Laatste nieuws

  • Net niet bijna - iktsuarpok

    Ik hou van bijna. Sinds ik het gelijknamige nummer van Acda en de Munnik hoorde wist ik dat
  • 'Schaamte leidt niet tot actie'

    De overheid wil actieve burgers die zo min mogelijk afhankelijk zijn van voorzieningen. Maar, zegt Evelien Tonkens, die
  • Tot waarheid verplicht

    "Wat is waarheid?" Theologen als Ruard Ganzevoort en Manuela Kalsky vinden 'de Pilatusvraag' achterhaald en gevaarlijk. Maar volgens
  • 1
  • Net niet bijna - iktsuarpok

    Ik hou van bijna. Sinds ik het gelijknamige nummer van Acda en de Munnik hoorde wist ik dat eigenlijk pas. Voor die tijd wist ik het niet, maar wel bijna, zodat ik er in ieder geval een goed gevoel aan overhield. Omdat ‘tijd’ in de filosofie altijd een moeilijk begrip is geweest, is ‘bijna’ een wonderlijk woord. Wanneer je het idee van tijd niet precies kan uitdrukken, hoe moeilijk is het dan om het idee van tijd-die-nog-niet-is-maar-wel-zeer-binnenkort-komt te omschrijven? Het heeft iets weg van een verlossend messianisme: Een verwachting te koesteren die weldra zal uitkomen.  Bijna naar het toilet kunnen wanneer je in de lift naar de zeventiende staat bijvoorbeeld, neigt naar echte verlossing. Bijna slapen kondigt ook vaak verlossing aan, net als bijna thuis, bijna dronken, bijna klaar en soms zelfs bijna dood. Tegelijkertijd kan ‘bijna' ook een enorme tragedie aankondigen: het verschil tussen ‘ik was bijna dood’ en ‘ik ben bijna dood’ is cruciaal. In de Nederlandse taal is het gevoel van bijna nogal summier aanwezig, vooral als je het vergelijkt met andere talen. Het Inikitut (één van de Eskimotalen) heeft bijvoorbeeld het woord ‘iktsuarpok’, dat ‘het verwachten van een gast waardoor je blijft controleren of er al iemand aankomt’ betekent. In de Inikitutvertaling van de Bijbel staat vast en zeker bij het verhaal van de verloren zoon dat “Hij meteen vertrok en op weg ging naar zijn vader. Zijn vader zag hem in de verte al aankomen, iktsuarpok als hij was”. Tragedie of verlossing is het centrale thema in het huidige debat over vluchtelingopvang. Bij ons is niet ‘bijna iedereen’ welkom, maar bij ons is iedereen ‘bijna welkom’. Mensen op zoek naar verlossing treffen, eenmaal aangekomen in Nederland, een tragedie. Door de stugge houding van politieke figuren is het ondoenlijk om volwaardig burger te worden van Nederland, zelfs als je al jaren in Nederland bent. De enige logische consequentie voor deze mensen is dan zoeken naar een plek waar ‘bijna’ nog de positieve connotaties kent van verlossing en verwachting. In plaats van bijna dood, bijna verlost. In plaats van afwijzing, iktsuarpok. Helaas is dit woord niet bekend bij de Nederlandse overheid. Echte hulp vindt daarom alleen in de marge plaats: het is tijdelijke hulp. Vluchtelingen zijn nu in afwachting van het ‘bijna’ waar ik zo van hou: bijna thuis. Chris van Wieren is de komende maanden stagiair bij de redactie van Volzin. Elke woensdag verwondert hij zich over religieuze neigingen van Nederlanders. Read More
  • 'Schaamte leidt niet tot actie'

    De overheid wil actieve burgers die zo min mogelijk afhankelijk zijn van voorzieningen. Maar, zegt Evelien Tonkens, die krijg je niet vanzelf. Mensen verplichten tot vrijwilligerswerk heeft volgens haar geen zin. Beter kun je mensen uitnodigen de dingen te doen die bij henzelf en hun leven passen. Het is heel mooi als iedereen in de samenleving volwaardig mee kan doen. Een revolutionair ideaal, maar moeilijk te realiseren.” Dit voorjaar verruilde Evelien Tonkens (53) haar baan als bijzonder hoogleraar Actief Burgerschap aan de Universiteit van Amsterdam voor de leerstoel Burgerschap en Humanisering van Instituties en Organisaties aan de Universiteit voor Humanistiek in Utrecht.Zelf komt ze uit een ‘gemengd nest’: moeder hervormd, vader atheïstisch. “Maar hij was ook heel liberaal. Als mijn moeder thuiskwam van een dienst, vroeg hij haar: hoe was het in de kerk?” Antireligieus is Tonkens zeker niet, vrijzinnig des te meer. “Weinig mensen zullen van hun stoel vallen als je zegt ernaar te streven dat ieder mens als individu meetelt, gerespecteerd wordt en de kans krijgt om een zinvol bestaan te leiden. Wat ik belangrijk vind aan het humanisme is dat je antidogmatisch bent en zingeving en pluralisme serieus neemt. Daarbij hoort een open levenshouding, die ik ook zie bij veel gelovigen. Ze hebben een andere inspiratiebron, maar de overeenkomst met humanisten is het redeneren vanuit bepaalde waarden. Wat me aanspreekt aan deze universiteit is dat je expliciet probeert aan het goede te werken.” Ontmoedigende maatregelenVorig jaar lanceerde koning Willem-Alexander in de Troonrede de term ‘participatiesamenleving’ als alternatief voor het klassieke begrip’ verzorgingsstaat’. Tonkens betoogde in de media dat de regering echter vooral participatieontmoedigende maatregelen neemt. Een jaar later, nu de hervormingen in de zorg in volle gang zijn, staat ze daar nog steeds achter. “Meestal is het niet zo handig om nieuw beleid en bezuinigingen te combineren. Op dit moment worden er bijvoorbeeld veel bibliotheken gesloten, een publieke voorziening die je gerust onder participatie kan scharen. Een bibliotheek draagt ertoe bij dat mensen zich oriënteren op de samenleving en daar een plek in proberen te verwerven door zich te informeren en te ontwikkelen. Je kunt natuurlijk zeggen dat ze dat net zo goed via internet kunnen doen. Maar internet is een doolhof, terwijl een bibliotheek enige ordening en filtering aanbrengt. Ook veel andere bezuinigingen, zoals in de kunstsector en de zorg, werken participatie eerder tegen dan dat ze die bevorderen.”De participerende burger lijkt een vrij recente uitvinding, maar dateert volgens de sociologe al uit de jaren tachtig. “Aanvankelijk was dat idee vooral gericht op de arbeidsmarkt. Door allerlei voorzieningen werden mensen niet geactiveerd om aan het werk te komen of maatschappelijk betrokken te blijven. Nieuwer is het streven om mensen te stimuleren de zorg vanuit hun eigen sociale netwerk zelf vorm te geven. De vraag hoe je de verzorgingsstaat zo kunt inrichten dat dit daadwerkelijk leidt tot meer participatie, is nog steeds relevant. Dan moet je de voorzieningen niet afbreken, maar meer gaan kijken naar de blokkades voor mensen om actief mee te doen.” Leven in de brouwerijNog zo’n maatregel waar ze zich over opwindt: de afschaffing van het verzorgingshuis voor ouderen die relatief weinig zorg nodig hebben. “Een verzorgingshuis is eigenlijk een heel efficiënte en slimme voorziening. Mensen wonen er redelijk zelfstandig en kunnen op een laagdrempelige manier met anderen in contact komen. De hulp die ze nodig hebben is om hen heen georganiseerd en zorgverleners hoeven geen grote afstanden af te leggen. Ook kun je de buurt makkelijk binnenhalen. Wat ze in Noorwegen en Zweden al veel langer doen, is een verzorgingshuis tot het hart van de buurt maken. Door andere mensen uit de omgeving erbij te betrekken, komt er meer leven in de brouwerij.” Dat zou ook de Nederlandse overheid als muziek in de oren moeten klinken. Haar adagium is immers dat burgers voor ondersteuning een beroep doen op informele zorg in plaats van op professionals. Volgens Tonkens is er niets op tegen om vrijwilligerswerk te stimuleren. Maar ga vooral niemand dwingen, is haar devies. “Dan misken je dat veel mensen graag iets zinvols willen doen. Je kunt ze wel enthousiasmeren om werk te doen dat bij henzelf en hun leven past. De verzorgingsstaat moet als het ware de basis leggen om mensen de dingen te laten doen die ze eigenlijk al wilden doen. Je mag ze daarvoor ook best belonen of een vergoeding geven.”Wederkerigheid is volgens haar een prima uitgangspunt: iets terugdoen voor de zorg of ondersteuning die je ontvangt. Niet als plicht, maar als mogelijkheid. “Iemand die thuiszorg krijgt, kan misschien best een uurtje op de baby van de buren passen. En met een scootmobiel kan iemand een eenzame buurtgenoot bezoeken.” Het probleem met dit soort oproepen, aldus Tonkens, is dat ze vaak te negatief zijn ingestoken. Alsof de maatschappij vol zit met klaplopers. “Er zijn veel mensen die iets voor een ander willen betekenen. Dat noem ik het altruïstisch overschot. Je moet ze alleen wel op een positieve manier benaderen. Als je ze met wantrouwen tegemoet treedt, krijg je wantrouwen terug.” Groeiend isolementMaar Nederland drijft toch al voor een groot deel op vrijwilligers? Tonkens: “In Engeland is berekend dat een derde van de bevolking bijna alles doet. Dat is hier waarschijnlijk ook zo. Die andere groep bereik je niet door vrijwilligerswerk verplicht te stellen. Veel mensen in de bijstand bijvoorbeeld voelen zich uitgekotst en overbodig. Ze zijn vaak behoorlijk geïsoleerd. Door armoede maken ze schulden, lenen van vrienden, kunnen niet terugbetalen en krijgen vervolgens ruzie. Ze schamen zich voor hun situatie en gaan contacten steeds meer uit de weg. Dat maakt hen geestelijk en fysiek ongezond. Isolement is echt een serieuze zaak. Er is niks tegen om mensen consequenter te stimuleren dat te doorbreken. Vrijwilligerswerk is een manier om je wereld te vergroten en ergens bij te horen. Maar dan moet je het wel goed organiseren: mensen uitnodigen en stimuleren, ze laten meedenken over wat ze kunnen doen en perspectief bieden op betaald werk.” Read More
  • Tot waarheid verplicht

    "Wat is waarheid?" Theologen als Ruard Ganzevoort en Manuela Kalsky vinden 'de Pilatusvraag' achterhaald en gevaarlijk. Maar volgens Frank G. Bosman "is de waarheid te kostbaar om onbevochten te blijven". Een van de meest dramatische scènes van het Nieuwe Testament is ongetwijfeld de confrontatie tussen de gevangen genomen Jezus en de Romeinse heerser Pontius Pilatus. Vooral het evangelie volgens Johannes heeft talloze kunstenaars, schilders en filmmakers geïnspireerd. Jezus leest Pilatus de les: “Ik ben geboren en naar de wereld gekomen om van de waarheid te getuigen, en ieder die de waarheid is toegedaan, luistert naar wat ik zeg” (Johannes 18,37) Pilatus antwoordt dan met een van de meest intrigerende zinnen uit het Nieuwe Testament: “Maar wat is waarheid?” De interpretatie van dit zinnetje, nog wel van een van de grootste ‘vijanden’ van Jezus, heeft de christelijke theologie twee millennia bezig gehouden. De traditionele uitleg is dat de twijfelende filosoof Pilatus het echt niet meer wist. Volgens joodse auteurs als Philo van Alexandrië en Flavius Josefus was de landvoogd echter geen twijfelkont, maar een wrede en lompe tiran. Vergelijk ook wat de evangelist Lucas over Pilatus meldt: “hij had het bloed van de Gallileëers vermengd met dat van hun offers” (13,1-5). De filosoof Friedrich Nietzsche (1894) prees Pilatus dan ook niet voor niets voor zijn 'hautaine sarcasme' waarmee hij het religieus gebabbel van Jezus tegemoet trad. Volgens deze traditie haalt Pilatus zijn schouders op over de waarheidsclaim van Jezus. ‘Ach, jij met je waarheid. Er is geen waarheid’, mompelt de landvoogd en gaat vervolgens verder met zijn realpolitik.Er is nog een derde mogelijkheid, geuit door de Italiaans filosoof Giorgio Agamben (2014). Hij meent dat Pilatus vooral bezig is met het bespotten van Jezus. De landvoogd trekt Jezus een nepmantel aan, plaats een nepkroon op zijn hoofd en hij laat Jezus ‘voor de lol’ op zijn eigen rechterstoel plaatsnemen. Deze Pilatus is niet alleen cynisch over de waarheidsclaim van Jezus, maar maakt deze in zijn geheel belachelijk. Bedenkelijke opvattingenHet begrip ‘waarheid’ dat Jezus en Pilatus in Johannes 18 ‘bespreken’, is in de christelijke traditie altijd bijzonder belangrijk geweest. De waarheid, volgens de christelijke traditie, is één, eenduidig, absoluut en universeel. “In Jezus Christus heeft Gods waarheid zich helemaal geopenbaard”, aldus canon 2466 van de Catechismus van de Katholieke Kerk (1995). Hiermee is het probleem van de waarheid niet opgelost, maar slechts verplaats naar de discussie over de specifieke betekenis van de figuur van Jezus. Denk aan Jezus’ uitspraak “ik ben de weg, de waarheid en het leven” (Johannes 14,6-14).Bovendien staat het begrip ‘waarheid’ onder grote druk. In het seculier discours van onze tijd wordt waarheid geassocieerd met het empirisch-natuurwetenschappelijke domein. Natuurkunde, scheikunde en biologie bieden waarheid, de rest bestaat uit meningen. Het methodisch reductionisme van de traditionele natuurwetenschappen (we bestuderen alleen wat we kunnen meten) is verworden tot een metafysische variant (alleen wat we kunnen meten, bestaat). Gelukkig komt daar hier en daar kritiek op. “Er zit iets ongeloofwaardigs in de overtuiging waarmee sommige atheïsten alles wat niet wetenschappelijk bewezen is, wegwuiven als prietpraat” (Kluun, God is gek, 2009). Intrigerend genoeg is er ook een tendens te zien om wetenschappelijke theorieën ook af te doen met ‘dat is maar een mening’, zoals bijvoorbeeld bij maatschappelijke discussies over inentingen en klimaatveranderingen.Ook het bredere verschijnsel ‘religie’ staat onder druk, of eigenlijk in zijn monotheïstische variant, die onlosmakelijk verbonden is met waarheidsclaims. Boeddhisme, hindoeïsme en allerlei vormen van nieuwe spiritualiteit hoeven niet veel kritiek te duchten. Jodendom, christendom en islam daarentegen worden – juist door de monotheïstische focus op ‘de’ waarheid - geassocieerd met onderdrukking, discriminatie, geweld en achterlijkheid, hoewel het jodendom vaak een mildere behandeling treft vanwege het ontbreken van ‘bekeringsdrang’. Geharnast religievreter Paul Cliteur zegt het zo ‘mooi’ (2010): “Zelfmoordcommando’s die zich beroepen op hun religieuze overtuiging, abortusartsen die door religieuze fanatici worden vermoord, en bedenkelijke opvattingen over homoseksualiteit en man-vrouwverhoudingen. Dat alles wordt met religieuze argumentaties onderbouwd.” Zombie-categorieënTegelijkertijd staat ook binnen de (christelijke) theologie het begrip ‘waarheid’ onder druk, helemaal als het voorafgegaan wordt door het voorvoegsel ‘de’. In zijn boek met de iconische titel Spelen met heilig vuur. Waarom de theologie haar claim op de waarheid moet opgeven (2013) schrijft VU-theoloog Ruard Ganzevoort: “Theologen zullen hun claim op de waarheid moeten opgeven en binnen de veelkleurige samenleving hun plaats moeten zoeken door het gesprek aan te gaan over levenswijsheid in kunst en cultuur, politiek en economie, zorg en onderwijs, wetenschap en sport.” Ganzevoort noemt traditioneel-christelijke termen als zonde, offer en waarheid ‘zombie-categorieën’: “begrippen die ooit verwezen naar een levende werkelijkheid maar dat niet langer doen. Ze zijn alleen vergeten te sterven.”En deze binnen-theologische aanval op het waarheidsbegrip is breder. In de slotbeschouwing op het recente boek Flexibel geloven – elf portretten over geloven in deze tijd – schrijven redacteuren Manuela Kalsky en Frieda Pruim dat “[het] opvallend is dat de begrippen als waarheid en identiteit in dit boek nauwelijks worden gebruikt.’ De auteurs geven hier zelf een verklaring voor in een de vorm van een retorische vraag: “Is het omdat deze vooral als ‘strijdbegrippen’ worden gebruikt, die in de plaats van te verbinden vooral te maken hebben met afbakenen?” En ook andere bekende (Nederlandse) theologen hebben het waarheidsbegrip ten grave gedragen of sterk gerelativeerd. Denk aan bekende tegendraadse theologen als Harry Kuitert (2011) of Klaas Hendrikse (2007). Read More
  • 'De basis is zo diep en zeker'

    Protestants theologe Eleonora Hof (28) is evangelisch opgevoed en cum laude afgestudeerd in de theologie. Twijfel heeft ze nooit gekend. God is liefde en in Jezus komt hij ons nabij: “Die diepe identificatie met de menselijke conditie tot in lijden en dood vind ik geweldig. En dat is dus onze God!” Deel 3 van de Volzin-serie ‘Jonge Denkers’. ‘Ik ben erg positief over het christelijk geloof in Nederland van dit moment”, zegt Eleonora Hof nog voor we aan tafel zitten in de stijlvolle Amsterdamse vestiging van de Protestantse Theologische Universiteit. Ze is evangelisch opgevoed. Verbondenheid met Jezus is voor haar een levende realiteit. Maar ze leest ook het hippe vrouwenblad Flow (‘simplify your life, feel connected, live mindfully, spoil yourself’) en ze heeft affiniteit met grassroots-bewegingen op gebied van gezondheid, milieu, deeleconomie en sociale rechtvaardigheid. Ze rijdt geen auto en een tv heeft ze nooit gehad. Ze investeert liever in relaties dan in bezit.Eleonora Hof studeerde theologie aan de Evangelische Theologische Faculteit in Leuven. Haar master behaalde ze (cum laude) aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Nu bereidt ze een proefschrift voor op het gebied van de missiologie. Geloof en wetenschap, cultuurkritiek en christelijke orthodoxie, het zijn voor haar geen tegenstellingen, maar werelden die meer en meer verbonden raken, oftewel connected, om in haar van het Engels doorspekte jeugdige jargon te blijven. Is er sprake van een nieuw elan in christelijk Nederland?“Het maakt veel uit welk verhaal je over het geloof vertelt. Het verhaal van de grote secularisatie, hoe alles steeds minder werd, is voor de jongere generatie – die de die afkalving zelf niet heeft meegemaakt – absoluut niet inspirerend. We leven hier en nu ons leven. We willen positieve keuzes maken en ons geloofsleven niet relateren aan een verhaal over neergang. Ja, ik zie positieve ontwikkelingen. Als student was ik bestuurslid van de studentenvereniging Ichthus. Er is een grote groep studenten die op een creatieve manier met geloof omgaat. De evangelische wereld is zich aan het verbreden. Sociale rechtvaardigheid staat hoog op de agenda, terwijl in die kringen in het verleden het maatschappijkritische en het persoonlijke geloof nogal eens tegen elkaar werden uitgespeeld.” Maar dat positieve verhaal over jong christelijk Nederland beperkt zich toch tot de evangelische en orthodoxe sector? Daarbuiten worden jongeren alleen maar minder christelijk.“Ja, maar het is helemaal niet zo dramatisch om een minderheid te zijn. De grote, volle volkskerken zijn verleden tijd. Dat model moet je radicaal loslaten. Dan kun je kijken hoe je vanuit de marge als kleine maar vitale geloofsgemeenschap een rol kunt spelen. Het is voor een kerk helemaal niet erg om vanuit de marge te opereren. Het is zelfs gevaarlijk om al te zeer betrokken te zijn bij het centrum van de macht. Vanuit de marge kan ze beter haar profetische rol vervullen en samen met andere grassroots-initiatieven van onderop versterken.Ook de Wereldraad van Kerken ondersteunt dat. Het oude model van zending, waarbij de grote klassieke kerken zich met een min of meer paternalistische blik vanuit het centrum tot de marge wendden om daar te bepalen wat goed was, dat model is losgelaten. Nu komt de omgekeerde beweging op gang: missie vanuit de marge.” Wat heeft de marge dan aan het centrum te vertellen?“Wat ze concreet te brengen heeft, is niet ready made. Maar om een voorbeeld te noemen: Nederland telt 800.000 migrantenchristenen. Alleen al hun aanwezigheid is voor de blanke middenklassenkerken waardevol. Die aansluiting verloopt trouwens moeizaam. Dat vind ik wel een punt van zorg. Wat de migrantenkerken te brengen hebben, moet je niet reduceren tot hun migratie-ervaringen. Ze hebben ons als christenen, op geloofsniveau, iets te vertellen. De evangelieverhalen worden vanuit het perspectief van de marge immens relevant. Daar gaat het om. In ieder geval gaat het niet om een exotisch opleuken van de Nederlandse kerken: een vrolijk, swingend gastkoor in de zondagse dienst. En omgekeerd moeten de historische kerken hun diaconale houding laten varen in relatie tot migrantenkerken. De meerwaarde zit in de ontmoeting van de perspectieven. Waarom zijn de traditionele kerken blank en middenklasse? Heeft dat te maken met de intellectualistische preken, met een gebrek aan beleving?” Je hebt een evangelische achtergrond. Heb je nooit de behoefte gehad om je tegen die opvoeding te af te zetten?“Nee, ik ben juist heel blij met mijn achtergrond. Door de persoonlijke verbondenheid met het christelijk geloof kan ik me goed inleven in diverse geloofstradities en verschillende manieren van geloven. De verbinding tussen al die tradities, daar wil ik voor staan.” En waar gaat het voor jouzelf dan om in het christelijk geloof?“Het draait vooral om de liefde van God. Dat is voor mij altijd heel basaal geweest. Een basisgevoel. De liefde van God en ook de liefde naar God toe. En verder zijn voor mij de evangelieverhalen van Jezus een bron van inspiratie, maar ook nieuwtestamentische brieven. De eerste brief van Johannes is mijn favoriet. Daar gaat het over de liefde en de vreugde van het geloof en over hoe je als christelijke gemeenschap met elkaar te leven hebt. De gemeenschap rond Jezus. Die community is voor mij heel belangrijk. De kerken zouden daar meer op moeten inzetten. Preken zijn vaak erg op het individu gericht, terwijl de nieuwtestamentische brieven zich juist vaak tot de gemeenschap als geheel richten. Dat intrigeert mij. In de PKN-kerk in Amersfoort waar ik regelmatig kom, is iedere donderdagavond een ‘meet & eat’ voor twintigers en dertigers. Daar gebeurt echt wat. Read More
  • In crisistijd moet je doorpakken

    Religiewetenschapper Aloys Wijngaards houdt namens De Nederlandsche Bank toezicht op de financiële sector. “Wat je met regels kunt doen, is beperkt”, zegt hij. “Ik wil dat ze snappen wat ik graag wil: een andere vorm van gedrag.” Aloys Eduard Hans Maria, zo luiden zijn voornamen. Hij is dus van katholieke komaf, de 33-jarige religiewetenschapper die ontspannen plaatsneemt op het zonovergoten terras. Aloys Wijngaards heeft een zonnebril gehaakt in het borstzakje van zijn lichtblauwe overhemd. Vandaag hoeft hij niet naar het kantoor van De Nederlandsche Bank, in Amsterdam. Dus drinkt hij een cappuccino op het binnenplein van brouwerij De Hemel in het centrum van zijn woonplaats Nijmegen. Precies hier vierde hij in 2012 zijn promotiefeest, nadat hij klaar was met zijn onderzoek naar de kruisbestuiving tussen theologie en economie.Een religiewetenschapper die bij De Nederlandsche Bank werkt als toezichthouder van de financiële sector, vóór de economische crisis was dat ondenkbaar geweest. Maar niet lang na zijn promotie werd hij tot zijn verbazing aangenomen. “De vriendin van een goede vriend van mij werkte al bij De Nederlandsche Bank. Anders was ik überhaupt nooit op het idee gekomen om er te gaan kijken. Ik dacht: bij DNB werken economen, juristen, accountants. Wat heb ik daar te zoeken? Ik heb uiteindelijk gesolliciteerd op een functie als Specialist Governance. Het eerste wat mijn afdelingshoofd to be tegen mij zei, was: ‘Jij bent een religiewetenschapper, dus je kijkt op een andere manier naar mensen dan wij. Dat vinden wij leuk.’ O? Oké!’Hij is een kind van twee sociaal bewogen katholieken. Zijn ouders werkten beiden in de diaconie. Zijn vader, Aloys senior, als hoofd van de opleiding voor diakens, zijn moeder als docent sociale wetenschappen en sociale leer van de kerk. “Ze hebben mij en mijn zussen geprobeerd het mooie van de katholieke traditie mee te geven, maar ons tegelijkertijd heel kritisch opgevoed. Dat heeft mij gevormd: ik voel een verbondenheid met het christendom, maar ik was absoluut geen fan van de twee voorgangers van de huidige paus. Ik ben zeker religieus, maar ik ben wel echt een zoeker. Door mijn studie heb ik een veelheid aan religieuze tradities voorbij zien komen en me daarin verdiept, zoals in bepaalde vormen van het boeddhisme en het soefisme. Dan zie je wat voor enorme rijkdom er aan tradities is, die allemaal bouwstenen aanbieden voor je eigen zoektocht.”In zijn promotieonderzoek keek Wijngaards waar het mogelijk is om ‘de theologie’ in gesprek te laten gaan met ‘de economie’. Hij bekeek vier economische benaderingen: de standaard neoklassieke economie, waarin het individu wordt gezien als een geïnformeerd rationeel wezen dat probeert zijn ‘nut’, zijn plezier, te maximaliseren; de gedragseconomie, die psychologische inzichten meeneemt in haar benadering; de gelukseconomie, waarin met het oog op een gelukservaring aandacht is voor de rol van waarden en levensbeschouwing; en de capability approach van de Indiase econoom Amartya Sen, die de nadruk legt op de ruimte voor welzijn en vrijheid.“Ik ben gaan kijken in hoeverre er binnen die benaderingen ruimte is om het over de betekenis van economisch gedrag te hebben, en aan de andere kant in hoeverre zij voor zichzelf een rol zien om het over zoiets als een common good te hebben.” De neoklassieke opvatting is de standaard en dus de belangrijkste opvatting. Vond je daar een aanknopingspunt?“Nee, daar zag ik heel weinig mogelijkheden. Standaardeconomen gaan ervan uit dat je menselijke voorkeuren kunt gelijkstellen aan smaken. Dus als ik binnen het economische keuzeproces zeg: mijn lievelingskleur is blauw en niet rood, ik eet liever chocola dan zuurtjes, dan zijn dat hiërarchieën van wat ik lekker en minder lekker vind. Er zit geen dynamiek in het systeem. Er is geen ruimte voor de overdenking waarom je iets belangrijk of zinvol vindt. Standaardeconomen zeggen: wij beschouwen het resultaat van een economische keuze als een bepaald nut wat iemand haalt uit zijn of haar keuze. Elke economische actor probeert zijn nut te maximaliseren. Maar dat ‘nut’ is een volledig leeg begrip. Er is een heel mooi voorbeeld van een gedragseconoom. Als je ouders vraagt: ‘Hoeveel nut ervaar je bij het hebben van kinderen?’, dan zie je dat ouders zichzelf een lagere nutscore geven dan mensen zonder kinderen. Maar als je tegen die mensen zou zeggen: ‘Het krijgen van kinderen was niet zo’n verstandige beslissing, want je algehele nut is lager’, dan zeggen diezelfde mensen: ‘Je bent gek. Die kinderen zijn mij zo dierbaar, ook al heb ik er vaak nachten van wakker gelegen en zat ik nagelbijtend aan hun bed toen ze koorts hadden, maar dat is allemaal juist heel betekenisvol.’ Dat past alleen niet in dat systeem.” De dieperliggende waarden worden dus niet in dat ‘nut’ weerspiegeld. Maar bedoel je ook dat de langetermijnvisie erin ontbreekt? Dat als iemand een hypotheek neemt, hij dus niet beseft dat hij op de langere termijn in diepe schulden kan komen?“Volgens de mainstream neoklassieke economie zit dat er wel in. Want zij gaan ervan uit dat mensen in staat zijn om de consequenties van hun keuzes volledig te overzien en dat ze ook informatie hebben over wat er gaat gebeuren als ze die keuze maken. Dus als jij een hypotheek afsluit waarbij je de eerste twee jaar weinig betaalt, maar daarna belachelijk veel, dan is dat kennelijk jouw voorkeur. Read More
  • Gevraagd: een verlicht kalifaat

    Voor terreurorganisaties als IS (Islamitische Staat) of Boka Haram is het ‘wij’ tegenover ‘zij’. “Ik geniet ervan te doden wie God wil”, aldus een van hun leiders. Voor mededogen of nuancering is in dit extremistische wereldbeeld geen plaats. Maar ‘wij’, hun tegenstanders, zullen beter moeten weten. Wie de terreur wil voorkomen of bestrijden, moet de motieven van (potentiële) terroristen willen doorgronden. Sinds het positieve optreden van de paus in het publieke domein is bij Het nieuws over de gruwelijke moord op journalist James Foley kreeg vorige maand een scherp accent toen op de videoband die van het handwerk werd gemaakt, te horen was dat de beul een Brit was. Dat onder de strijders van de Islamitische Staat (IS, voorheen ISIS) houders van een Europees paspoort te tellen zijn, wisten we natuurlijk wel. Inlichtingendiensten schatten hun aantal op zo’n drieduizend.Ook Nederlandis als rekruteringsmarkt van betekenis. Sinds 2012 zijn er volgens de AIVD zo’n 130 aspirant-jihadisten richting Syrië vertrokken. Verontrustend is ook het aantal supporters: enkele duizenden moslimjongeren zouden met hun zaak sympathiseren, al doen de meesten dat liever vanuit de leunstoel thuis.Wat maakte dat Britse accent zo akelig als we van de Europese jihadisten in Syrië en Irak al lang wisten? Het moet het besef zijn geweest dat ze niet de naïevelingen zijn waarvoor de braven onder ons hen wel wilden houden. Geen slachtoffers van lepe rattenvangers van Hamelen, die rechtsomkeer zouden maken zodra ze de barbaarse kant van hun ideaal leerden kennen – of daar minstens tegen zouden rebelleren. Maar ook dat was geen nieuws. In maart zond het Franse tv-station BFMTV een documentaire uit over ‘le quotidien de jihadistes en Syrie’ (het dagelijks leven van jihadisten in Syrië). Het ging over een ISIS-brigade van zo’n veertig Franse en Belgische jihadisten. Er zat een videoclip in waarop je een pick-up ziet die minstens zes lijken door de velden van het noorden van Syrië trekt. De brigadisten hebben er duidelijk schik in. ‘Takfir’ roepen ze, ‘ongelovige’, terwijl ze gieren van het lachen. Het modernisme weerstaanHardheid, wreedheid: het zijn geen randverschijnselen in de wereld van het radicale islamisme. Het zijn eigenschappen die door IS en verwante extremistische organisaties gecultiveerd worden, net zoals dat binnen Himmlers SS gebeurde. In het manicheïstische wereldbeeld van de jihadisten is geen plaats voor mededogen en barmhartigheid. Er zijn enkel de goede krachten van de ‘zuivere islam’ en de kwade krachten van de ‘ongelovigheid’. Hun ‘ongelovigen’ en ‘afvalligen’ zijn de Untermenschen van de nazi’s. Niet alleen vijanden die verslagen moeten worden, maar wezens die het leven eigenlijk niet waard zijn. “Ik geniet ervan te doden wie God wil”, aldus Abubakar Muhammad Shekau, leider van Boko Haram, de Nigeriaanse beweging die wereldwijd het nieuws haalde met de ontvoering van honderden schoolmeisjes.De oerhabitat van al het verwerpelijks op aarde is het Westen – evenmin een jihadistische uitvinding. Ian Buruma en Avishai Margalit beginnen hun in deze dagen weer van de plank gehaalde boek Occidentalisme met de gespreksstof tussen vooraanstaande Japanse geleerden en intellectuelen die zeven maanden na de Japanse aanval op de Amerikaanse marinebasis Pearl Harbor (1941) in Kyoto congresseren. Thema: hoe kunnen we het modernisme weerstaan? Dat ‘modernisme’ is eigenlijk een codewoord voor het Westen, een niet minder vaag begrip, maar in de palavers van Japans knapste koppen krijgt het contouren. Over ‘een giftige materialistische beschaving’ gaat het, die de eigen cultuur, spiritueel en diepzinnig, met haar oppervlakkige rationalisme infecteert. Het is een schema dat zich moeiteloos met allerlei tegenstellingen laat invullen: de goddeloze, decadente stad tegenover het zuivere, rechtschapen platteland, materie tegenover geest, handel tegenover heroïek, de geïndustrialiseerde samenleving tegenover de organische völkische samenleving. Het confronterende van het boek van Buruma en Margalit is dat al die motieven herleid blijken te kunnen worden tot westerse schrijftafels. Daar hadden de Japanse cultuurdragers het vandaan en daar hebben de ideologen van de jihad het vandaan. Het is moeilijk te verteren, maar we oogsten in de Oriënt, in de gedaante van salafisme/wahabisme, de zaden die westers intellect heeft geplant. Stoere taalEvengoed zijn die jongens die met zoveel bravoure de lichamen van hun slachtoffers door de woestijn trekken, veelal tweedegeneratie-immigranten, gezoogd aan de borst van moeder Europa – bastion en hoedster van menselijke waardigheid en rechtsstatelijkheid. Ze zijn toch bij ons naar school gegaan, ze zijn toch deel geweest van ons? Ze hebben toch ook de vruchten geplukt van onze beschaving, ons type samenleving met haar welvaart, goed onderwijs en genereuze sociale voorzieningen? Dat is nog moeilijker te verteren.Zoals altijd als eigenwaarde of het idee van onontkoombare waarheid een knauw krijgt, is op het Britse accent van Foley’s beul gereageerd met stoere taal. “Met de rituele verzekering dat moslimterrorisme niets met de islam te maken heeft kan niet meer worden volstaan”, peperde de commentator van de Volkskrant islamitisch Nederland in. “Zolang terroristen zich op de zuivere islam beroepen, heeft hun terreur alles met de islam te maken – of de gematigden dat nu leuk vinden of niet.”Ik denk aan mijn jonge jaren. Een heleboel moest anders – ik was niet voor niks links. Toen kreeg je in Duitsland de Rote Armee Fraktion. Die kidnapte en moordde uit naam van mijn ideeën over een fatsoenlijke samenleving. Maakten hun misdaden, omdat die gelegitimeerd werden met een beroep daarop, die ideeën, en dus mij, schuldig? Moest ik mij verantwoorden? “De kogel kwam van links”, riep toenmalig LPF-voorzitter Langendam na de moord op Pim Fortuyn door een dierenactivist. Er is toentertijd terecht schande van gesproken dat premier Balkenende geen afstand nam van die uitspraak van een coalitiegenoot. Read More
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6

Doorzoek de website

Social media

FacebookTwitterLinkedIn

Agenda

Geef een Volzin cadeau!

 

Advertentie