamer door mijn inbreng soms net iets genuanceerder werd. Aan de andere kant is mijn opvatting ook steeds geweest dat je als samenleving niet ontkomt aan strafrechtstoepassing en uiteindelijk ook gevangenisstraf. Een gewenning is dus wel opgetreden maar lastig is het wel een hele tijd gebleven. En overigens ben ik nog steeds van mening dat de beste straf de kortst mogelijke straf is, gelet op de omstandigheden, de persoon van de verdachte en de ernst van het feit.”

Misdrijven, zeker als ze met geweld gepaard gaan, roepen bij ‘normale mensen’ weerzin op. Voelt u die weerzin als rechter ook?
“Mijn invalshoek is altijd geweest de verdachte te zien als een medemens met wie je ter terechtzitting het gesprek kunt aangaan. In potentie natuurlijk, want in de praktijk wil dat wel eens mislukken. Verdachten hebben immers het recht te zwijgen. En er zijn natuurlijk ook geweldige klootzakken. Net zo goed als onder de mensen die niet terecht staan, vind je daar bij uitstek klootzakken. Alleen al het feit dat ze gepleegd hebben, is daar soms een uitdrukking van. Maar het is daarbij nooit zo dat het contact op zitting niet wat nuancering aanbrengt in het beeld dat uit het dossier opkomt. De terechtzitting vormt voor mij nog steeds de kern van de strafrechtstoepassing. Als ik van mezelf het gevoel zou hebben dat het vonnis vantevoren al vaststaat, zou ik dit werk niet langer willen doen.”

Heeft u wel eens het idee dat u zelf aan de andere kant zou kunnen zitten, in het beklaagdenbankje?
“Met dat gevoel hoef je niet dagelijks bezig te zijn, maar het is een algemeen besef dat iedereen ten goede zou komen om je realiseren dat je ook in die positie kunt komen. In de positie van verdachte kunnen we allemaal terechtkomen. Je kunt voor jezelf niet uitsluiten dat er een verdenking op je komt te rusten en je wordt aangehouden. Ik sluit dat voor niemand uit, ook voor mezelf niet. Daarom is het gesprek met de verdachte op de zitting zo belangrijk. Dat is geen gesprek tussen gelijken, je bent als rechter wel normerend bezig – het overtreden van de norm staat centraal – maar je moet de verdachte wel de gelegenheid bieden daar het zijne van te zeggen en uit te leggen waarom het gegaan is zoals het gegaan is.”

Login om meer te lezen
Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

Volzin Schrijfwedstrijd 2018

volzin schrijfwedstrijd

 

Agenda