Laatste nieuws

  • 1
  • Niet alleen het beleid, maar ook de politicus moet deugen

    Deugdelijke politiek laat zich niet via regels afdwingen, maar vraagt om politici die zich persoonlijk toeleggen op het ontwikkelen van deugden als verstandigheid, rechtvaardigheid, moed en maat houden. Integriteit is één van zwaarste begrippen waarmee we het handelen van politici en bestuurders beoordelen. Zo verweet ooit CDA-fractievoorzitter Buma toenmalig Kamervoorzitter Van Miltenburg dat zij een debat inhoudelijk stuurde. De voorzitter regeerde aangedaan en schorste even de vergadering. “Mijn integriteit werd in twijfel getrokken, dat raakte me gewoon heel erg”, zo verklaarde ze naderhand. Als een bestuurder op het gebied van dossierkennis een foutje maakt, zich verspreekt tegenover een journalist of de politieke verhoudingen in parlement, Provinciale Staten of gemeenteraad verkeerd inschat, vergeven we hem dat doorgaans. Maar een slippertje op het gebied van integriteit kost een bestuurder al snel het hoofd. Al de nodige burgemeesters, wethouders en zelfs landelijke bewindslieden zijn afgetreden vanwege bonnetjesaffaires. Het is echter onduidelijk wat ‘gebrek aan integriteit’ precies inhoudt. Wanneer ik integriteitstrainingen voor politici, ambtenaren en rechters open met de vraag naar een definitie van integriteit, zie ik vage blikken bij mensen die doorgaans toch goed uit hun woorden kunnen komen. Zelf geef ik er de voorkeur aan integriteit te omschrijven als een deugd. Behoefte aan zuiverheidIntegriteit betekent letterlijk ‘niet aangeraakt’, en van daaruit ‘zuiverheid, heelheid’. Het is intrigerend dat het woord tegenwoordig zo centraal staat. Juist in onze zogeheten postmoderne samenleving leidt de mens een versnipperd leven. Zo is er de hoog gewaardeerde scheiding tussen wat publiek is en wat privé. Maar die scheiding is niet absoluut: in veel integriteitskwesties blijkt dat gedrag in privétijd het publieke functioneren belast. Daarnaast kent het publieke leven veel waarden en verleidingen waartussen mensen moeten laveren. Zeker voor mensen die werken in grotere organisaties heten pragmatisme en flexibiliteit onmisbaar. Maar juist in zulke organisaties worden hogere eisen gesteld aan de integriteit van mensen. Waarom, zo kunnen we ons verwonderd afvragen, is het begrip integriteit opgekomen bij uitstek in die samenleving en in dat segment van de samenleving die door verbrokkeling zijn getekend? Blijkbaar heeft de hedendaagse mens in alle flexibiliteit en versnippering behoefte aan eenheid en zuiverheid. De meest voor de hand liggende manier om die eenheid en zuiverheid te bereiken is het vastleggen van minimale standaarden waaraan je moet voldoen. Het openbaar bestuur kent dan ook vele integriteitscodes. Maar, het is algemeen bekend, de kracht van regels is beperkt. Regels geven meestal aan wat er niet mag; ze trekken een streep in het zand, die iemand niet mag overschrijden. Bovendien komen veel integriteitsproblemen juist voort uit dilemma’s, waarbij op zich zo duidelijke regels met elkaar in botsing komen. Een geschenkenregeling kan botsen met goede relatie met maatschappelijke partners. Een interessante nevenfunctie kan botsen met de intrigerende regel dat de bestuurder ‘de (schijn van) belangenverstrengeling’ moet voorkomen. Het prijsgeven van vertrouwelijke informatie kan het publiek belang dienen. Eisen aan de persoonMede vanwege deze tekortkomingen is er steeds meer oog voor dat integriteit geen eigenschap is van een geïsoleerde handeling, maar eerder een persoonlijke eigenschap. Dat is direct zichtbaar in de manier waarop we omgaan met bestuurders die een morele fout hebben gemaakt. De lucht is niet geklaard wanneer de betrokkene zich voor de handeling verontschuldigt; zijn persoon is in het geding. Politieke inschattingsfouten, gebrekkige dossierkennis en versprekingen zijn handelingen die later door betere handelingen gevolgd kunnen worden. Bij integriteit gaat het om iets diepers. De gerichtheid op de persoon van de politicus is versterkt door grotere maatschappelijke ontwikkelingen. In de tijd dat ideologieën en grote verhalen heersten, werd bestuurlijk handelen beoordeeld vanuit de ideologische achtergrond. De bestuurder ‘was’ of ’stond voor’ de partij en haar gedachtegoed. Nu dat is geërodeerd, kijken we meer naar de mens achter de bestuurder. Daarnaast is er een sterke verplatting van de samenleving, waarin het gezag mensen aan de top van die instituties is afgenomen. Dit heeft onder andere tot gevolg dat de mensen die ooit aan de top van de hiërarchie stonden ons nader zijn gekomen; ze zijn menselijker geworden. Deze ontwikkeling leidt tot vormen van identificatie, van vergelijking tussen personen en tot andere vormen van beoordeling in termen van persoonlijke eigenschappen. De grotere belangstelling voor de bestuurder heeft natuurlijk risico’s; ze kan afleiden van de grote maatschappelijke kwesties. Dat neemt niet weg dat aan de persoon van de bestuurder eisen mogen worden gesteld. Welke? Daarvoor kunnen we te rade gaan bij de ethische traditie waarin goede karaktereigenschappen centraal staan, de deugdethiek. Lees meer
  • 'Je denkt toch niet dat ik met je mee terugga?'

    Koket legt Bob Dylan een hand op zijn heup en zet een ballad in. De man naast me draait zich naar me toe en vraagt of ik weet hoe laat het pauze is. “Geen idee” fluister ik, een snelle blik op hem werpend. Zijn gezicht en gestalte roepen een oude herinnering op. Ik graaf in mijn geheugen en bij de slottonen van het lied weet ik het ineens. Het is 1979 en ik werk als orthopedagoog in de jeugdgevangenis. Jan, 18 jaar, steekt schriel af bij zijn gespierde groepsgenoten. Magere benen in een te hoog opgetrokken, aangesjorde broek. Boven een schichtig hoofd een bos ontembaar rood haar. En ook nog eens kinderverkrachter. Het is genoeg voor een vrije val uit de pikorde. Hij wordt gehoond, geminacht en gepest. ’s Avonds huilt hij zich in slaap, een cassetterecorder met Dylanliedjes tegen het oor gedrukt. Zijn zaak komt voor en samen reizen we af naar een rechtbank in een kustplaats. Na afloop van de zitting zegt hij: “Je denkt toch niet dat ik met je mee terug ga? Ik smeer hem, maar misschien kunnen we nog even naar het strand.” Ik kijk hem aan, zijn fletse ogen lichten op en ik weet dat het zo zal gaan. Ik ben niet in het bezit van handboeien, een draagbare telefoon, of een diploma karate en aan argumenten heeft hij geen boodschap. Even later zitten we op het terras en kijken uit over de zilveren zee. Hij praat over zijn plannen. Morgen, volgende week, volgend jaar. Voor de gezelligheid reist hij nog een stukje met me mee terug. Op een klein stationnetje geeft hij me haastig een hand en springt de trein uit. De magere benen in de te hoog opgetrokken broek verdwijnen uit het zicht. Alleen keer ik terug naar de gevangenis. Boze blikken worden mijn deel, telefoontjes gaan uit en op de telex verschijnt een opsporingsbericht. Drie dagen later drukken de jongens opgewonden hun gezicht tegen de tralies. Daar zit Jan, opgewekt zwaaiend in een gestolen auto van een duur merk. Een dag later is hij terug. “Ach”, grijnst hij, “het viel te proberen”. De winst? Status in de groep. Zo gek nog niet. Dylan zet het swingende Things have changed in. Zou het waar zijn? “Al redt maar één jongen het”, placht de gevangenisdirecteur te zeggen, “voor die ene doe ik het”. Gek om een concertbezoek als graadmeter te beschouwen, maar zou hij naast me zitten: die ene jongen? Lees meer
  • PKN pioniert vrolijk verder, maar dekt de lading de vlag?

    ‘Pionieren’ is binnen de Protestantse Kerk in Nederland (PKN) het nieuwe toverwoord. Maar achter deze term gaan heel verschillende ervaringen, doelstellingen en inzichten schuil. De een zoekt via tarotkaarten aansluiting bij ‘nieuwe spirituelen’. De ander gaat het ‘uiteindelijk’ om God, Christus en de Bijbel. Een derde wil ‘een glansje geven’ aan het leven van ‘jonge krachtige mensen’ die haar achterban vormen. Eind 2016 moeten het er 100 zijn: pioniersplekken, vernieuwende vormen van kerk-zijn die aansluiten bij onze veranderende cultuur en die vooral gericht zijn op mensen buiten de kerk. Pionieren lijkt in de Protestantse Kerk in Nederland (PKN) de wind mee te hebben. Verspreid door het land zijn er al 37 pioniersplekken opgezet, van 19 plekken wordt de stichting voorbereid. Alleen Noord-Brabant en Limburg staan nog blanco op de kaart. Over de volle breedte van de PKN vindt de nieuwe aanpak intussen ingang. Het laatste nieuws is dat ook Op Goed Gerucht – beweging van ‘eigentijdse predikanten’ – zich met het pionieren heeft verbonden. De beweging zal betrokken worden bij het beleidswerk en bij de begeleiding van pioniers. Ook onderhoudt zij een ‘pioniersgeestnetwerk’ waarbinnen niet alleen pioniers, maar ook predikanten en kerkelijk werkers hun ervaringen met de nieuwe aanpak delen en zoeken naar theologische verdieping. Gezonden vanuit een lokale kerk zoeken pioniers op steeds meer plekken naar manieren om een specifieke doelgroep te bedienen. Het is niet de bedoeling dat deze doelgroep uiteindelijk netjes terugkeert in de kerkbanken. Pioniersplekken moeten zelf nieuwe kerkelijke gemeenschappen worden. Maar hoe vernieuwend is het pionierswerk? Ondergaat daarbinnen ook de geloofsinhoud een verandering? Of blijft de verandering steken in aanpassingen van de vorm en is het oude wijn in nieuwe zakken? Samen zoeken Janneke Nijboer (48), Berthe van Soest (56) en Jan Verkerk (51) pionieren in verschillende contexten. Nijboer is als predikant werkzaam bij Windkracht 3pt0 in Noordwijk en bij de onlinepioniersplek Mijnkerk.nl. Van Soest werkte als pionier bij Noorderlicht in Breda, een inmiddels opgeheven pioniersplek voor ‘nieuwe spirituelen’. Zij is nu bezig om in de regio Kennemerland een pioniersplek voor dezelfde doelgroep op te zetten. Jan Verkerk is evangelist in Huizen en in die functie ook voortrekker van De Brug, een pioniersplek voor zoekers en pasgelovigen. Nijboer en Van Soest zijn daarnaast bij het netwerk van Op Goed Gerucht betrokken. Voor alle drie is pionieren het zoeken naar verbindingen tussen geloof en de leefsituatie van de mensen die ze willen bereiken. “Als pionier leg je verbindingen tussen je context en de traditie vanwaaruit je werkt”, zegt Van Soest. Daarin maken pioniers gebruik van wat binnen een bepaalde omgeving aan verbanden voorhanden is. “Het alledaagse is een vindplaats van geloof”, stelt Nijboer. Het gaat om samen zoeken, meent Verkerk. “Een aantal jaar geleden stortte ik als het ware de boodschap over je uit, maar nu ben ik veel meer met jou samen aan het zoeken naar wat je met het geloof kan.” Van Soest, Verkerk en Nijboer denken verschillend over de vraag in hoeverre de pioniersaanpak leidt tot verandering van de geloofsinhoud. Voor Van Soest is het vanzelfsprekend dat de traditie een verandering ondergaat. Zij streeft in haar pionierswerk niet naar de bekering van de mensen die ze weet te bereiken. “Dat past totaal niet bij nieuwe spirituelen. Zij leven in een veelheid van spirituele stromingen. Daarin zijn wij een element.” Liever spreekt ze van empowerment. “Het gaat mij erom dat mensen de kracht hervinden om op hun eigen benen te kunnen staan, dat ze zich veilig en gesteund weten. Spiritualiteit kan daarbij helpen, ook de christelijke.” In haar werk voor de voormalige pioniersplek Noorderlicht verbond ze rituelen uit de christelijke traditie met wat ze aan rituelen en symbolen aantrof onder nieuwe spirituelen. Zo bracht ze seizoensfeesten in de kerk en verbond ze de traditie van de kruisweg met de Ierse traditie van het weeklagen (keenen). Ook gaf ze in spirituele centra tarotcursussen, waarin ze er ook christelijke elementen weefde zoals de kruiswegstaties en psalmteksten. Maar ontstaat in haar werk een nieuwe gemeenschap? Ook hierin geeft Van Soest zichzelf de vrijheid. “Bij deze doelgroep pas het niet dat er een nieuwe kerkgemeenschap ontstaat.” Zij ziet de pioniersplek eerder als een plaats waar mensen altijd kunnen terugkomen. Daarnaast zullen bezoekers altijd iets meenemen van de ervaring die ze hebben opgedaan. “Het is mijn doel dat er geloof wordt doorgegeven. Dat blijft in de harten van mensen doorgroeien. Ik spreek bijvoorbeeld mensen die op tafel nog steeds de kaartjes met teksten van Jesaja hebben staan, die ze tijdens een lenteritueel van ons kregen.” Lees meer
  • 'Ik weet niet wat de juiste keuze is voor Nelson'

    Sinds een jaar of twee heb ik drie ratten thuis. Vrijwillig, in een kooi, hoewel ze ook af en toe los mogen. Ik kijk graag naar ze terwijl ze bezig zijn met hun dagelijkse bezigheden. Wassen, eten, spelen, vechten, knus tegen elkaar aankruipen. Eigenlijk zijn hun levens niet heel anders dan het mijne, iets kleiner, eenvoudiger. Een van de drie, Nelson, is de laatste maanden vaak ziek. Hij heeft een luchtweginfectie, abcessen en vast ook kanker, dat krijgen vrijwel alle ratten. De dierenarts gaf me een flinke pot antibiotica, maar veel meer kunnen we niet doen. Nelson gaat zienderogen achteruit. Toen hij pasgeleden weer eens klonk alsof hij geen lucht meer kreeg en ik snel de neusdruppels uit m’n kast trok, vroeg ik me af waarom ik dat eigenlijk deed. Waarom zou ik het niet gewoon laten gebeuren, hem dood laten gaan? Is dat niet natuurlijker? Ik werd me er ineens heel bewust van dat zijn leven in mijn handen lag. Het is dan ‘maar’ een rattenleven, dat sowieso niet langer dan drie jaar duurt, maar toch… een leven. Wie ben ik om de keuze te maken tussen leven en dood? Soms ligt hij zo vredig te slapen, dan denk ik: misschien was hij wel net van plan om rustig te sterven, kom ik er weer aan met m’n antibiotica. In Nelson wordt de paradox van medische vooruitgang in het klein zichtbaar. We willen wie ons lief is niet kwijt en proberen de dood zo lang mogelijk op een afstand te houden. Maar daarmee maken we onszelf ook verantwoordelijk voor iets dat voorheen het domein van het onverbiddelijke en zo makkelijk te haten lot was. Mensen gaan niet langer dood omdat ‘hun tijd gekomen is’, maar omdat ‘ze niet meer gered konden worden’. Sterven is de strijd verliezen. Elke medische ontwikkeling is dus ook een extra verantwoordelijkheid. Maar hoe kunnen we verantwoordelijk zijn voor het leven van een doodziek kind, van een wegkwijnende oma, van een aidspatiënt in een ver land? Ik weet al niet wat de juiste keuze is voor m’n rat. Ik heb Nelson zojuist weer een toastje met antibiotica gegeven. Ik zou niet anders kunnen, niet terwijl hij – hoewel inmiddels half kaal en met bloed op z’n neus – nog stoeit en klimt en om eten vecht, niet terwijl de levenskracht nog van hem afspat. Als zijn tijd eenmaal gekomen is, hoop ik dat ik de juiste keuze maak. Maar meer dan hopen kan ik niet. Lees meer
  • 'Alles om je eigen ego overeind te houden'

    Schuld willen ze soms nog wel bekennen, de sjoemelaars en fraudeurs in politiek, economie, sport en wetenschap. Aarzelend steken ze de hand in eigen boezem. Gretig wijst hun vinger daarna weer naar anderen, die meer of grotere schuld dan zij zouden hebben. Enige compassie is wellicht toch op haar plaats, want deemoed tonen is ook moeilijk. Psycholoog Jeffrey Wijnberg: “Door deemoed te tonen, lever je je over aan de macht van de ander. Dat is psychologisch gezien een heel moeilijke stap. Zeker als je een bepaald overwicht of dominantie gewend bent.” Als het aan de rechtbank van Amsterdam ligt, gaat hij 2,5 jaar de cel in: Hubert Möllenkamp, de gevallen bestuursvoorzitter van woningbouwcoöperatie Rochdale. “Schaamteloos”, oordeelde de rechter in december over zijn frauduleuze gedrag. Want: “Möllenkamp heeft geen enkel schuldbesef getoond.” Hij had heus zijn kleren niet hoeven scheuren en as over zijn hoofd hoeven strooien. Maar een klein beetje deemoed had hem gesierd.De rechterlijke wereld mag uiterst formeel en juridisch zijn – het was ‘het eerste lid van artikel 328ter van het Wetboek van Strafrecht’ dat Möllenkamp onder meer overtrad – toch maakt een verdachte altijd kans op strafvermindering als hij spijt betuigt. Zo veel belang wordt in onze samenleving gehecht aan dat gebaar van nederigheid en schuldbewustzijn. Maar net zo moeilijk blijkt het om dat gebaar te maken. Aanval op het bestaanMet de regelmaat van de klok tuimelen publieke figuren van hun voetstuk, nadat ze in de jaren ervoor hoog waren opgeklommen. Of het nou wetenschappers of topsporters zijn, politici, journalisten, ondernemers of bankiers. Ze hebben gelogen, ze zijn handtastelijk geweest, ze hebben willens en wetens financiële wanproducten verkocht of hebben anderen geschoffeerd. Maar in hun deconfiture gebeurt het zelden dat ze zonder dralen het boetekleed aantrekken. Heel even wordt toegegeven dat er weliswaar fouten zijn gemaakt, maar snel daarna is het afgelopen met die aarzelende hand in eigen boezem. Vervolgens wordt met de vinger naar anderen gewezen, worden er uitvluchten gevonden, of doet men er eenvoudigweg het zwijgen toe.Als je in de etymologische geschiedenis van het Franse woord deconfiture duikt, dan vind je onder andere de betekenis van ‘uit elkaar vallen’. In precies die betekenislaag lijkt de reden te zitten waarom het zo hondsmoeilijk is om een diepgevoeld ‘sorry’ uit te spreken. Met een welgemeende spijtbetuiging desintegreert het beeld dat men altijd had van zichzelf en kan het hele egobouwwerk naar beneden komen. Een topwielrenner, een veel publicerende hoogleraar, een prominente journalist of een ambitieuze politicus heeft zijn identiteit opgehangen aan zijn professionele wapenfeiten en opgebouwde reputatie. Als dat door eigen stommiteit als een kaartenhuis in elkaar valt, terwijl iedereen daarvan getuige is, dan verschrompelt het blakende zelfbeeld. Dan wordt de eigen identiteit als een prop papier in een hoek geworpen.Het Franse gezegde luidt: Qui s’excuse, s’accuse. Wie zich verontschuldigt, beschuldigt zichzelf ook. Dat kan een mens in het diepst van zijn wezen raken, met een existentiële crisis en zelfs gedachten aan zelfmoord als gevolg. Alleen al een zware beschuldiging kan aanvoelen als een rechtstreekse aanval op het eigen bestaan. “De wijze waarop het gaat is zó onmenselijk”, zei Jos van Rey eind 2014 voor de camera van de NOS, toen kort daarvoor was gebleken dat het Openbaar Ministerie hem voor corruptie wil vervolgen. “Ze proberen je helemaal kapot te maken. Ze hebben het liefst dat ik mijzelf…” Op dat punt aangekomen schrok de VVD-politicus zichtbaar van zijn woorden, om daarna de zin weifelend toch af te maken: “Ze hebben het liefst dat ik mijzelf wat aandoe.”In het boek De Bekentenis uit maart 2015 wordt de hemelval beschreven van Arjan Greeven, een succesrijke derivatenhandelaar die betrokken was bij het debacle van Vestia. De acute financiële problemen van deze woningbouwcoöperatie betekenden ook het einde van zijn eigen loopbaan. In het boek wordt beschreven dat hij in het zwartst van zijn persoonlijke nacht de loop van een jachtgeweer in zijn mond steekt. De schaamte is zo groot dat hij verlangt zichzelf uit te wissen. Alleen de gedachte aan zijn twee kinderen weerhoudt hem.Dezelfde doodswens had sociaal psycholoog Diederik Stapel, staat in zijn boek Ontsporing uit 2012: “Ik ben tot niets meer in staat”. Eind 2011 was hij na een florissante loopbaan ontmaskerd als academische fantast. Op suïcidale momenten pakte hij altijd zijn telefoon en nam “wonder boven wonder” iedere keer iemand op, vertelde hij in een interview later.Redenen voor eerherstelAls die drang tot zelfvernietiging is geweken, wordt het noodzaak om de uit elkaar gevallen identiteit opnieuw te construeren. Met dat als doel moet een nieuw psychologisch narratief worden uitgedacht, waarin in elk geval een paar fouten uit het verleden worden erkend, maar waarin ook genoeg redenen voor eerherstel zijn. De bouwstenen voor dat narratief blijken bij veel ‘publiekelijk gevallenen’ nagenoeg dezelfde.Allereerst is er ‘het systeem’ waarvan de beschuldigde een pion was. Niet langer meer suïcidaal beklemtoonde Stapel eind 2013 in Vrij Nederland dat hij onderdeel was geweest van een verziekte wetenschappelijke cultuur. “We hielden elkaar voor de gek in de race om publicaties”, zei hij. “We zijn doorgeschoten in het beoordelen van individuele prestaties onder een immense druk. Voor veel wetenschappers ben ik een confrontatie met hun systeem. Ik heb aangetoond dat de wetenschap niet onfeilbaar is, heb een heilig huis ingetrapt, en dus moet ik verdwijnen.”Dezelfde redenering volgt derivatenhandelaar Arjan Greeven. “Het kon allemaal gemakkelijk gebeuren in een systeem waarin elke moraal zoek was”, staat in De Bekentenis. “En dat systeem draait nog altijd op volle toeren. De dertien banken die Vestia derivaten verkochten, hebben samen één miljard euro verdiend aan de handel, schat Greeven.” Greeven zelf was maar een kleine speler, als intermediair tussen Vestia en Londense bankiers. En die laatsten vormen het echte morele kwaad, lijkt hij te suggereren. Want ook dat is een beproefde tactiek om zelf het morele lijf te redden: op anderen wijzen die pas werkelijk kwaadaardig zijn. “Terwijl de duurste juristen in Londen zich bekommeren om hun verdediging zijn de dealers alweer op zoek naar een volgende Vestia. Dat maakt hem kwaad. Wanneer pakken ze die jongens nou eens aan?”Ook wielrenner Lance Armstrong wees om zich heen, in een vraaggesprek met de Franse krant Le Monde in september 2013: “Ik heb doping niet uitgevonden. En met mij zal het ook niet stoppen”, poneerde hij. “Ik heb simpelweg geparticipeerd in een systeem. Ik ben een menselijk wezen. Doping bestaat al sinds de oudheid en zal zonder twijfel altijd bestaan. Ik weet dat dat geen populair antwoord is, maar helaas is het de realiteit.”Pure deemoed tonen, is psychologisch misschien wel onmogelijk. Jeffrey Wijnberg, psychotherapeut en publicist, vindt ontwijkende redeneringen alleszins begrijpelijk. “Als de grond onder je voeten verdwijnt en je volledig op jezelf wordt teruggeworpen, is het logisch dat je een psychologische manier zoekt om staande te blijven”, vertelt hij. “Je kunt je wel laten afvoeren door het afvoerputje, maar daar heb je te veel overlevingsdrang voor. Om dat te voorkomen zijn allerlei manieren goed: de ander is gestoord, de ander een heeft afwijking, iemand is omgekocht. Alles om je eigen ego overeind te houden.”“Je hebt het nu over heel grote gevallen”, zegt Wijnberg, “maar je ziet dit ook in het klein. Stel je vergeet een afspraak met je vrouw en die zegt tegen jou: dat hadden we toch afgesproken? Dan zullen weinigen zeggen: je hebt helemaal gelijk, wat een sukkel ben ik, hoe kan ik het goed maken? Dat valt de meeste mensen erg zwaar, omdat ze zich daarmee volledig ondergeschikt maken aan de ander, en als het ware ook overgeleverd zijn aan die ander. ‘Zeg het maar: wat moet ik doen?’ Dat is tegenovergesteld aan wat je gewend bent: het hebben van een zekere controle over je leven. Door deemoed te tonen, lever je je over aan de macht van de ander. Dat is psychologisch gezien een heel moeilijke stap. Zeker als je een bepaald overwicht of dominantie gewend bent.” Lees meer
  • Maar een taal telt: de taal van het hart

    Gabriël, een man van middelbare leeftijd, zag dat twee etages boven hem een jonge vrouw kwam wonen. Deze vrouw was het mooiste wezen dat hij ooit in zijn leven had gezien. Ze was een parel, een diamant, edel en van adel. Ze had prachtig zwart, lang, golvend haar. Haar ogen straalden en het was alsof God op haar gezicht met hemelse penseelstreken wonderschone wenkbrauwen en lippen had geschilderd. Nu begreep Gabriël wat het woord ‘adembenemend’ betekende. Zij ontnam hem letterlijk zijn adem. Soms keek de nieuwe buurvrouw naar haar spiegelbeeld als ze buiten voorbij het raam van Gabriël liep. Dan wierp ze subtiel haar hoofd naar achter en streek ze door haar haar. Gabriël’s hart bonkte dan wild in zijn keel. Gelukkig zag ze hem niet, omdat hij achter het dunne, witte stof van zijn gordijn onzichtbaar was. Hij was volmaakt gelukkig als ze voorbij liep. Morfine voor de gekwelde ziel. Op een dag besloot Gabriël al zijn moed bij elkaar te rapen en een ‘toevallige’ ontmoeting met zijn nieuwe buurvrouw te hebben. In de gezamenlijke entreeruimte van het flatgebouw kwam hij haar tegen. “Dag buurvrouw, hoe gaat het met u?” wilde Gabriël vragen. Hij wilde zeggen dat het hem leuk leek om kennis met haar te maken, om haar welkom te heten. De prachtige dame liep door en keek niet om. De ‘ontmoeting’ liep uit op een deceptie. Gabriël had namelijk geen woord kunnen uitbrengen. Die nacht kon hij niet slapen van verdriet. Hij ging in het donker voor het raam zitten en keek naar buiten. Waarom was hij niet in staat om deze vrouw aan te spreken? Ze was toch ook maar een mens? Opeens, uit het niets, kwam ze aangelopen en leunde met haar rug tegen de lantaarnpaal, die voor zijn raam stond. Ze keek naar boven en sloot haar ogen. Over haar hele lichaam tekenden zich schaduwlijnen af. Even stond ze daar bewegingsloos, gevangen in een lichtbundel, alsof ze onderdeel was van een klassieke zwart-witte schildering. Gabriël verroerde zich niet. Hij vreesde dat ze hem bij de geringste beweging zou opmerken. Ze veegde haar betraande ogen droog en liep weer rustig naar binnen. Gabriël besloot elke zondag in haar brievenbus een blanco envelop te doen. In de envelop deed hij een gevouwen papiertje met slechts één regel tekst. Elke keer schreef hij haar een compliment in een van de vele talen die de mensheid rijk is. De eerste week schreef Gabriël: “You are beautiful.” Een week later: “Sie sind wie Musik.” Op de derde week schreef hij in het Nederlands: “U bent als de zon.” En zo ging het wekenlang door. Hij schreef haar in het Chinees. In het Italiaans en in het Arabisch zelfs. Dan in het Portugees, Zweeds en in het Russisch. Gabriël zorgde ervoor dat elke regel tekst perfect werd opgeschreven. Hij wist dat zijn buurvrouw alle brieven zou vertalen. Er was dus geen enkele ruimte om slordige fouten te maken. Het schrijven van die ene gouden regel werd een vast ritueel voor Gabriël. Het gaf zijn leven weer een beetje zin. Veertig weken lang schreef Gabriël zijn liefde een brief. Toen, volledig onverwacht, ontving hij zelf een envelop. Geen adressering, geen afzender. En weer hield Gabriël zijn adem in. Instinctief wist hij dat de envelop van twee hoog kwam. Was ze boos? Zou ze hem vriendelijk verzoeken om te stoppen met de brieven? Hoe wist ze eigenlijk dat hij degene was die haar die teksten schreef? Gabriël bleef een tijdje naar de envelop kijken. Hij haalde een papiertje uit de envelop en las het met zachte stem aan zichzelf voor. “Lieve buurman, hartelijk dank voor de brieven. Ik heb alles weten te vertalen. Veertig weken lang heeft u me gecomplimenteerd, maar eigenlijk heeft u me veertig keer beoordeeld. Ik hoopte op een vraag, zoals: hoe gaat het met u? Of: zullen we kennismaken? Ik zal u missen. Het gaat u goed.” Ze was verhuisd, weg. Om hem? Om iemand anders? Gabriël las het briefje honderd keer en liet het toen vallen. Hij besefte dat hij één taal vergeten was te spreken: de taal van het hart. Enis Odaci is voorzitter van Stichting Humanislam. Reageren kan ook per mail: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. Lees meer
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6

Doorzoek de website

Social media

FacebookTwitterLinkedIn