Paradijs
WEBkl.jpg)
In mijn tuin bladeren harkend, dacht ik nog weer eens na over het paradijs.
Niet dat ik denk dat mijn tuin het paradijs is, maar in zekere zin, als je op een mooie herfstochtend blad staat te harken, en de verten zijn lichtblauw en wazig, en het ruikt naar eikeltjes, en de vogeltjes, en de kleuren, en enzovoort, nu ja, dan denk je wel eens: ik heb het toch enorm getroffen. Geen wonder dat ik hier graag wilde wonen. Waarom besef ik dat toch niet elke dag?
Maar tegelijkertijd denk ik: was het niet beter, of paradijselijker, toen ik hier nog niet woonde, maar nog gedeeltelijk elders, en hier dus geregeld weg moest?
Ik dacht aan een vakantie ooit, op Kreta, waarin we elke dag met een bootje langs de kust naar een volgend dorpje voeren, waar we wandelden, aan een volmaakt strand lagen, een glaasje dronken, en dan moesten we weer terug met het bootje naar het plaatsje waar we logeerden.
Het slechts per boot te bereiken dorpje met zijn baai, zijn strand, zijn terrasje was een paradijs waar we elke dag weer tot onze spijt uit weg moesten.
Toen maakten we een fout. We verhuisden helemaal naar het paradijsdorpje. De boottochtjes vervielen, het verplichte en betreurde vertrek verviel.
En het paradijs werd een stuk minder betoverend. Veel gewoner. Zelfs wel eens een beetje saai, die lange dagen in dat kleine dorpje.
Menigeen brengt vakanties door in het paradijs, maar wie er gaat wonen en ineens de winter op het Franse platteland in een uitgestorven gehucht zit, of op een winderig, verlaten Grieks eiland, verliest nogal eens zijn aanvankelijke enthousiasme. Mensen wonen meestal niet in het paradijs. Ze komen er soms even terecht, ze zijn er ooit geweest.
Zo ook moesten Adam en Eva het paradijs uit om te kunnen zien dat het een paradijs was. Toen ze erin leefden, konden ze niet beseffen dat ze het buitengemeen goed getroffen hadden. Het paradijs bestaat bij de gratie van het verlies, van het vertrek, van de tegenstelling.
Maar misschien, dacht ik al harkend, hoeft de tegenstelling nu ook weer niet zo gróót te zijn. Misschien is een dag zon na een grauwe dag, herfst na zomer, buiten zijn na binnen zitten, al wel tegenstelling genoeg.
Of is het juist dankzij het verlangen naar tegenstellingen - in feite een vorm van onvrede - dat je af en toe een paradijs tegenkomt?
Waar is die boom der kennis?
Marjoleine de Vos


