Laatste nieuws

  • 'Ik kies voor het mooiere verhaal'

    Elbert Smelt (30) is parttime-arts in de verslavingspsychiatrie, domineeszoon en zanger van Trinity, de grootste christelijke popact van
  • Schaamteloos

    Ooit had ik een jeugdvriend, maar hij bleef in mijn jeugd hangen. Een jongen waar ik graag bij
  • Volzin - nummer 11 2014

    IN DIT NUMMER SPECIAL OVER GOED OUDER WORDEN: GRIJS & WIJS ● Kom tot jezelf! – Ethicus Frits de Lange
  • 1
  • 'Ik kies voor het mooiere verhaal'

    Elbert Smelt (30) is parttime-arts in de verslavingspsychiatrie, domineeszoon en zanger van Trinity, de grootste christelijke popact van Nederland. Trinity maakt opwindende, aanstekelijke wereldmuziek, voornamelijk gezongen in Spaans en Engels. De groep leerde de kerk ‘een feestje bouwen’ en wil nu graag doorstoten naar een groter publiek dan alleen het christelijke. Elbert is een gepassioneerde frontman met een eigenzinnige visie op muziek, kerk en samenleving. Elbert, Johan en Niek Smelt zijn muzikale zonen van de zending. Johan speelt gitaar, Niek drums en percussie. Elbert zingt en bespeelt fluit en saxofoon. Samen met hun bassende vriend Bert Bos vormen ze de groep Trinity. Die naam heeft betrekking op hun christelijke achtergrond (de drie-eenheid van God, Jezus en Heilige Geest), maar ook op de drie culturen die ze op aanstekelijke wijze in hun muziek verenigen: de Keltische, de Afrikaans en de Zuid-Amerikaanse, ook wel Latino genoemd. De liedjes van Trinity klinken warmbloedig en dansbaar, hoewel de heren in hun teksten sociale en levensbeschouwelijke visies bepaald niet schuwen. Met Mundo, hun zesde album, bereikten ze afgelopen zomer nummer zeventien van de Nederlandse album Top 100.  “Ik ben als enige van de drie broers geboren in Peru”, vertelt zanger Elbert. “Mijn ouders waren daar zendelingen, voor de Gereformeerde Zendingsbond. Mijn vader als dominee en mijn moeder als tropenarts, beiden net afgestudeerd. Met een zoontje van een zijn ze naar de hoofd- en miljoenenstad Lima gegaan. In de tijd van terreurorganisatie Lichtend Pad en grote urbanisatie. Daar ben ik geboren. We woonden in een volkswijk bij het vliegveld. Ze kozen bewust niet voor een villawijk in het rijke deel van Lima. Ik ben daar later terug geweest, toen dacht ik: Man, dat jullie hier drie kinderen hebben opgevoed! Slechte huizen, veel alcoholisme, veel ellende.” Wilden je ouders ook mensen bekeren?“Hun standpunt was: we kunnen mensen moeilijk over Jezus gaan vertellen als ze geen eten hebben. Je kunt niet zeggen: God houdt van je en hij heeft een plan met je leven en voor de rest: stik maar in je misère. Jezus houdt van je, doei! Als je Jezus echt volgt, dan zorg je er eerst voor dat het onrecht uit de wereld gaat. Ze zijn vooral bezig geweest met het verbeteren van leefomstandigheden. Mijn moeder deed als arts gezondheidsprojecten voor vrouwen in de buurt, met betrekking tot zwangerschap, opvoeding, kinderen enzovoorts. Mijn vader hield zich vooral bezig met het oprichten van scholen. Eigenlijk was hij een soort projectmanager, die samenwerkte met de Peruanen. Daarnaast was er dan ook de kerk. Op zondag preekte hij.” Nederland heeft een heleboel beroemde zonen van dominees. Jij bent er een van.“Klopt, het doet blijkbaar iets met je. Toen ik acht was kwamen we terug in Nederland. Toen was ik dus ‘gewoon’ domineeszoon in Nederland. Domineeszoon zijn maakt je al gelijk meer een podiummens. Van jongs af aan leef je een beetje in een glazen huis. Als je ergens nieuw komt als domineeskind, kent gelijk de hele gemeente je. Je staat meteen in de picture.” Als muzikant is het eigenlijk ook zo. “Mijn vader heeft een preekstoel, ik heb een podium. Wij trekken ook rond, investeren in mensen, bereiken snel een diep level van contact. Vervolgens zeggen we: veel geluk hier, wij gaan weer verder. Dat is ook de charme van optreden. Daar houd ik erg van, het is eigenlijk mijn tweede natuur geworden.” Zou jij ook zendeling kunnen zijn?“Volgens mij werkt dat in deze tijd niet meer. Ik zie dat in ieder geval niet als mijn ding. Toen ik jong was wel. Ik droomde dat ik een soort Albert Schweitzer zou worden (befaamd Duitse lutherse theoloog en medisch zendeling, 1875-1965, TE). Niet zo groots als hij natuurlijk, maar toch. Ik las boekjes over zijn leven. Die vond ik echt cool. Hij was naast tropenarts ook musicus en theoloog. Voor dat laatste had ik niet zoveel roeping. Maar ik ben inmiddels zelf wel dokter. Mijn keuze voor geneeskunde werd heel erg gestuurd door de wil om nuttig te zijn in deze wereld. Niet zozeer door wat ik goed kon of leuk vond.” Read More
  • Rondleiding in religieus reservaat

    Zijn lichaam wil niet zo best meer, maar zijn geestkracht is gelukkig nog ongebroken. Als oud-redacteur van de Bazuin, het katholieke weekblad dat in 2002 met Hervormd Nederland opging in Volzin, had ik enkele weken terug het genoegen mijn vroegere collega André Lascaris toe te mogen spreken ter ere van zijn 75ste verjaardag. Ter voorbereiding nam ik de jaargangen 1976 tot 1981 van de Bazuin door. Weemoed en verbazing werden mijn deel. Aangename opwinding ook. Wat hadden we toen als katholieken nog veel om binnen onze kerk voor te strijden: gehuwde priesters, de vrouw in het ambt, gelijkberechtiging van homo’s, democratisering van het kerkbestuur – om maar een paar heikele kwesties te noemen. Je hoort en leest er niet veel meer over. In de prachtige tv-uitzending die VPRO’s Hokjesman Michiel Schaap onlangs maakte over ‘de katholieken’, kwamen weliswaar nog enkele grijze kerkhervormers voorbij, maar het merendeel van de uitzending werd toch gevuld met beelden van diepvrome ‘katholieke jongeren’, van volksdevotie en processies. De Haarlemse bisschop Jozef Punt vertelde de Hokjesman dat hij de inzet van de hervormers waardeert, maar “ze moeten trouw blijven aan de essentie, het Heilige”. En de jonge journalist Anton de Wit legde hem op even beminnelijke wijze uit waarom hij de orthodoxie prefereert boven de vrijzinnigheid (“die eet haar eigen kinderen op”). Zowel André Lascaris als Anton de Wit heeft aan deze aflevering van Volzin overigens een lezenswaardig artikel bijgedragen. De Hokjesman leidt het grote publiek in mijn kerk rond als ware zij een religieus reservaat. Ze wil dat natuurlijk niet zijn, maar dit is kennelijk wel het beeld dat een groot deel van de samenleving van haar heeft. Het antwoord op de vraag hoe het zover heeft kunnen komen, is complex. Maar een zaak die eruit springt, is wel dat de kerk zich in haar officiële leer en uitingen vaak volkomen wereldvreemd opstelt. “Homo’s moeten zich houden aan de onthouding”, zei kardinaal Eijk vorige maand maar weer eens. Maar wie luistert daarnaar? Zelfs Eijks ‘eigen KRO’ niet. Die brengt in blijmoedige programma’s als Boer zoekt vrouw heel wat afwijkingen van de katholieke moraal in beeld. Ook op wereldniveau is de r.-k. kerk vaak ‘out of touch’ met de hedendaagse gelovigen. Onder het bewind van de pausen Johannes Paulus II en Benedictus XVI heeft zij zich nadrukkelijk geprofileerd als tegenstander van de moderne westerse cultuur. Met vaste hand is een strategisch programma uitgevoerd om de vermeende ‘uitwassen’ van deze cultuur, buiten maar ook binnen de kerk, te bestrijden. Het heeft de kerkleiding in een rampzalig isolement gevoerd ten opzichte van haar eigen gelovigen en van de buitenwereld. De toch al geringe geloofwaardigheid is verder aangetast door het schandaal van het seksueel misbruik. Paus Franciscus wil duidelijk met dit verleden breken. Hij wil liever een kerk die in de wereld vuile handen krijgt dan een zuivere in zichzelf gekeerde kerk. Gaat Franciscus (77) het pleit winnen? Afgelopen maand vond op zijn uitnodiging in Rome een wereldbisschoppensynode over het gezin plaats. Op die synode – 191 bisschoppen en 62 experts en toehoorders; 228 mannen en 25 vrouwen – ging het er heftig aan toe. De deelnemers bleken hevig verdeeld over hete hangijzers als ongehuwd samenwonen, homoseksualiteit en het communieverbod voor gescheiden hertrouwde katholieken. Waar sommige deelnemers ‘positieve aspecten’ zagen in homorelaties en ongehuwd samenwonen en het communieverbod wilden opheffen, betoogden anderen botweg dat “daden van onkuisheid geen positieve elementen kunnen bevatten”. Ruwweg een derde deel van de bisschoppen pleitte voor meer openheid, twee derde wees die openheid af. De paus zelf deed er tijdens de vergadering het zwijgen toe. Na afloop verklaarde hij wel “geanimeerde discussies” te verkiezen boven “een valse of quiëtistische vrede”. De strijd binnen de kerk is overigens nog onbeslist. Volgend jaar komt de synode, in een gewijzigde samenstelling, opnieuw bij elkaar om conclusies te trekken. Het laatste woord is daarna aan Franciscus. Maar hoe de machtsstrijd in het Vaticaan en het woord van de paus ook uitvalt, de katholieke gelovigen zullen natuurlijk hun eigen gewetensvolle conclusies blijven trekken. Als katholiek zeg ik: ‘En daar hebben we gelijk in’. Read More
  • Wie God verliest, krijgt hem terug

    Bestaat God? Postseculiere denkers als Alain de Botton vinden deze vraag niet meer relevant en wijzen op de voordelen van religie. In God geloven? Dat stadium zijn we inmiddels wel voorbij. Absolute zekerheid krijg je nooit, maar volgens godsdienstfilosoof Wouter Slob is dat geen reden om het geloof in God op te geven: “Geloof moet je niet willen bewijzen, geloven in God moet je doen.” In de heftigheid van de Zwarte Piet-discussie zou je het bijna vergeten: hij bestaat niet, hoor! En Sinterklaas evenmin. Voor de intensiteit van de betoogtrant lijkt dat echter niet uit te maken. Bij deze discussie gaat het immers niet om een wezensbepaling van Zwarte Piet, evenmin om de historische vraag of Sinterklaas wel echt uit Spanje komt, maar gaat het om de betekenis van deze twee figuren in onze eigen concrete levens. Voor de tegenstanders van de zwartheid van Piet is de associatie van huidskleur met domme onderdanigheid doorslaggevend. Voor de voorstanders van Zwarte Piet staat de oer-Hollandse eigenheid op het spel. In beide gevallen gaat het dus vooral om de eigen identiteit. Voorwaardelijk geloofHoe anders moet dat wezen bij een discussie over God. Hoewel de gelijkenis treffend kan lijken (oud, baard en goedheilig), is het duidelijk dat Sinterklaas een verklede oom is, een interessant folkloristisch figuur en een handig commerciële kruiwagen. God, daarentegen, dient ‘echt’ te bestaan om betekenisvol te wezen. Of dat wel of niet het geval is, is natuurlijk punt van discussie tussen theïsten en atheïsten, maar dat het bestaan van God een voorwaarde is voor de zinvolheid van religie, daarover zijn deze voor- en tegenstanders het eens.Niet alleen atheïsten bezondigen zich aan de bestaansvraag. Ook theïsten, in hun ijver om het bestaan van God te bevestigen, aarzelen niet om zijn bestaan door middel van deze vraag ter discussie te stellen. Een teken van vertrouwen is dat toch niet, eerder een signaal van wantrouwen: ‘Ik wil best geloven en desnoods mijn ziel en zaligheid aan de Heer toevertrouwen, maar alleen als hij bestaat.’ Het theïsme is daarmee een uitdrukking van voorwaardelijk geloof. Maar is dat vreemd? Als God niet zou bestaan, zou hij wel érg sterk op Sinterklaas gaan lijken, en zouden we onze ziel en zaligheid vasthaken aan een folkloristische hersenschim, een leuk bedenksel, maar niet waar. We zouden onszelf bedotten; de zak die zo vol verrassingen voor de deur staat, hebben we er zelf neergezet.In de discussie rond het bestaan van God doen vóór- en tegenstanders hun uiterste best de bewijslast op de schouders van de tegenpartij te leggen. Begrijpelijk, want het bestaan van ‘iets dat ons verstand te boven gaat’ is lastig aan te tonen of te weerleggen. Dat laat je liever aan de tegenstander over. Wederzijds wordt gewezen op het probleem dat de kracht van de gehanteerde argumenten afhankelijk is van de veronderstelde uitgangspunten. Elke argumentatie wordt zo circulair. Onontkoombaar atheïsmeWellicht heeft de atheïst Floris van den Berg daarom gelijk als hij de menselijk autonomie in dit debat centraal stelt en om die reden voor het atheïsme kiest. Is het geloof immers niet het gevolg van een onzindelijke indoctrinatie die de mens afhankelijk maakt van een bovennatuurlijke, metafysische, kracht? Een autonoom persoon zal nooit kiezen voor afhankelijkheid. Maar juist het beroep op de liberale vrijheid zadelt hem op met de ‘ongemakkelijke paradox’ dat mensen ook vóór het geloof kunnen kiezen.‘Ongemakkelijk’ is die paradox slechts dan, wanneer je meent dat de keuze altijd tegenstrijdige keuzes uit moet sluiten. Maar die fase zijn we voorbij. In zijn gelauwerde studie Een Seculiere Tijd noemt de Canadese filosoof Charles Taylor dit als kenmerk van de late fase van de secularisatie: geloof is een optie, net als ongeloof. Waar ooit theïsten en atheïsten hun uiterste best deden elkaar te diskwalificeren, daar erkennen postseculiere gelovigen én ongelovigen wederzijds elkaars keuzes. Zonder hun eigen positie daarbij op te geven. Vanuit gelovig perspectief is het atheïsme al langer een onontkoombare en onvermijdelijke realiteit. In het persoonlijke leven hebben de meeste gelovigen meer mensen zien afhaken dan volhouden, niet zelden hun kinderen en kleinkinderen. De tijd dat deze afvalligen konden worden uitgestoten is sinds lang voorbij. Gelovigen hebben door schade, schande en schuldgevoel moeten leren leven met de reële optie van ongeloof. In zekere zin liepen de gelovigen daarmee voor op de ongelovigen, die pas met de doorwerking van het postmodernisme hun exclusieve gelijk hebben opgegeven. Anders dan sommige hardnekkige tegenstanders lijken te denken, gaat het hierbij niet om het bejubelen van ongebreideld relativisme. Het gaat om de vaststelling dat rationaliteit geen universele grootheid is: context-bepaald en daarmee achtergrondgevoelig. De militante atheïstische aanspraken bleken net zo dwingend en uitsluitend als hun theïstische tegenhangers en vereisten daarmee in feite een zelfde soort God’s eyepoint of view om houdbaar te zijn. Precies dat perspectief werd hartgrondig ontkend. Het menselijk kenvermogen is echter beperkt en feilbaar, ontoereikend en verbeterbaar. Dat maakt zowel de exclusieve aanspraken van theïsten als atheïsten verdacht. Dit feit geeft hernieuwde ruimte aan de keuze voor religiositeit. HerwaarderingPostseculiere denkers tonen dan ook opnieuw belangstelling voor het geloof. God was dood en begraven, maar lijkt te zijn herrezen! Niets nieuws voor gelovigen (hoewel velen er wellicht niet meer op hadden durven hopen). Maar voor ongelovigen nog niet zo makkelijk te geloven. Tegen de klippen op probeert godsdienstwetenschapper Koert van der Velde het bijvoorbeeld, maar hij komt niet verder dan slechts ‘flirten met God’. Geloven dat Hij bestaat, kan hij eenvoudigweg niet. Op soortgelijke manier komt filosoof Ger Groot steeds God weer tegen en voert journalist Joël De Ceulaer een pleidooi om ‘God niet weg te gooien’ (zie blz. 54).Zelfs een geharnaste modernist als Jürgen Habermas ziet inmiddels de waarde van geloof, de denker des vaderlands René Gude bekent de religiositeit misschien te hebben verwaarloosd en Alain de Botton ziet in religies ‘iets wat mooi, ontroerend en wijs is’. Maar allen benadrukken daarbij atheïst te zijn en te blijven. Read More
  • NIEUWE VOLZIN: SPECIAL 'GRIJS EN WIJS' & TRINITY

    Deze maand in Volzin een special over goed ouder worden. Hoe doe je dat? Frits de Lange, criticus van het zwitserlevengevoel, heeft weinig op met het moderne idee dat je als senior vooral ondernemend en vitaal moet zijn. Wijsheid ligt volgens hem in het betrokken blijven bij anderen. Zo vindt ook oud-politicus Bas de Gaay Fortman: “Je wordt oud, maar dat is niet je identiteit. Een mens moet een taak hebben.” Theoloog André Lascaris laat zich overvallen door de oogst in de herfst van zijn leven. "Hoort bij de oogst dat je wijzer bent geworden?", vraagt hij zich af. Ook in Volzin: een interview met Elbert Smelt, de zanger van Trinity. De domineeszoon en arts is onderdeel van de populaire ‘christelijke popband’ Trinity. “Mijn vader heeft een preekstoel, ik heb een podium.” De drie broers Elbert, Johan en Niek Smit en hun vriend Bert Bos maken opwindende, aanstekelijke wereldmuziek. “Onze muziek staat voor de kant van het geloof die juist niet fundamentalistisch is”, vertelt Elbert. “Dat zieltjes winnen-gedoe vind ik stom, het gaat om culturen met elkaar verbinden, om bruggen bouwen en over je eigen grenzen heen kijken.” Met hun laatste album Mundo bereikten ze deze zomer nummer zeventien van de Nederlandse album Top 100. Een kans om door te stoten naar een groter publiek? “We willen graag meer uitdaging, als popband meer serieus genomen worden buiten het christelijke wereldje. We zijn eigenlijk al tien jaar onzichtbaar voor de rest van Nederland.”  De nieuwe Volzin verschijnt vrijdag 21 november.  Als u geen abonnee bent, kunt u hier het Volzin-nummer los bestellen.  Hoort bij de oogst dat je wijzer bent geworden?  Read More
  • 'Dit boek is bovenal poëzie'

    Pieter Oussoren (1943) is predikant van de Evangelisch-Lutherse Gemeente in Apeldoorn en vertaler van de Naardense Bijbel (1994). Op 21 november a.s., om 16.00 uur, presenteert hij in de Nicolaikerk in Utrecht de tiende, sterk herziene editie van de Naardense Bijbel, in zakformaat. Het lijkt misschien alsof ik in 1972, toen ik begon met mijn vertaalwerk een plan had, bijvoorbeeld om binnen een bepaald tijdsbestek de hele Bijbel vertaald te hebben. Maar zo’n georganiseerd mens was en ben ik niet. Ik begon wel, maar ik wist nog niet waaraan ik begon. Ik wist helemaal nog niet dat er ooit een complete Bijbel van zou komen. Ik had een voornemen, meer niet: elke dag een klein stukje Bijbel vertalen.” Meer dan dertig jaar later, in 2004, was het dan toch zo ver. Predikant Pieter Oussoren leverde een complete bijbelvertaling af, de Naardense Bijbel. En nog eens tien jaar later verschijnt daarvan binnenkort een volledig herziene versie, in zakformaat. Wat motiveerde je eigenlijk om in je eentje de hele Bijbel opnieuw te vertalen? “Ik begon er in1972 aan omdat ik helemaal klem zat: ik wilde dominee worden en als je dominee bent moet je ook preken houden. Maar ik wist niet hoe ik preken moest: elke ‘stichtelijkheid’ ontbrak en ontbreekt me, en mooie gedachten voor de zondagmorgen vertrouw ik niet. Leuke voorvallen zijn zelden toepasselijk en vrome vrouwtjes die je spreekt verkopen vaak onzin. Toch wilde ik voorgaan in vieringen op zon- en feestdagen, omdat ik daar in het algemeen als opgroeiend jongmens heel veel aan gehad had. Waar ik dan veel aan had? Het licht in een kerk, het gezelschap van mensen, orgelstukken en volks psalmgezang, gebeden, een verfrissend woord uit een eeuwenoud open Boek, de vraag naar een duit in een zakje, de zegenende aanwezigheid van een vriendelijke man of vrouw als voorganger – op zondag in een kerk en doordeweeks de huizen langs. Vanaf m’n tiende wilde ik al werken in het kerkelijke bedrijf, en nu was ik 29 en kon ik aan de slag, maar wist ook dat ik geen zinnig woord uit mijn mond zou krijgen als ik niet elke dag een stukje Bijbel als ‘voor het eerst’ zag, in z’n eigen moers taal, als ik niet om zo te zeggen het schilderij even zag zonder vuil, verwering en gele vernis, in de originele kleuren die de schilder voor zich had gehad. Als ik niet zelf eerst verrast werd zou ik nooit iemand, laat staan een hele gemeente, kunnen verrassen; als ik niet zelf af en toe ontregeld werd vanuit Gods eigen boek, zou ik er niets en niemand mee kunnen opbouwen. Dus: voor elke zondag ten minste één bijbelgedeelte gloednieuw, dát nam ik me voor. Ik had meegemaakt dat dat ‘werkte’: in de Domkerk in Utrecht, toen Hans van der Werf daar predikant was. Door zijn wekelijkse vertaalwerk en zijn preken en gebeden vatte ik moed, durfde ik het aan om een gemeente te beginnen en ‘moest’ ik wel gaan vertalen, zeer geholpen door een joodse vrouw die op mijn weg kwam, Mijntje van Tijn, die toch al vond dat in zélf bijbelvertalen de enige kans voor dominees en pastoors lag.Zó is het gekomen, en als je dan maar op die manier aan het werk blijft heb je dertig jaar later heel veel van de Bijbel liggen en verschijnt er uiteindelijk een complete vertaling.” Ben je door je vertaalwerk anders tegen de Bijbel aan gaan kijken?“Ik heb er van overgehouden dat het een feest is om vele en verschillende bijbelvertalingen naast elkaar te hebben. Elke nieuwe vertaling voegt iets toe en heeft wat te melden, elke bewerking van een bijbeltekst trouwens ook. Maar wat me bij het herlezen van de teksten in hun grondtalen – Hebreeuws en Grieks – vooral is opgevallen, ook nu weer bij de herziening, is hoezeer de bijbelse literatuur poëzie is: tekst waarin de vorm en de inhoud nauw met elkaar verweven zijn. Dat zie je al in de manier waarop in het Hebreeuws de zinnen worden afgebroken, waardoor er bijzondere accenten ontstaan. De tekst in de Naardense Bijbel ziet er dan ook uit als één lang gedicht. Maar je ziet het ook in de manier waarop terugkerende motiefwoorden het ritme van de tekst bepalen. In Jona 1 staat elf keer het woordje jam – zee. Ik laat dat ook elf keer horen. Dat roept de vraag op: waar staat het de twaalfde keer? Twaalf is in de Bijbel een heilig getal, het getal van perfectie. En als het woord jam dan weer verschijnt, een hoofdstuk verder, blijkt het verhaal helemaal gericht te zijn op de ‘opstanding’ van Jona uit de diepte van de dreigende zee. Bijbeltaal is geen gewone taal: zij gebruikt oeroude literaire middelen en is in klank en woordgebruik een prachtige oosterse bibliotheek die ruikt naar woestijn, bergen en oases.”Heeft zo’n oude bibliotheek aan teksten nog zeggingskracht voor vandaag?“Ik ben steeds meer gaan ‘voelen’ dat de Bijbel niet een-op-een een kookboek voor ons geloof is, dat er altijd twee- tot drieëneenhalfduizend jaar tussen ons en de bijbeltekst ligt. Ik krijg steeds meer vragen bij bekende verhalen en al te vertrouwde bijbelwoorden. ‘Wat zou hier nu eigenlijk bedoeld worden?’ In de kerk doen mensen nogal eens blasé over de evangeliën: ‘Die verhalen kennen we nu wel…’ Ja, zondagsschoolverhalen ken ik ook, maar wat de verschillende evangeliën nu eigenlijk willen weet ik steeds minder. De bijbelteksten kunnen opnieuw gaan aanspreken als we ze weer laten schuren, als we het vreemde en onverwachte opzoeken. Elke zondag een stukje evangelie helemaal opnieuw bekijken: ik vind dat steeds spannender worden en probeer mijn gemeente daarin te betrekken. Neem Matteüs 10, 34. Meent niet dat ik gekomen ben om vrede te werpen op het aardland, zegt Jezus daar. Kun je vrede werpen in plaats van brengen? Je kunt een twistappel in een gezelschap werpen, maar ook vrede? Read More
  • 'Ik sta uiterst argwanend tegenover elke inpakkerij'

     Vandaag is Harry Kuitert 90 jaar geworden. Morgen is het honderd jaar geleden dat zijn collega-theoloog Edward Schillebeeckx geboren werd. De Bazuin, voorloper van Volzin, hield 15 jaar geleden een dubbelinterview met beide spraakmakende theologen. Vandaag het eerste deel van die tweeluik: Harry Kuitert. Verkwanselaars van het erfdeel van hun gereformeerde en katholieke vaderen? Zelf zien de twee beroemdste Nederlandse theologen van de twintigste eeuw liever als padvinders die wegen willen openleggen naar de toekomst. "Het belangrijkste dat ik aan mijn tijdgenoten heb willen zeggen, lijkt me de stelling te zijn, dat al onze voorstellingen over 'boven' van 'beneden' komen. Wij zijn in het godsdienstig geloof bezig als mens en spreken over dat geloof met alle relativiteit die aan het menselijke spreken eigen is. Ons geloof is niet anders of meer dan een menselijk ontwerp. Daar houd ik het op. Wij moeten dus als christenen ons gelijk nog kríjgen. In één zin samengevat: wij christenen wéten niet beter dan anderen." Waaraan dankt u uw populariteit en hoge verkoopcijfers? "Ik vertegenwoordig een generatie gelovigen die met alle goede wil graag wil vasthouden aan de traditie, maar die dat in de vorm waarin die traditie is overgeleverd, heel moeilijk kan. De kerkelijke cultuur waarmee we vertrouwd zijn geweest, verdwijnt onherroepelijk. Kerken die menen de waarheid over God in bezit te hebben: dat is voorbij. Ook de hele taal en ritualisering daaromheen heeft geen toekomst meer. Om enkele voorbeelden te noemen: De incarnatie, de verklede-prins-christologie, Jezus als God en mens inéén, dat alles kan echt niet meer. En met de drie-eenheid doe je niemand een plezier. Die kwestie hoort niet bij het geloof, maar is meer iets voor theologen, en daarmee klaar.Ik zie mezelf niet als een overgangstheoloog en ook niet als een voorloper, maar als iemand die staat op een breukvlak. En dat heb ik, vermoed ik, gemeen met veel van mijn lezers. Dat is het punt van spirituele herkenning.Het tweede punt is dat van de leesbaarheid van mijn werk. Ik schrijf zonder jargon, in gewone-mensentaal. Vandaar dat collega-theologen mij nogal eens laatdunkend bekijken. Zij missen de theologentaal. Dat gemis vind ik nou juist heel leuk! Ik heb dat ook altijd aan mijn studenten voorgehouden: zolang je het niet aan je vrouw of vriendin kunt uitleggen, heb je de zaak nog niet onder de knie." @vraag = Hoe staat u tegenover de roem en eer die u ten deel is gevallen?@t1 = "Ik heb nooit zo'n gevoel van roem gehad, eerder het gevoel dat ik met argwaan werd bekeken en in het verdomhoekje gezet werd. Dat vond ik lang niet altijd erg. Maar soms liep het uit de hand. Dan kwam men tot zulke krasse uitspraken over mijn leven, mijn geloof en mijn werk dat ik wel eens gedacht heb: het kunnen toch nauwelijks nog christelijke overwegingen zijn die mensen tot een dergelijk oordeel brengen. Die onheuse kritiek kwam vooral uit de meer behoudende vleugel van het protestantisme. Maar ik heb van mijn lezers ook veel bijval ondervonden. Dat geef ik graag toe." Bent u, alle kerkelijke tegenwerking ten spijt, blij gereformeerd te zijn?"In de tijd dat ik nog hoogleraar aan de Vrije Universiteit was en het geduvel met de kerk enigszins beu was, heb ik wel eens overwogen om naar de hervormde kerk over te stappen. 'Doe dat nou niet', zei de voorzitter van het VU-bestuur toen tegen me. 'Dan beteken je niks meer.' Die man had gelijk. Juist doordat ik binnen de gereformeerde kerken gebleven ben, heb ik voor een aantal mensen een emanciperende rol kunnen vervullen. Maar of ik op dit moment nog blij ben gereformeerd te zijn? Ik zou mijn hand overspelen als ik die vraag met ja zou beantwoorden. 'Blij' is echt niet het goede woord. Daarvoor ben ik door de gereformeerde autoriteiten te zeer gemarginaliseerd. Ik had best wat ideeën en praktische inzichten in huis waarmee die autoriteiten hun voordeel hadden kunnen doen. Maar ze hebben daar nooit gebruik van willen of durven maken. Ik ben nooit gevraagd om als deskundige zitting te nemen in kerkelijke organen.Ik bezoek de kerk nog maar mondjesmaat. Mijn vrouw is van afkomst Zweeds, luthers; ik ga wel eens met haar mee naar de lutherse kapel. Maar het liefst ga ik naar kerken waar niet gepreekt wordt. Woorden zeggen me niet zoveel meer. Ik kan het zelf ook allemaal bedenken. U kunt me dus wel eens in een rooms-katholieke kerk aantreffen waar ik zelfs nog een kaarsje opsteek voor welke heilige of maagd dan ook. Dat vind ik prachtig, evocatief; het brengt mij in heel serene stemming." Welke gebeurtenis tijdens uw leven heeft uw denken het meest bepaald?"In 1953 maakte ik als jonge dominee op Schouwen-Duiveland de Watersnoodramp mee. Die gebeurtenis heeft me een enorme opdoffer verkocht. Ik ontdekte hoe eenmalig de kansen zijn die je als mens krijgt en hoe je morst met de tijd als je maar in je gewone stramien blijft doorgaan. Buit je je mogelijkheden wel genoeg uit?Van heel andere aard is een ervaring die me tien jaar later overkwam: na mijn promotie werd ik uitgenodigd om de vereniging van hervormde predikanten toe te spreken. De hoogleraar Van Niftrik kondigde me bij die gelegenheid aan als 'Kuitert, de coming man van de gereformeerden'. Toen dacht ik: nu gaat het verkeerd met me. Sinds die tijd sta ik uiterst argwanend tegenover elke inpakkerij van welke kerkelijke of wereldlijke instantie dan ook." Van welke theologische stellingname heeft u achteraf het meeste spijt?"Ik ben voor mijn gevoel heel tastend mijn weg gegaan. Ik heb me stap voor stap losgemaakt van mijn oergereformeerde verleden. In die zin is mijn denken voortdurend veranderd. Maar daar kan ik niet echt spijt van hebben.Nee, waar ik wel eens spijt van heb, is dat ik eind jaren zestig en begin jaren zeventig een korte periode te overmoedig de optimistische tijdgeest heb omhelsd. Ik heb toen beweerd dat het Koninkrijk Gods hier op aarde al werkelijkheid zou kunnen worden. Maar al gauw heb ik van die gedachte weer afscheid genomen. Mijn boek Alles is politiek, maar politiek is niet alles mag u lezen als een bekeringspamflet. Het Koninkrijk Gods is een utopie, denk ik nu, en daar blijft het bij. Utopieën moet je niet willen verwezenlijken. Dat leidt tot bloedvergieten en mensen die niet meedoen, worden uitgemaakt voor verraders." Gesteld dat u opnieuw kon kiezen, zou u dan opnieuw theoloog worden? "Ik kan me niet goed indenken hoe mijn leven zonder de theologie verlopen zou zijn. Misschien zou ik voor een rustigere tak van de theologie gekozen hebben. Ik heb er wel eens over gedacht me te concentreren op de patristiek, de studie van de kerkvaders. Daar zit een filologische kant aan en die heeft me altijd getrokken. Ik ben graag met taal bezig. Maar, vraag ik me dan af, leidt zo'n studie ergens toe? Natuurlijk, als theoloog ben je altijd óók archeoloog, en dat vind ik heerlijk. Maar tegelijkertijd heb ik altijd padvinder willen zijn, wegen willen openleggen naar de toekomst. Als ik het pistool op de borst gezet krijg, zou ik vermoedelijk dus toch weer voor datgene kiezen wat ik tot nu toe in feite gedaan heb, ondanks de ellende die me dat bezorgd heeft." Wat betekent Edward Schillebeeckx voor u?"Dankzij hem heb ik geleerd waar de nieuwe katholieke theologie op neerkomt en hoezeer die een breuk is met de klassieke, traditionele leer van de rooms-katholieke kerk. Meer specifiek denk ik dan aan zijn beide Jezusboeken. Die zijn - ik zou bijna zeggen: ondanks hun vracht aan geleerdheid - heel fundamenteel. Ik ben het met Schillebeeckx eens dat we niet over Jezus kunnen praten wanneer we niet de historische Jezus in het oog houden. De context van zijn Jezusboeken is vooral die van het menselijk lijden; bij mij ligt de nadruk meer op schuld en verantwoordelijkheid. Die twee benaderingen sluiten elkaar zeker niet uit. Het moet mogelijk zijn daar een synthese van te maken.Het leven binnen het kerkelijk instituut is, vrees ik, soms fnuikend geweest voor Edwards spontaniteit. Ik geloof dat de mens Schillebeeckx over een veel teerdere en gevoeligere ziel beschikt dan uit zijn boeken blijkt. Zijn lezers zien hem alleen maar als een heel geleerd man. Ik weet daarbij dat hij ook een heel warm mens is." Hoe zien uw plannen voor de toekomst eruit?"Statistisch gesproken heb ik nog maar één jaar te leven... Ik hoop te blijven schrijven. Jakkeren wil ik niet meer; ik heb mijn uitgever verboden om me te bellen met de vraag wanneer mijn volgende boek af is, maar ik heb al wel de nodige aantekeningen. Waarom doen mensen dat nou, geloven? Daarover moet mijn nieuwe boek gaan. Ik wil die vraag stellen en beantwoorden omdat ik niet graag zie dat mensen met behulp van God en godsdienst om de tuin geleid worden of met een kluitje in het riet gestuurd worden. God en godsdienst worden soms misbruikt om mensen horig te maken, maar ik vind dat geloof bedoeld is om mensen vrij te maken. Zoals Luther zei: 'niemands slaaf en ieders dienaar'. Ik vind dat een mooie formulering voor een prachtige praktijk van het menszijn." Waar en hoe ontmoet u God?"Echte ontmoetingen met God, ze waren en zijn er wel, maar ik vind dat niet iets om over uit te weiden. Maar ik zoek het niet zo hoog, meer in een bepaalde gestemdheid. Noem het een meditatief moment. Met open ogen wandelen door het avondlijk duister van Amstelveen, een flatgebouw zien met vijftig, honderd verlichte ramen en weten: daar wonen mensen, en God hoort bij mensen. Soms overkomt me een gevoel van openheid voor wat ze me over God verteld hebben. Daar ben ik dan heel blij mee." Maakt het geloof het u lichter om te sterven?"Dat geloof ik niet. Het gruwelijke lijden van medemensen die gemarteld en vermoord worden, ervaar ik als een verschrikking - als je ooit je geloof zou verliezen, dan dáárom - maar mijn eigen sterven zie ik als doodnormaal. Niemand is ooit aan doodgaan ontkomen, ook Jezus niet. Dat vind ik al troost genoeg.Maar een leuk vooruitzicht is het natuurlijk niet. Je wilt nu eenmaal in de zandbak blijven spelen. Dus wil ik nog lang niet dood en als je dat niet wilt, ben je nog lekker vitaal. Zo gauw je dat wél wilt, is het tijd om te gaan.Of ik na mijn dood ergens naar toe ga, nee, zo bekijk ik dat niet. Ik blijf wel vasthouden dat wij mensen niet vernietsen. De geest keert terug naar Hem die haar gegeven heeft. Die gedachte bewaart je voor het rottige idee dat je nihil zou worden, helemaal niets. Het oordeel en de hel vrees ik niet. De hel is in mijn ogen een sprookje dat is uitgevonden om mensen bang te maken. Daar heb ik nooit mee gezeten evenmin als ik ooit gezeten heb met een typisch gereformeerd punt als de uitverkiezing. Dat kan een oppervlakkigheid mijnerzijds zijn, maar dan toch een oppervlakkigheid waar ik God dankbaar voor ben." Gesteld dat u begraven wordt en u kunt een grafschrift kiezen, hoe zal dit dan luiden?"Wat ik heel mooi en kuis vind is: 'God is een God van levenden, niet van doden.' Wat ik best op een rouwkaart zou willen hebben is een zinsnede uit de klassieke rooms-katholieke begrafenisliturgie: Angeli te deducant. 'Dat de engelen je mogen begeleiden': als laatste wens van de nabestaanden lijkt me dat heel ontroerend." Read More
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6

Doorzoek de website

Social media

FacebookTwitterLinkedIn

Agenda

Geef een Volzin cadeau!

 

Advertentie