dinsdag, 08 September 2015 13:55

‘Geloof is uiteindelijk toch een lovestory’

Tekst: Theo van de Kerkhof. Beeld: Jedi Noordegraaf Tekst: Theo van de Kerkhof. Beeld: Jedi Noordegraaf

Twaalf gewrichten waarmee een lichaam kan lopen. Zo omschreef Jozef Wissink ooit de apostolische geloofsbelijdenis, oftewel ‘de twaalf artikelen van het geloof’. Vandaag bijt hij de spits af in een nieuwe interviewserie over het credo: Waar gaat het om in deze klassieke, kernachtige samenvatting van het christelijk geloof? En wat heeft de tekst ons nu te vertellen?

‘Tijdens een retraite voor zusters moet ik wel eens een gedicht of een liedtekst uitleggen. Een enkele keer ontdek je dan dat zo’n tekst daar eigenlijk niet tegen bestand is: hij brokkelt. Bij een goede dichter ervaar je meestal het omgekeerde. De tekst wordt sterker als je er aandacht aan schenkt. Dan zie je: dit is een verdomd goed gedicht. Zo is het ook met de geloofsbelijdenis. Hoe meer ik erop studeer, hoe meer ik besef om wat voor een klassieke tekst het hier gaat.” Jozef Wissink is priester en emeritus hoogleraar praktische theologie aan de Tilburg School of Theology. Voor het tijdschrift In uw midden schreef hij twaalf korte beschouwingen over de apostolische geloofsbelijdenis. De juiste persoon dus om de aftrap mee te doen voor een nieuwe interviewserie, over het credo.

Gebruikstekst

De apostolische geloofsbelijdenis, het credo, oftewel ‘de twaalf artikelen van het geloof’, is een van de drie gezaghebbende belijdenissen van het christendom, naast die van Athanasius en de geloofsbelijdenis van Nicea-Calcedon. In de oostersorthodoxe kerken is die laatste het meest gezaghebbend. In de Latijnse (westerse) kerk staat de apostolische bovenaan. Het credo is een gebruikstekst voor de liturgie. Hij is eenvoudiger dan de twee andere geloofsbelijdenissen die meer het resultaat zijn van dogmatische twisten. Wissink: “De Nicea-tekst is nog wel te zingen, maar die van Athanasius (die overigens niet van de vierde-eeuwse kerkvader zelf is) is veel meer een theologisch traktaat.” Wie de auteur is van de apostolische geloofsbelijdenisis onbekend. Het is een anoniem product waarschijnlijk van Romeinse oorsprong. “Misschien gemaakt door een bisschop van Rome of door een liturgische werkgroep avant la lettre.” Hoewel de tekst in zijn huidige vorm pas sinds de achtste eeuw bekend is, gaat de oerversie terug tot de tweede eeuw.

“Hippolytus van Rome (170-235) maakt al melding van een belijdenis die erg op het Apostolicum lijkt.” “Waarschijnlijk werd de tekst oorspronkelijk gebruikt in de doopliturgie. De (volwassen) dopeling wordt gevraagd om de essentie van het christelijk geloof te beamen. Een afgevraagde belijdenis dus: ‘Geloof jij in God, de almachtige Vader? Waarop de dopeling dan antwoordt: ‘ja, ik geloof’. Dat verklaart tevens het opmerkelijke gegeven dat de tekst in de eerste persoon gesteld is: ‘Credo – Ik geloof’, terwijl het toch de weergave is van wat de gemeenschap belijdt. In die zin was ‘Credimus – Wij geloven’ voor de hand liggend geweest. Maar nee, ‘Ik geloof’. En zo bidden we het nog steeds als we in de paasnacht gezamenlijk ons geloof belijden. Ik vind die dubbelheid wel mooi. De tekst zegt waar wij als gemeenschap aan hechten. En tegelijk is de daad van het beamen persoonlijk, dat kan niemand van je overnemen.”

Vreemde tekst

Maar waarom zou je vasthouden aan zo’n oude vreemde tekst? Kunnen we niet beter in hedendaagse taal zeggen wat we als christenen geloven? Wissink: “Dat moeten we zeker óók doen, maar bronteksten zijn, net als de Bijbel, toch de teksten waarin een gemeenschap haar kern bewaart. Zo onthouden wij onze oorsprong. En juist in die vreemdheid kunnen dingen verscholen liggen die wij nu misschien over het hoofd zien. Je hebt een ijkpunt in handen. Iedere tijd kan zich afvragen ‘hebben we alles nog. Of zijn we onderweg iets kwijtgeraakt?’” Een brontekst dus, een bondige samenvatting van wat de christenheid gelooft. Wat is dat geloof dan dat zo kernachtig in het credo vervat ligt? Het credo, zegt Wissink, is geschoeid op de leest van de drie-ene God: Vader, Zoon en Geest. Het is een compacte tekst die niet alles van het geloof expliciet benoemt, maar waarin alles wel geïmpliceerd ligt. Achter ieder woord gaat een wereld schuil. “Op een bepaalde manier probeert de tekst alles te vatten en tegelijkertijd wordt het meeste goed im Frage gelassen. En zo hoort het ook in de beste traditie van de negatieve theologie.”

Lovestory

Wissink loopt een aantal aspecten langs; opent hier en daar een luikje naar die wereld achter de woorden. “In geloofstaal zit een dubbelheid: we drukken erin uit wat ons gegeven is, hoe het leven zich aan ons voordoet. Maar tegelijk zeggen we daarmee wie we zelf zijn. Allereerst zeggen we dat we gelovige mensen zijn. Dat is meer dan zeggen ‘God bestaat’. We zeggen dat we naar God toe willen leven.” “Als christenen over God spreken, dan bedoelen ze die van Jezus van Nazareth. En daaraan zit weer heel de geschiedenis van Israël vast. Jezus vertaalt in mens-zijn wat God ‘op zijn godst’ is, zeg ik wel eens. Geloof is uiteindelijk toch een lovestory. Er is ons de liefde verklaard. Dat vraagt ook iets van ons: wij worden uitgedaagd om op dat niveau van liefde te leven. En als we dat doen, zo beseffen we, is dat niet alleen een prestatie van onszelf. Nee, ik ben daartoe geïnspireerd: Hij trekt. Dat is het aspect vande Heilige Geest.”

Login om meer te lezen
Log in om reacties te plaatsen

Doorzoek de website

Volzin Schrijfwedstrijd 2017

volzin schrijfwedstrijd

Dank aan allen voor uw inzendingen! Er zijn 112 essays ingezonden waar de jury zich momenteel over buigt. De deelnemers ontvangen uiterlijk 1 december bericht over de uitslag. De winnende essays zullen verschijnen in het eerste Volzin-nummer van 2018. 

Social media

FacebookTwitterLinkedIn

Agenda