Zieltogend

In het kader van de Maand van de Filosofie ging ik ’s morgens vroeg met een klapstoeltje naar het Smakkelaarsveld. Daar, vlakbij het Utrechtse station, is de afgelopen twee jaar in de zoveelste poging de stad te ontwrichten een ware verkeersjungle gecreëerd, die een prachtige kijk op onze samenleving biedt. In de ochtendspits telde ik veertig scheldpartijen, zeventien bijna-botsingen en drie echte. Over smalle fietspaden zwermen duizenden fietsers en scooters tussen de auto’s door, die vrij baan hebben hoewel er honderd fietsen op één auto zijn. Bij de stoplichten nemen op beide rijstroken van het fietspad aan weerszijden acht rijen dik de matadoren plaats om zich bij groen licht vol doodsverachting op de rechterrijstrook te storten. Ik zag een kind de stalling ingereden worden, ik zag een scooter zichzelf katapulteren over een stoeprand, ik zag een racefietser die met 50 km per uur zich voor een auto wierp die slechts door een noodstop een botsing kon ontwijken. De automobilist kreeg een scheldpartij naar zijn hoofd. Een stoplicht verder kregen tal van brave roodwachters een middelvinger van mensen die het avontuur op het asfalt wel aandurfden. Chauffeurs van stadsbussen verhoogden de feestvreugde door op het gas te trappen wanneer een vermetele fietser voor hen opdoemde.
Na twee uur luwde het verkeer en had ik zin in koffie. Ik nam plaats bij de servicebalie van de elektronicawinkel die adverteert met ‘Ik ben toch niet gek?’ Daar glanst de condition humaine je tegemoet. Het verbale geweld waarmee klanten hun recht claimen, is soms verbluffend, het geduld van de zwaar getrainde medewerkers ook. Eén man was er naar eigen zeggen voor de zesde keer met dezelfde klacht en wilde reis- en parkeerkosten vergoed hebben omdat hij telkens met de auto uit Maarssen kwam. Hij herhaalde deze eis een keer of twintig, wilde met Sony in Japan bellen en bond pas in toen een beveiliger hem tot andere gedachten bracht. Een schuimbekkende vrouw moest daadwerkelijk worden afgevoerd omdat zij een tik probeerde uit te delen. Een man schold een kwartier lang in een taal die niemand verstond. In de gelederen der wachtenden klonk onafgebroken gezucht, ‘tjongejonge’ en ‘nee hè’.
De samenleving leek me deze ochtend eerder een zieltogend dan een bezield verband.
Willem van der Meiden


