FacebookTwitterLinkedIn
vrijdag, 06 October 2017 09:06

Nick Cave

Nick Cave Nick Cave Tekst: Tom Engelshoven Beeld: Hollandse Hoogte

Het levensverhaal van Nick Cave, de inmiddels zestigjarige Australische zanger, getroffen als zoon, maar decennia later nog veel harder als vader, leest als een bijbelse vertelling over een weerbarstig individu dat in zijn persoonlijke leven en in zijn artistieke werk de worsteling aangaat met God, die zich uiteindelijk van Zijn meest wrede kant laat zien. Mede vanwege die worsteling beschouwen velen Cave inmiddels als een eigentijdse psalmdichter van hoog niveau. Anderen waarderen juist de duivelskunstenaar die hij vooral is in het eerste gedeelte van zijn carrière, die begint aan het eind van de jaren zeventig. Eerst in Australië en al snel in Europa waar hij zich vestigt, om precies te zijn in Londen en Berlijn, met zijn bands The Birthday Party en later The Bad Seeds. Eerstgenoemden breken veelzeggend genoeg door met het album Prayers On Fire (Brandende Gebeden). Als kind was hij koorknaap: “Ik ben anglicaanse opgevoed. Dat stelt als religie eigenlijk nauwelijks meer iets voor. Een lamlendig soort van zondagsgrap, meer is het niet. Ik zat op het kerkkoor en gedurende een jaar of zeven ging ik drie, vier keer per week naar de kerk om te zingen.”

Morbide fascinatie
In Europa leren we hem kennen als een tierend, snerend en briesend aan heroïne verslaafd Beest. Een diabolische slungel met vuurspuwende ogen, een sardonische tronie én bariton plus een woest getoupeerde vleermuiscoupe. Steevast gehuld in het strakke pak van de doodgraver jaagt hij schrik aan met zijn podiumact van een dolgedraaide donderprediker. In deze onheilspellende begindagen noemt hij zichzelf onder andere Nick The Stripper en Black Crow King (Zwarte Kraaienkoning: ’De koning van helemaal niks’). Hij bezingt nihilisme, moreel verval en Het Kwaad.
Zijn concerten zijn ware helletochten, waarbij hij diep afdaalt in de meest duistere krochten van het menselijke brein. Hij bedient zich daarbij vaak van een verwrongen versie van de blues, de muziek van het lijden van de zwarte slaven uit de zuidelijke staten van Amerika. Weergaloos kruipt hij in de huid van de oude blueszanger Blind Lemon Jefferson, die op de tast, met zijn stok, door de eeuwige, Godverlaten duisternis gaat. “Hier komt de trein des Oordeels, stap aan boord!” zingt Cave er bezwerend bij. Een morbide fascinatie voor moord en het brein van de moordenaar leidt tot zijn grootste toenmalige successen. The Mercy Seat is een gruwelijk nummer over een veroordeelde op de elektrische stoel (“Ik denk dat mijn hoofd in brand staat”), vol overduidelijke verwijzingen naar de Bijbel (Leviticus 16,11–19). Het couplet luidt: “Oog om oog, tand om tand, ik heb de waarheid verteld en ik ben niet bang om te sterven.” In zijn galgenmaal, een bord soep, ziet de veroordeelde het gezicht van Jezus.
Ook is er de bijna romantisch getoonzette hit Where The Wild Roses Grow. In duet met popzangeres Kylie Minogue dringt Nick door tot de ziel van een vermoord meisje, dat ligt te ontbinden in haar graf. Maar ook tot de ziel van haar moordenaar: “Ik kuste haar vaarwel en zei: Alle schoonheid moet sterven.” Het liedje staat op het album Murder Ballads uit 1996, waarbij Cave indertijd nogal controversieel betoogt dat ook het plegen van een moord een artistieke daad is.

God oproepen
Zijn carrière neemt een nieuwe wending vanaf het album The Boatman’s Call. ‘Een verzameling ballades met de bijbel binnen handbereik’, zo wordt deze plaat uit 1997 ook wel treffend getypeerd. De albumtitel wordt doorgaans geïnterpreteerd als ‘de roep van Jezus’. Het kan echter ook de lokroep van heroïne betreffen; Cave zal hierna snel afkicken. “Ik probeer in het reine te komen met mijn eigen spiritualiteit”, zegt hij over deze plaat. “Ik denk dat ik in God geloof, ik lees de Bijbel en ik ben geïnteresseerd in het leven van Christus. Ik vraag me af of dit voldoende is om de wonden te helen die ik steeds oploop door de manier waarop ik leef, met name in mijn relaties tot anderen.
Onze humaniteit is machtiger dan ons geloof, tenminste in mijn geval.” Op de vraag of hij nog gelooft in de trits seks, drugs en rock & roll: “Ik heb seks gedaan, ik heb drugs gebruikt en ik maak rock & roll. Als je jong bent haal je uit jezelf het best door jezelf naar de klote te helpen.” Tieners en twintigers die zich serieus bezig houden met ‘het wezen van God’ baren Nick Cave pas echt zorgen. “Je moet jezelf eerst een paar jaar door de goot slepen om bij dit soort denkbeelden uit te komen.” Bij Cave maakt geloven in hoge mate deel uit van het creatieve proces, getuigen uitspraken in deze tweede, volwassen fase van zijn loopbaan. “Mijn belangrijkste motivatie als kunstenaar is het oproepen van God door middel van het liefdeslied. Als je je bezig houdt met verbeelding en creativiteit is het niet moeilijk om in een God te geloven. Maar ik heb met geen enkele religie te maken en ik heb nooit platen willen maken die een religieus gezichtspunt verkondigen.” Ook zegt hij: “Natuurlijk twijfel ik aan het bestaan van God. Ik wantrouw iedereen die dat niet doet. Maar ik ben een gelovige. Ik geloof in de goddelijkheid van alles. Mensen kijken volgens mij op de verkeerde manier naar God. Ze denken dat God er is om hen te dienen. Het is andersom. God is geen kosmische liftbediende die je kunt oproepen om je zaakjes voor je te regelen. We moeten beseffen dat God ons het talent heeft gegeven om zelf onze eigen zaakjes te regelen.” Over die twijfel: “Geloven in God tart elke logica, het is absurd. Daar is geen discussie over mogelijk. Intuïtief voel ik dat het uit het hart komt, uit een magische plek. Soms voel ik mij dicht bij God, soms helemaal niet. Dat laatste zag ik eerst als falen, nu als een teken van kracht, zeker als je het vergelijkt met hoe fanatiekelingen God aanhangen. Twijfel is een essentieel onderdeel van het geloof.”

Warmer en milder
Steeds vaker sijpelt in zijn volwassen werk mededogen door met het treurige lot van de mens, alsof in zijn oeuvre de invloed van het Nieuwe Testament die van het Oude Testament wegduwt. “Het brute geweld van het Oude Testament inspireerde me, de verhalen en de grote gebaren. Maar ik liep niet rond in razernij, denkend dat God een god van haat is. Van lieverlee werden mijn gevoelens voor de wereld een tikje warmer en milder, in die tijd begon ik het Nieuwe Testament te lezen.” De duistere cadans van de blues verlaat hem nimmer, maar wordt steeds vaker aangevuld met pianoballads, cabaret à la Brecht en Weill en eigenzinnig georkestreerde pop.
Hij had al eens – jubelend én sardonisch – Let Love In (Laat de liefde toe) gezongen. Nu komt hij tot afgrijzen van zijn oude fans op de proppen met God Is In The House (In dit huis is God aanwezig). Noem dit gerust vloeken in de kerk van de alternatieveling! De voormalige junk ontpopt zich tot een heer van stand in maatkostuum. Met ijzeren discipline werkt hij in zijn kantoor aan teksten, muziek, romans en filmscripts. Hij is een workaholic: “In de Bijbel staat dat zelfmoord een doodzonde is, omdat het een verspilling van menselijk leven is. Ik denk dat we uiteindelijk zullen worden beoordeeld op hoezeer wij onze mogelijkheden hebben gebruikt. Niet op goed en kwaad in christelijke zin, maar op verspilde tijd.” Ook verklaart hij: “Vanaf mijn vijfendertigste is alle neiging tot het kwaad uit mijn leven verdwenen.”
Huiselijk geluk is zijn deel. Samen met zijn vrouw, het Britse ex-fotomodel Susie Bick, woont hij in het Britse Brighton. No More Shall We Part is de veelzeggende titel van een album uit 2001. Wij gaan nooit meer uit elkaar. Ze krijgen een tweeling, Arthur en Earl. So far so good.

Onmetelijke krater
God, zo Hij bestaat, levert Cave een immense rotstreek door hem zeker twee beproevingen van bijbelse proportie op te leggen. De kunstenaar die denkt een gapend gat in zijn ziel te vullen door het menselijk tekort om te smeden tot Grote Kunst komt bedrogen uit. Het gat in de ziel van Nick Cave ontstaat wanneer hij – nog in Australië – op zijn negentiende zijn vader verliest bij een auto-ongeluk. Zijn strenge vader die Engelse literatuur doceert, hem Nabokov en Faulkner leert kennen en door hem hogelijk wordt bewonderd.
Bijna veertig jaar later – alle tussentijdse inspanning, heroïneverslaving en artistieke prestaties, honderden songs en duizenden concerten ten spijt – vergroot God dit gat tot een onmetelijke krater, wanneer Arthur Cave, de vijftienjarige zoon van Nick Cave en Susie Bick, op 14 juli 2015 vlakbij zijn ouderlijk huis met LSD in zijn bloed van een krijtklif stort en sterft. Het ergste wat een ouderpaar kan overkomen. Arthur laat zijn tweelingbroer Earl achter. Om het navranter te maken luidt de titel van een van Cave’s meest beroemde albums The Firstborn Is Dead (uit 1985). Een referentie aan Jesse Garon Presley, de doodgeboren tweelingbroer van de iconische Elvis Presley die in het werk van Nick Cave mythische proporties krijgt toebedeeld, met name vanwege zijn tragische verval en neergang. Ander pijnlijk detail: een jaar voor Arthurs dodelijk val verkondigt vader Nick in de aan zijn leven gewijde film 20.000 Days On Earth nog dat kinderen tegenwoordig veel te beschermd worden opgevoed. In zijn tijd sprong hij met zijn vriendjes vlak voor de trein arriveerde van de spoorbrug het water in. We leren onze kinderen niet meer omgaan met gevaar, zegt hij daar. Al even navrant is nu The Weeping Song, een rouwlied dat Cave al in 1989 schreef, een samenspraak tussen de mens en God, tussen de zoon en de vader. “Vader, waarom huilen alle kinderen? Ach, zoon, ze huilen maar wat. Huilen ze echt zomaar, Vader? Ja, het echte huilen moet nog komen.”

Rauwe monumenten
Herfst 2016, ruim een jaar na Arthurs dood, logenstraft Cave hen die voorspelden dat hij nooit meer muziek zal maken met een album (Skeleton Tree) en een film (One More With A Feeling) over het maken van dat album. Allebei grootse, rauwe monumenten van rouwverwerking, behorend tot de meest indrukwekkende art funéraire uit vijftig jaar popcultuur. Verplichte kost voor wie onaanvaardbaar verlies van een dierbare een plek poogt te geven. Voor het verdriet over het verliezen van je kind zijn geen woorden: de gelouterde woordkunstenaar Cave, die zichzelf ooit omschreef als een “zielenvanger voor God, met het woord als mijn vlindernetje”, staat letterlijk met zijn mond vol tanden. We zien hem in de film stamelend, nauwelijks in staat zijn gevoelens te articuleren. De waardigheid waarmee zijn vrouw Susie Bick het ondragelijke probeert te dragen, snoert de toeschouwer de adem. Moeizaam, vlak voor de tiende tel die de knock- out definitief had gemaakt, richt Cave zich toch weer op na Gods uppercut. Wankel op zijn benen als een groggy en zwaar aangeslagen bokser, maait hij om zich heen in een gitzwarte duisternis. Die van Blind Lemon Jefferson is er niets bij. Skeleton Tree opent met het nummer Jesus Alone. Jezus komt er niet in voor, de titel lijkt te willen zeggen dat de pijn van wie zijn kind verliest zich laat vergelijken met die van Jezus aan het kruis, door God en iedereen verlaten. “Je gelooft in God, maar voor dit geloof krijg je nu geen speciale dispensatie”, zingt hij. “Voor je schepper ben je een verre herinnering, snap je?” In het nummer Distant Sky zingt hij: “Ze zeiden dat onze goden ons zouden overleven, maar ze logen.”

Login om meer te lezen
Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

Volzin Schrijfwedstrijd 2017

volzin schrijfwedstrijd

Dank aan allen voor uw inzendingen! Er zijn 112 essays ingezonden waar de jury zich momenteel over buigt. De deelnemers ontvangen uiterlijk 1 december bericht over de uitslag. De winnende essays zullen verschijnen in het eerste Volzin-nummer van 2018.