FacebookTwitterLinkedIn
vrijdag, 01 December 2017 09:00

‘Gij blijft mijn God en ik Uw faun’

‘Gij blijft mijn God en ik Uw faun’ Tekst: Eric Corsius Beeld: Bonnefantenmuseum / Pierre Kemp Stichting, Maastricht

Dichter en schilder Pierre Kemp was een man van paradoxen. Meerdere katholieke zielen lagen in zijn borst met elkaar overhoop. In hem leefde een levenslustige heiden, een ‘Faun’, die voortdurend in aanvaring kwam met God, die aan de mens weliswaar de goddelijk makende erotiek heeft geschonken, maar ook van meet af aan de doodsklok luidt. Het Bonnefantenmuseum in Maastricht eert hem bij zijn vijftigste sterfdag met een tentoonstelling.

Toen in 2010 een levensbeschrijving verscheen van Pierre Kemp (1886-1967) was er bewondering voor de biograaf, Wiel Kusters. Deze was in staat geweest om over de zo onopvallend levende dichter een dikke pil te schrijven die de lezer geen moment verveelde. Dit duidt op een van de vele paradoxen bij Kemp. Enerzijds was hij een literaat van aanzien, die contact had met de groten der aarde, publiceerde bij een gerespecteerd uitgever en de hoogste Nederlandse prijzen in de wacht sleepte. Anderzijds was hij de ambtenaar, die jarenlang pendelde tussen een rijtjeshuis in Maastricht en zijn kantoor in de mijnstreek en voor wie het dichten een uit de hand gelopen hobby was. Hieraan kunnen we andere tegenstrijdigheden toevoegen: de keurig getrouwde man, die via zijn poëzie flirtte met andere vrouwen en expliciet over erotiek schreef; de in het zwart geklede burger, die een fel kleurenpalet hanteerde in zijn poëzie en zijn beeldend werk; de aan Maastricht verknochte wereldburger, die het maar enkele jaren in Amsterdam uithield.
En dan is er nóg een intrigerende paradox, die door biografen vaak nogal luchtig wordt behandeld. Het is de schijnbare tegenstelling tussen Kemps katholicisme enerzijds en de vrijzinnige, pantheïstische, ja: heidense religiositeit van de ‘rijpe’ Kemp anderzijds. Vaak wordt deze religieuze paradox gezien als een tegenstelling tussen twee fasen in een ontwikkelingsproces. Je hebt dan enerzijds de ‘jonge, katholieke Kemp’ en anderzijds de ‘rijpe, pantheïstische Kemp’.

Niet langer schilder
We leren Kemp immers aanvankelijk kennen als een jongeman die opgroeit in een door katholicisme doordesemd milieu. Als zijn kunstzinnige talenten als schilder en dichter zijn ontdekt, worden die ontwikkeld binnen de strakke kaders van dat milieu. Zijn eerste gepubliceerde gedichten hebben religieuze thema’s en hij schrijft voor katholieke media zoals aanvankelijk het dagblad De Tijd en later het tijdschrift De Gemeenschap. Zijn leraren en promotoren sluiten hem echter niet op in een benepen, roomse sfeer. Via hen leert hij ook de modernere literatuur kennen. In zijn themakeuze is hij een echte katholieke Limburger, in zijn vormtaal treedt de jonge dichter in de voetsporen van de Tachtigers. Ook de stijl van zijn jeugdige schilderijen is weliswaar herkenbaar en figuratief, maar heeft in zijn felle kleuren en brutale vormen ook iets moderns-expressionistisch.
In de jaren dertig vindt dan een omslag plaats. Op de eerste plaats geeft Kemp, inmiddels al lang werkzaam op de loonadministratie van een steenkolenmijn, het schilderen op. Hierin ligt toch niet zijn grootste begaafdheid. Hij zal zich geheel gaan toeleggen op de poëzie. De vormtaal in die poëzie verandert tegelijk drastisch. Sonnetten en epische gedichten komen niet meer uit zijn pen. In de plaats daarvan komen overwegend zeer korte en vormvrije gedichten, geïnspireerd door Guido Gezelle, de late Gorter en oosterse poëzie. En een kleurrijke, speelse taal maakt het opgeven van de schildersezel ruimschoots goed.
Niet in de laatste plaats neemt Kemps religiositeit andere trekken aan. Dit wordt meteen duidelijk in het gedicht Verbascum, dat hij zelf als een doorbraak zag. God verschijnt hier niet meer op de plechtstatige wijze, als in de jeugdgedichten, maar bijna naïef en sensueel:
De dalen staan vol gouden torens.
De lippen van God bewegen zich
onder Zijn sterren
en blazen slaap over de bloemen.

Ruime klank
De overgang wordt heel duidelijk als we Kemps debuut Klokken (1909) vergelijken met Nachtverlangen, dat in 1927 verscheen. In het sonnet uit 1909 “juichen” de “galmende klokken” nog keurig “Heil, Koning, gegroet!”. In 1927 schrijft hij echter:
Er klonk een ruime klank, ook klok genaamd.
De blauwe dijen van de huizen blonken.
De ronde borsten van de bruggen zonken.
In deze regels kondigt zich een spanning aan, die het werk van Kemp zal gaan beheersen: de combinatie van sensualiteit en religie, van verlangen naar eeuwigheid en verknochtheid aan lichamelijkheid. Vanaf dit moment treedt de conventionele katholiek naar de achtergrond en ontwikkelt zich de ‘gedoopte heiden’ bij wie de grenzen tussen religie en aardsheid vervloeien. Kemp neemt in nietzscheaanse toonaarden steeds meer afstand van het katholicisme als ascetisch en dogmatisch systeem. Hiervan getuigen regels als: “Ik houd soms niet van een te grote God” en “Te veel eeuwigheid is niet gezond.” Het dualisme tussen God en wereld zweert Kemp af ten gunste van een gemoedelijk pantheïsme. Het leidt tot speelse experimenten met het godsbeeld.
Ik zit als kleine mens te fluiten
en keur de vondst na van mijn melodie,
terwijl ik door de coupé-ruiten
de klaver achter de haver zie.
Achter de klaver dooft een vuur in rook.
Fluit God ook?
Als het traditionele katholicisme al een rol speelt bij de rijpe Kemp, dan is het ogenschijnlijk hooguit als een decorstuk, ontleend aan de roomse folklore, bedoeld om kleur te geven aan gedichten. Of het gaat om de ‘bourgondische’ variant van het katholicisme, die de lichamelijkheid welgezind is maar er verder niet echt toe doet. Met andere woorden: het katholicisme raakt alleen nog maar de ‘vorm’, niet de ‘vent’.

Innerlijk gevecht
Het is verleidelijk om Kemp op deze manier te zien: als de typische Nederlandse katholiek die zich in het begin van de eeuw nog uiterlijk conformeerde maar zich steeds meer vrij vocht uit de greep van het sys-teem. De vrijzinnige en pantheïstische Kemp wordt dan gezien als de ‘ware’ Kemp, die zich in zijn jeugd noodgedwongen had vermomd als rechtzinnige katholiek en die zich later uiteindelijk kon ontpoppen als degene die hij ‘echt was’. Met zijn heidense kant kwam zijn ware aard boven. Daarmee is de religieuze paradox bij Kemp verklaard – en van zijn problematische, scherpe kantjes ontdaan.
Maken we ons hiermee echter niet al te gemakkelijk af van Kemps ingewikkelde verhouding tot het katholicisme? Is zijn katholicisme werkelijk slechts een toevallig biografisch gegeven waaraan hij ontgroeide of zich ontworstelde? Is het alleen maar een kwestie van culturele achtergrond? Is de heidense Kemp de vlinder die verstopt zat in de katholieke rups? Mijns inziens doen we zo geen recht aan het innerlijke gevecht dat Kemp tot aan het einde van zijn leven voerde. Ik durf te beweren dat hij meer was dan een cultuurkatholiek. Hij was tot zijn laatste snik een gelovige – maar dan wel een gecompliceerde gelovige, die met God, de Eeuwigheid, de Eindigheid en vooral zichzelf een nu weer speels, dan weer bloedserieus gevecht voerde.
Al in jeugdgedichten vinden we hiervan de sporen, maar het komt in zijn late werk onverholen tot uiting.
Telkens wanneer Kemp daar stuit op de eindigheid, voert dit tot een heftige worsteling met God. Een goed voorbeeld is het gedicht Requiem (1948). Als een nieuwe Job vervloekt de dichter hierin zijn geboorte, omdat hij daarmee gevangen is geraakt in Gods ‘eeuwige val’, de val van de kringloop van het leven. “Ik wil er uit!”, klaagt Kemp de Schepper aan, die de mens heeft opgescheept met enerzijds het onlesbare vuur van het erotische verlangen en anderzijds een ingebakken sterfelijkheid. God nodigt de mens uit tot een eeuwige rondedans die een dodendans is. Wat een onbarmhartige en sadistische God! Geen wonder dat de klager God afschildert in de zwartste tinten, voorzien van een rot gebit en een op een octopus lijkende tong.
Kemp lijkt zich vervolgens echter vooral tegen zichzelf te keren. Hij worstelt vooral met zijn eigen, traditionele godsbeeld. Hij wil wel geloven, maar niet in de gevoelloze, almachtige God die met de mens een kat-en-muis-spel speelt. Hij spreekt de hoop uit dat God ook het vermurwbare hart van een kind heeft. Hij daagt God uit om anders te zijn. Om af te wijken van de hartvochtige overlevering en om meer te voldoen aan de traditie van de mildheid.
Ik beid een wenk, die U doet zijn wat ik U gaarne dicht,
geen god naar klimaat, cycloop van donderend licht,
dirigerend met de onbegeerde rechten van een oordeelswaag
de grauwe symfonie van ons vloeken en geklaag,
maar als een vruchtbeginsel zingend: neemt en eet.

Stille katholiek
God als tirannieke rechter en God als de zichzelf wegschenkende: het tegen elkaar uitspelen van deze twee traditionele beelden duidt erop, dat er in de borst van de dichter meerdere katholieke zielen met elkaar overhoop liggen.
Het gedicht Requiem eindigt echter opvallend berustend. De dichter lijkt zich er bij neer te leggen dat in hem een levenslustige heiden leeft, een ‘Faun’, die voortdurend in aanvaring zal komen met God, die aan de mens weliswaar de goddelijk makende erotiek heeft geschonken, maar ook van meet af aan de doodsklok luidt. Zo legt Kemp zich neer bij een haat-liefdeverhouding met God, uitgedrukt in zijn onopgeloste Credo: “Gij blijft mijn God en ik Uw faun.” Het enige wat hij vraagt is dat hij na zijn dood wordt begraven in zijn geliefde stadspark aan de Maas, dat zijn lichaam daar tot voedsel wordt voor de kringloop van de natuur en dat er dan boven zijn graf heftig wordt gevreeën.
Kemp verwijst met dat laatste naar het Maastrichtse stadspark, dat onder andere figureert in zijn monu-mentale gedicht De Namiddag van een Stille Katholiek, waar hij zinnelijkheid verbindt met religie en waarin hijzelf optreedt met het dubbele masker van burgerman en faun. Er is veel gegist naar de betekenis van het woordenpaar ‘stille katholiek’. Kemp zelf maakt ergens de vergelijking met het begrip ‘stille weldoener’. Het heeft niets te maken met heimelijkheid of stiekem gedoe, maar eerder met discretie. Misschien bedoelt Kemp eigenlijk dat hij niet graag te koop loopt met zijn diep gewortelde, maar zo complexe religiositeit. De stille katholiek is vooral een stil water met diepe gronden. ●

Naar aanleiding van Kemps 50ste sterfdag is er in het Maastrichtse Bonnefantenmuseum een tentoonstelling, De hand van Pierre Kemp, Studies, schetsen, werken op papier (nog te zien tot en met 7 januari 2018, www.bonnefanten.nl). Wiel Kusters en Ingrid van Wijk maakten een bloemlezing uit zijn werk onder de titel Het regent in de trompetten (Vantilt, 176 blz., € 19,95). De biografie Pierre Kemp. Een leven door Wiel Kusters verscheen in 2010 bij Vantilt (742 blz., € 19,95).

Login om meer te lezen
Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

Volzin Schrijfwedstrijd 2017

volzin schrijfwedstrijd

Dank aan allen voor uw inzendingen! Er zijn 112 essays ingezonden waar de jury zich momenteel over buigt. De deelnemers ontvangen uiterlijk 1 december bericht over de uitslag. De winnende essays zullen verschijnen in het eerste Volzin-nummer van 2018.