dinsdag, 12 September 2017 11:19

Harry Kuitert (1924-2017): ‘Nee, nee, nee, ik geloof niet in God’

Harry Kuitert (1924-2017): ‘Nee, nee, nee, ik geloof niet in God’ Tekst: Jan van Hooydonk Beeld: Stijn Rademaker

“God is een gedachte van mensen.” Met dit inzicht bevrijdde Nederlands best verkopende en meest omstreden theoloog Harry Kuitert zichzelf van “een hoop trammelant en gespletenheid”, zo zei hij in 2011 in Volzin. Het geloof in hemel en hiernamaals had de toen 86-jarige godgeleerde verlaten. Maar: “ Vrede krijgen met mijn eindigheid: dat is wat ik op dit moment doe en ook kan. En tegen de tijd dat ik ga sterven, denk ik dat ik er ook wel aan toe zal zijn. Dan vecht je niet meer tegen de dood, maar je denkt: het is goed geweest, laat maar.”

“Of ik na dit boek nog aan een nieuw boek begin? Ik wil in ieder geval niet niets doen. Dat kan ik niet, daar word ik ziek van. Maar eerst heb ik nu een stapel Engelse gedichten klaarliggen om te vertalen. Ook dat vind ik prachtig werk! Het zou dus zo maar kunnen zijn dat dit boek mijn geestelijk testament is. In ieder geval plaats ik hiermee mijn handtekening onder alles wat ik tot nu toe geschreven heb. Hier sta ik voor. Hier ga ik niet voor uit de weg.”
Alles behalve kennis’ luidt de titel van het lijvige boek van theoloog Harry Kuitert dat deze week verscheen. Een boek zoals zijn lezers van hem gewend zijn: de ingewikkelde materie wordt glashelder uiteengezet, er is moeilijk een stok tussen te krijgen en wie anders denkt dan de auteur krijgt te horen dat hij ‘niet logisch’ denkt en wordt met milde spot terechtgewezen. ‘Afkicken van de Godgeleerdheid en opnieuw beginnen’, dat is wat de 86-jarige auteur – Nederlands best verkochte, maar ook meest omstreden theoloog – volgens de ondertitel met dit boek beoogt.
Niet van kennis
Theologie levert kennis op over ‘een wezen genaamd God’. Zó hebben de godgeleerden het de eeuwen door gezien. En zo zien de meesten van hen het nog steeds. Maar die gedachte klopt niet, zegt Kuitert. “Alle spreken over Boven komt van Beneden, ook de uitspraak dat het van Boven komt”, aldus de beroemde oneliner waarmee hij reeds jaren terug de centrale idee achter zijn visie op de christelijke geloofsuitspraken verwoordde. Nu trekt hij de consequentie voor de theologie: die levert geen kennis op over God als ware God een realiteit buiten ons, maar informeert over wat mensen over zichzelf denken en zeggen wanneer ze over God spreken.
Nog zo’n stelling waarover de theologen het altijd eens zijn geweest: “Kennis gaat over wat bestaat, anders noemen we het fictie.” Dus meenden ze dat God bestond, want ze hadden er kennis van. Kuitert kwam een tijd geleden al tot precies de tegenovergestelde gevolgtrekking: ‘God is niet van kennis, maar van verbeelding.’ Hij weet nog precies wanneer. “Dat was in 2000, toen ik voor het boek Kennismaken met Kuitert een interview met mezelf schreef. Ik zette mijn gedachten nog eens op een rij en stootte daarbij op iets wat ik me van tevoren nooit gerealiseerd had: Van alle christelijke leerstellingen mocht je zeggen dat het tijdgebonden voorstellingen zijn die mensen van hun geloof maken. Maar waar ik tot dan toe geen vraag bij gesteld had, was het idee van God zelf. Dat is vandaag voor de meeste gelovigen nog zo: Schepping, zondeval, zoon van God, al die leerstukken mag je als christen met een korrel zout nemen, maar van de idee daarachter moet je afblijven. Toen, in 2000, dacht ik voor het eerst: maar waar komt God eigenlijk vandaan? Die is toch niet zo maar uit de hemel komen vallen? Ik ging steeds verder terug in de geschiedenis van de godsdiensten en kwam tot de conclusie: eerst waren er mensen, toen religies en goden, en toen was er God. Anders gezegd: God is een gedachte van mensen. Ik vind dat nog altijd een zeer bevrijdend inzicht. Dit inzicht verloste me van een hoop trammelant en gespletenheid. Het bezorgde me een onbevangen blik tegenover de werkelijkheid om ons heen. In mijn ogen is dat iets wat veel godsdienstige mensen missen. Ze moeten kijken met de bril die ze opgezet gekregen hebben.”
Een onbevangen blik dus. Of is het wellicht zo dat Kuitert de christelijke bril simpelweg vervangen heeft door een andere? Met als resultaat een ander soort bevangenheid. Die suggestie wijst hij resoluut van de hand: “Zegt u me maar: welke dan? Nee, ik heb geen andere bril opgezet. Een mens beschikt over een veelheid van gezichtspunten waarmee hij naar de werkelijkheid kijkt, en die gezichtspunten veranderen ook nog eens naarmate je ouder wordt. Een mens denkt niet vanuit één centraal gezichtspunt. Bij mij is dat in ieder geval niet zo.”

Liever kappen
Even resoluut is hij in de afwijzing van de kritiek dat hij God in het denken opgesloten heeft, dat er boven ons denken uit wel degelijk een werkelijkheid kan bestaan die de mensen God noemen. Al denkende stuiten we toch op de grenzen daarvan? Op die tegenwerping heeft hij ‘een simpel antwoord’: “Wat ons denken te boven gaat, denken we niet. Meer dan ‘denksels’ – dat woord is van de filosoof L.M. de Rijk – hebben we in onze kop niet tot onze beschikking. Ook de suggestie dat er voorbij of achter het denken ‘iets’ is, is dus een denksel. Het zijn altijd weer mensen die dat zeggen. Mensen mogen van mij ‘alles’ geloven, maar het is daarmee gesteld zoals ik met de titel van mijn boek aangeef: geloven is alles, maar wel: alles behalve kennis.”
Klaas Hendrikse gaf zijn geruchtmakende boek de titel mee ‘Geloven in een God die niet bestaat’. De predikant werkt daarmee een misverstand in de hand, meent Kuitert. Hendrikse houdt ten onrechte aan God vast als een centraal oriëntatiepunt. Zelf gelooft hij niet in God, ook niet in eentje die niet bestaat. Stellig: “Nee, nee, nee, ik geloof niet in God. Als het gaat over ‘een wezen genaamd God’ met alle eigenschappen die daaraan toegedicht worden, zeg ik liever: kappen! Ik geloof niet in God, maar ‘ik geloof in ménsen’, heb ik ooit voor de NCRV gezegd. (Die zeggen dat nu zelf ook). Waarom? In mensen zit eigenlijk het enige grote raadsel dat ik mij kan bedenken: mensen kunnen hun leven onder woorden brengen. In het bijbelse taalgebruik heet dat: scheppen. ‘In den beginne was het woord en het woord was bij God en het woord was God’, zegt het Johannesevangelie. Het zijn ménsen die dat woord spreken. Daarom zeg ik: niet God is het woord, maar het woord is God. Mensen scheppen met hun woorden zichzelf en hun wereld.”
Geen gelovige dus, maar nog wel christen? “Een seculiere christen dan”, antwoordt hij. “Ik houd van het christendom het belangrijkste over, namelijk alles wat het christendom aan humanitaire cultuur gebracht heeft en nog brengt. Dat wil ik graag in stand houden en daar vecht ik voor. Maar ik vecht niet voor leerstellingen. Die hoeven niet. Al die zogeheten waarheden leiden alleen maar tot oorlog. Pas wanneer het absolute uit de godsdienst verdwijnt, is de oorlog afgelopen en zijn mensen veilig.”

Genadeklap
Kuiterts marsrichting is en blijft: van beneden naar boven. Een godgeleerde die daar radicaal anders over denkt, is Karl Barth (1881-1968). Geen theoloog krijgt in Alles behalve kennis dan ook zoveel bladzijden toegemeten als Barth. Een derde van het boek handelt over hem. “Een uiterst interessante man”, oordeelt Kuitert over de Zwitser die door velen beschouwd wordt als de grootste theoloog van de twintigste eeuw – misschien nog wel van meer eeuwen, als we zijn volgelingen mogen geloven. “In Karl Barth bereikt de protestantse theologie haar culminatiepunt, maar slaat ze ook over de kop en krijgt ze de genadeklap.”
‘Genadeklap’, Kuitert permitteert zich hier een grapje. Want inderdaad: als geen ander voor hem beklemtoont Barth de genade. Niet mensen zoeken God, zegt Barth, maar God zoekt mensen. God openbaart zich in zijn Woord aan mensen als een genadige God; mensen zijn door God al gevonden, of ze Hem nu zoeken of niet. Kuitert: “Het eigenlijke verraad van de mens bestaat er voor Barth in dat je als mens zelf op pad gaat.” Zie daar waar de theologie-van-boven-naar beneden toe leidt: “Barth schakelt de mens uit, hij loopt de mens overhoop.” Barth schreef er een meter over vol. Kuitert heeft diens Kirchliche Dogmatik nog eens ‘met plezier’ gelezen. En bleef met de levensgrote vraag zitten: Hoe weet Barth dit allemaal zo precies? Het antwoord moet volgens hem wel zijn dat “Barths denken over God volgens Barth zelf kennelijk niet het denken van Barth is maar het denken van God in Barth”. Met als kwalijke consequentie: wie het oneens is met Barth, is ongehoorzaam aan het Evangelie.
Barth heeft grote invloed gehad binnen de protestantse kerken, ze zijn nog altijd niet van zijn erfenis af. De gevolgen zijn ernaar. “De kerk acht zich op grond van Barth ontslagen van de plicht om haar opvattingen en gedragingen tegenover de buitenwacht te verantwoorden. God hoeft en kan immers niet verantwoord te worden, leert Barth. Maar wie zich niet meer verantwoordt, wordt een betweter eerste klas. Gelovigen die zo denken, worden arrogant. ‘De kerk heeft een woord voor de wereld’, zeggen ze. Wat ze niet zien dat de kerk zelf een deel van de wereld is, een historische grootheid en niet van bovenaf gedropt.”
Betekent deze kritiek dat Kuitert de kerk geheel afschrijft? Dat toch niet. Maar het liefst ziet hij kerken omgevormd tot zingevingscentrum en afkickcentrum. “Ik bedoel daarmee dat mensen in de kerk hun toevlucht mogen zoeken als ze in de knoop komen met het verlies van waarheden. De kerk zou hen kunnen helpen om af te komen van de verslaving aan geloof als kennis. Heel pastoraal dus.”
Het is al gezegd: zelf heeft Harry Kuitert het verlies van de oude zekerheden vooral als bevrijding ervaren. Niettemin kent hij heel wat mensen voor wie het afleggen van het oude geloof, om met de dichter Jan Eijkelboom te spreken, niet alleen neerkwam op het uitdoen van een jas, maar ook van hun huid. Zulke mensen gaan hem zeer ter harte. “Dat is iets dubbels in mij. Je wilt de mensen voor die pijnlijke ervaring bewaren en tegelijk haal ik ze onderuit. Ik kan daar weinig aan veranderen. Ik ben als wetenschappen niet ingehuurd om iedereen naar de mond te praten.”
Hoe lang de kerk nog zal duren? Hij weet het niet. Reeds is er een generatie opgegroeid die van geloof en kerk weinig meer weet. En de volgende generatie zal nog minder weten. “Mijn dochter vraagt me dan: ‘vind je dat erg?’. Nee, dat vind ik helemaal niet erg. Ik wil weten waar mijn kinderen en kleinkinderen voor staan. Ik zie dat ze staan voor inspringen voor elkaar en voor rechtvaardigheid. Als ze dat in hun vaandel voeren, ben ik heel blij dat ze zo door het leven gaan.”

Grafschrift
“Wij hebben als christenen verleerd met de dood in het reine te komen. We gokken immers op het eeuwige leven”, analyseert Kuitert. Het geloof in hemel en hiernamaals heeft hem verlaten. Der dagen zat is hij intussen nog allerminst. Hij zegt het de Prediker – zijn favoriete bijbelboek - na: “Ik ben er nog, ik kan niet alles hebben, ik ben verheugd dat ik de lucht opsnuif.” Van de dichteres Emily Dickenson heeft hij geleerd dat sterven maar even is. “De eigenlijke dood zijn eerder de angsten die je hebt voor je dood gaat. Ik probeer daar mee in het reine te komen. Vrede krijgen met mijn eindigheid: dat is wat ik op dit moment doe en ook kan. En tegen de tijd dat ik ga sterven, denk ik dat ik er ook wel aan toe zal zijn. Dan vecht je niet meer tegen de dood, maar je denkt: het is goed geweest, laat maar.”

‘Hij is een God van levenden, niet van doden.’ Bij een vorig gesprek, in 1999, vertrouwde Harry Kuitert me toe deze tekst wel op zijn grafsteen te willen hebben. Nu zegt hij: “ Ash to ashes. Als ik op de brandstapel kom, blijft er een beetje as van me over, that’s all.” Op zijn graf hoeft geen grafschrift. Maar op het graf van zijn dochter – “zij werd ons in 1984 op 26-jarige leeftijd ontfutseld. Ik zie nog altijd die stralende jonge vrouw voor me” – heeft hij wél een tekst laten beitelen. Van de dichter Achterberg: ‘God werd van haar de gemakkelijke vinder en dat gezelschap zal voor eeuwig zijn’.
Die woorden geven hem troost. Zoals zoveel ‘christelijke dingen’, de psalmen niet in de laatste plaats, hem troost geven. “Poëzie! Poëzie! Daarin ontmoet je de kracht van de taal. De kracht van de taal hoort bij het wonder van het mens-zijn. Het is de taal die het doet. Poëzie schept een ander soort waarheid dan kennis. Geloven is ook: onder de indruk zijn van verbeelding. What makes Sammy run? Dat zijn toch onze voorstellingen.”

Dit interview verscheen eerder in Volzin van 14 oktober 2011.

Login om meer te lezen
Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

Volzin Schrijfwedstrijd 2017

volzin schrijfwedstrijd

Dank aan allen voor uw inzendingen! Er zijn 112 essays ingezonden waar de jury zich momenteel over buigt. De deelnemers ontvangen uiterlijk 1 december bericht over de uitslag. De winnende essays zullen verschijnen in het eerste Volzin-nummer van 2018. 

Social media

FacebookTwitterLinkedIn