Laatste nieuws

  • Betekenis tussen de zinnen

    De taal van de liturgie mag wel wat lijfelijker en zintuiglijker, vindt lieddichter Andries Govaart. “Dan voel je
  • Tijd voor onzin

    Na onze verhuizing van een aantal maanden geleden stonden alle boeken prachtig op een rij. Imposante stapels leesvoer
  • Onmogelijke gastvrijheid

      De winter staat voor de deur, maar gemeenten krijgen geen cent extra voor extra opvang van vluchtelingen.
  • 1
  • Betekenis tussen de zinnen

    De taal van de liturgie mag wel wat lijfelijker en zintuiglijker, vindt lieddichter Andries Govaart. “Dan voel je dat er iets gebeurt, het woord gaat letterlijk in ons op.”  ’De bijbelse profeet Ezechiël kreeg een wonderlijke opdracht. Hij moest de hem aangereikte boekrol niet alleen lezen, maar ook opeten. “Mensenkind, vul je maag en je buik met deze rol, die ik je geef.” De profeet deed braaf wat hem bevolen werd en vond de boekrol zelfs lekker. “Hij was zo zoet als honing.” Andries Govaart (60) vindt het een fantastisch beeld. Ezechiël moet de inhoud van de rol helemaal in zich opnemen, in zijn ingewanden en bloedsomloop. “Het woord gaat letterlijk in hem op.” Als de theoloog liederen of gebeden schrijft, zoekt hij ook naar dergelijke fysieke beelden. “De taal die we in de liturgie gebruiken, is vaak nogal vroom en geestelijk. Terwijl er in de Bijbel zelf heel veel lijfelijke taal klinkt.” Gij plant uw woord in ons lichaamHet mag dus wel wat lichamelijker, zintuiglijker. “Tijdens de kerkdienst zet je je eigen lichaam in. Je leest, je zingt, je beweegt. De Bijbel wordt pas Gods woord als jij er jouw adem aan geeft. Dan gebeurt er wat.” Hij laat een stilte vallen, graaft in zijn geheugen en citeert een regel uit een lied dat hij zelf ooit schreef: ‘Gij plant uw woord in ons lichaam, wij dragen vruchten te over op aarde.’ Dat bedoelt hij met zintuiglijk. “Je voelt dat daar iets gebeurt, daar wordt iets geboren – die twee woorden hebben dezelfde wortels.”Govaart spreekt graag over dit ‘gebeurteniskarakter’ van de kerkdienst, waardoor voorganger en gelovigen ervaren dat ze samen iets bijzonders meemaken. Lijfelijk en concreet taalgebruik helpt daarbij, evenals een keus voor spreektaal. “De gebeden die je in de kerk hoort, zijn vrijwel altijd geschreven teksten. Dat hoor je meteen. Je wilt het gebed mee voltrekken, maar bent na zes, zeven woorden de weg kwijt. Maak er spreektaal van, gooi alle onderschikkende bijzinnen eruit en beperk je tot zinnen van acht, negen woorden.”Dat geldt ook voor de preken. Menig voorganger vergeet na het schrijven van de tekst achter de computer de broodnodige vertaalslag naar de spreektaal te maken. Maak het korter, luidt Govaarts advies. En wees niet bang voor wat rommelige zinsconstructies. “Niet alle zinnen hoeven goed te lopen. Juist als de zinnen er een beetje haperend uit komen, doet dat op mij als luisteraar een sterk beroep om mee te denken, om sámen de preek te maken. Als het allemaal perfect geformuleerd wordt, ben ik eerder weg. Dus anakoloeten, prima. Meer ‘foute zinnen’ in de preek!”Wat leeg is, vergeet hetAndries Govaart leverde ruim zestig liederen en andere teksten voor het Liedboek, zingen en bidden in huis en kerk, dat vorig jaar verscheen. Er waren ook liederen die ‘de eindstreep’ niet haalden. “Achteraf hoorde ik: mooi lied hoor. Maar dan zat er net weer een woord of zinnetje in dat te concreet, te banaal was. Dat vind ik grappig – er zit dus voor velen kennelijk ook een grens aan.”Hij staat op, loopt naar de boekenkast en pakt een ordner met liedteksten van zijn hand. Op zoek naar mogelijk afgewezen liederen blijft hij af en toe haken. ‘Zoet is uw woord in de mond, het voedt ons en wekt onrust totdat geen kracht meer klinkt en allen verzadigd zijn’, zingt hij met donkere stem. “Zo’n woord als ‘verzadigd’ zou ik niet meer gebruiken. Net te sjiek, vind ik nu.” Even verderop: ‘Ga pelgrim ga, ga voort, blijf zoeken, vervolg je tocht, dat niets je ontmoedigt, vang het licht van de zon en het stof op je kleren, heb hart voor wat blijft, wat leeg is, vergeet het.’ Hij vermoedt dat de beoordelende commissie de laatste regel – wat leeg is, vergeet het – te gewoontjes vond, of te onhelder. “Maar je hoeft het ook niet meteen te begrijpen. Het is natuurlijk wel de bedoeling van liedteksten dat ze een tijdje mee kunnen.” Een mondvol zwijgenZijn teksten zijn altijd geïnspireerd door bijbelse taal en beelden. “Ik voel me wat dat betreft niet echt origineel. Of misschien juist wel, omdat ‘origineel’ staat voor raken aan de bron – en die bron is voor mij de Bijbel. Maar ik heb er vervolgens wel groot plezier in om de taal een beetje te laten schuren, open te breken, en de woorden zo bij elkaar te zetten dat er een nieuwe betekenis oplicht. Die betekenis hoeft zich niet onmiddellijk voor te doen; ze ontstaat vaak tussen de zinnen, eerder associatief dan concreet aanwijsbaar.”Hij bladert naar een A-viertje waarboven Kerstaankondiging staat. “Een lied gebaseerd op de klassieke Latijnse notie dat het doodstil is, midden in de winter, als het Woord van zijn zetel naar beneden komt, naar ons, en er een kind wordt geboren. Een mondvol zwijgen – dat is een rare uitdrukking, kan dat eigenlijk wel? Maar je weet onmiddellijk wat ik ermee bedoel.” Read More
  • Onmogelijke gastvrijheid

      De winter staat voor de deur, maar gemeenten krijgen geen cent extra voor extra opvang van vluchtelingen. Naast de geregistreerde asielzoekers in azc’s leven vele illegalen op straat. Zijn zij te gast in ons land? Nog iets gedaan vandaag?” Ik merk dat een smalle lift geen goede plek is voor confronterende vragen. Hij kijkt me aan met een wat ongemakkelijke blik. Ik heb de vraag ietwat gedachteloos gesteld, maar ben door zijn onzekere reactie toch wel benieuwd naar wat deze man overdag doet. Hij lachte met een zweem van schaamte, een antwoord kwam er niet. “Mmm ja, hier en daar geweest, weet u wel.” Niet te gastSinds een paar maanden kom ik als vrijwilliger bij De Toevlucht, de Utrechtse nachtopvang voor uitgeprocedeerde asielzoekers. Een groep mannen maakt elke avond gebruik van de, inmiddels veelbesproken, drie B’s: bed, bad & brood. Na een jaar draaien is De Toevlucht wel meer dan die drie termen; in de huiskamer is het goed toeven. Elke avond wordt er tot laat televisie gekeken, thee gedronken en over voetbal en politiek gepraat in verschillende talen. Ik ben er welkom, in plaats van gastheer voel ik mij gast. Maar deze mannen zijn in Nederland niet welkom: uitgeprocedeerd en ongedocumenteerd ontbreekt hen elke hoop op een toekomst, in welke vorm ook. De kans om als gast behandeld te worden is voorbij, they’ve overstayed their welcome. Nu staan zij soms al jaren ‘stil’ op straat. Vooruit kunnen ze niet, ze zijn geen gasten maar verstekelingen. Alleen al uit de toon van het maatschappelijke debat blijkt dat deze mannen niet te gast zijn in Nederland. Het woord gastvrijheid ontbreekt. Het gaat over asielzoekers of ongewenste gelukszoekers, over hoe deze ‘zoekers’ als een tsunami de Nederlandse grenzen overspoelen. Nog voordat zij arriveren, gaat het over de vraag ‘wanneer gaan ze weg?’ Elke nieuw opvangcentrum zorgt voor een stroom aan negatieve reacties in de omgeving. Kortom: het probleem ligt bij de reizigers en niet bij de mensen die al een plaats hebben. Gastvrijheid komt op de tweede plaats wanneer we al moeite genoeg hebben om voor onze eigen ouderen te zorgen. Het is eigenlijk helemaal niet zo raar dat gastvrijheid als norm en traditie ontbreekt in het maatschappelijke debat. Elke weldenkende politicus bedenkt zich wel twee keer voor hij zich laat verleiden zo’n vaag begrip in de mond te nemen, waar hij slechts op aangevallen kan worden. Met gastvrijheid in je partijprogramma streef je naar het onmogelijke, want hoe kun je ooit gastvrij genoeg zijn als duizenden mensen aan de poort kloppen? Gastvrijheid is voor de politiek niet meer bruikbaar. Zomaar nieuwe groepen mensen ontvangen zou slecht zijn voor de veiligheid en de werkgelegenheid. Een wegkijkstaat is het gevolg van deze houding, ‘niet ons probleem’ de oplossing. Maar wat moet een politicus ook met iets als gastvrijheid, het is voor de enkeling al een moeilijk begrip. Een vreemdeling die aan jouw deur klopt, is in het algemeen al een potentiële dreiging. Niet alleen de simpele stress die ontstaat bij te weinig koffie en nootjes in huis, ook de kans op schade of agressie is aanwezig. Dus stelt elke gastheer bij onverwacht bezoek de vraag: ‘Grijp ik naar de knuppel naast mijn bed of naar de drankjes in de koelkast?’ VoorwaardenOok de Franse filosoof Jacques Derrida (1930-2004) merkte deze innerlijke tweestrijd op. Hij wijst op de dubbele betekenis van het Latijnse woord hostis, dat zowel gast als vijand betekent. De ambiguïteit zorgt voor paniek wanneer iemand onverwachts voor de deur staat: is de onbekende persoon vriend of vijand? Derrida beschrijft twee vormen van gastvrijheid. Enerzijds de voorwaardelijke gastvrijheid: twee partijen spreken met elkaar af hoe ze zich tot elkaar verhouden voor een bepaalde periode. Eventuele onzekerheden worden uit de weg geruimd door aan de voordeur te onderhandelen over rechten en plichten. Er wordt uitgegaan van een duidelijke rolverdeling om schade te voorkomen. Maar voor Derrida kan echte gastvrijheid, de tweede vorm, juist niet gaan over een economische of sociale uitwisseling tussen twee partijen. Zodra er onderhandelingen beginnen, spreekt men niet meer van een gast maar van een klant. Waar de koehandel begint, stopt de gastvrijheid. Zelfs wanneer je de ander vraagt naar zijn naam, begin je met voorwaarden stellen. Gastvrijheid betekent noodzakelijkerwijs zonder vragen de deur openen om een onbekende aankomende te verwelkomen. Zo komt de rigoureuze gastvrijheid in beeld, een gebeuren waarin rechten en plichten geen rol spelen. Op die manier wordt een gast ontvangen onmogelijk: gastvrijheid bestaat alleen waar de onwelkome gast welkom is. Echte gastvrijheid is blinde gastvrijheid, met gevaar voor eigen leven de ander onvoorwaardelijk welkom heten. De crisis van het begrip is duidelijk: gastvrijheid bestaat gewoon niet. Conditionele gastvrijheid is het niet waard zo genoemd te worden vanwege de direct eindeloze hoeveelheid eisen, terwijl de onvoorwaardelijke variant volstrekt onmogelijk en onuitvoerbaar lijkt. Projecten als De Toevlucht, die onvoorwaardelijke opvang nastreven, blijven in onzekerheid over de steun die hen geboden wordt. ‘Pappen en nat houden’ is het gevolg, zonder hoop op structurele verandering. Derrida’s radicale analyse van het begrip gastvrijheid lijkt een flauw uitspelen van een tegenstrijdigheid, maar er staat iets op het spel. Read More
  • Met kleine letters geschreven

      De taal stond lange tijd voor gemeenschap. “Totdat zij systematisch werd gebruikt om mensen uit elkaar te slaan en tegen elkaar op te zetten.” Maar na de vernieling was er ook weer het verlangen naar vernieuwing. “Elk moment is zwanger van de verwachting dat er weer een woord gesproken wordt dat ertoe doet.” Het kan niemand dit jaar ontgaan zijn: een eeuw geleden begon de Eerste Wereldoorlog. De man die aartshertog Frans Ferdinand doodschoot, en daarmee het startschot voor de oorlog gaf, was een groot liefhebber van de poëzie van de Amerikaan Walt Whitman, schrijft de Poolse dichter Czeslaw Milosz in zijn boek Alfabet. Gavrilo Princip was een van de Servische revolutionairen die Whitman op een politieke manier lazen, “als dichter die de democratie bezong”. Milosz: “Hij was ervan overtuigd dat hij de opdracht van zijn lievelingsdichter uitvoerde die immers opriep tot strijd met de koningen. En zo werd een Amerikaanse dichter verantwoordelijk voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog.” Het gaat misschien wat ver om het zo te stellen, maar duidelijk is wel dat woorden verstrekkende gevolgen kunnen hebben, ook onbedoelde. Woorden kunnen doden en tot leven wekken, ze kunnen verwoesten en scheppen. Poëzie kan het beste in mensen boven halen, maar misschien ook wel het slechtste. Diezelfde alles verwoestende oorlog bracht de dadaïsten ertoe de taal te bekritiseren, ja zelfs te vernietigen. De conventionele taal met zijn syntaxis en grammatica was immers een machtsmiddel van de sterken om de zwakkeren te onderdrukken, het was de taal van de tekentafeloorlog die mensen reduceerde tot moordende machines. Uit protest waren er dichters, zoals de Duitser Hugo Ball, die alleen nog maar klankdichten schreven: gadji beri bimba. In het merg van de taalTot halverwege de vorige eeuw was de westerse beschaving overtuigd van de kracht van de taal, schrijft Huub Oosterhuis in het laatste nummer van De Nieuwe Liefde. “Men leefde op de waardevolle betekenissen der woorden: God betekende God, mens betekende mens. Taal kon begeesteren, overtuigen, gaf richting aan doen en laten. Taal was gemeenschap: we verstonden elkaar en konden zeggen wat we wilden. In den beginne was het woord, de logos, het met scheppingskracht geladen woord.”Na 1945 was dat voorbij. “De woorden van een massamoordenaar bleken vernietigende overtuigingskracht te hebben gehad en begeesterden het ene ras om het andere uit te roeien”, vervolgt Oosterhuis. “De taal waarin onze voorouders hun liefde verklaarden en hun kinderen grootbrachten, de taal die gegeven is om mensen te verbinden, werd systematisch gebruikt om mensen uit elkaar te slaan en tegen elkaar op te zetten.”De joodse cultuurfilosoof George Steiner vroeg zich na de oorlog af of taal nog wel een ‘bezield medium’ kon zijn. Met een verwijzing naar de taal van het Derde Rijk, waarin woorden hun oorspronkelijke betekenis verloren en spookachtige begrippen werden, schrijft hij: “Maak van woorden overbrengers van verschrikking en leugen, en er zal iets met de woorden gebeuren. Iets van de leugens en het sadisme zal zich nestelen in het merg van de taal. De taal zal niet langer groeien en zich vernieuwen.”Victor Klemperer hield deze verandering van taal in Hitlers rijk nauwgezet bij. “Woorden kunnen nietige stukjes arsenicum zijn”, schetst de joodse filoloog. “Ze worden ongemerkt ingeslikt en lijken geen uitwerking te hebben maar na enige tijd is de gifwerking er toch. Als iemand maar lang genoeg ‘fanatiek’ zegt in plaats van ‘heldhaftig’ en ‘deugdzaam’ gelooft hij ten slotte echt dat een fanaticus een deugdzame held is en dat je zonder fanatisme geen held kunt zijn.”De veranderingen in de taal die Steiner en Klemperer beschrijven, kunnen volgens Colet van der Ven in haar essay Taal is niet stom, “als een mal gelegd worden over de taalveranderingen die de gebeurtenissen in Cambodja, Rwanda, Joegoslavië en vele andere brandhaarden van de laatste decennia begeleidden.” Read More
  • Op zoek naar woorden die ertoe doen

    Ik kan alleen woorden ontmoeten, u niet meer. / Maar hiermee houdt het groeten aan, / zozeer, dat ik wel moet geloven, dat gij luistert; / zoals ik omgekeerd uw stilte in mij hoor. Woorden, onze wereld is er vol van. Maar betekenen ze nog wel iets? Voor de schrijver van het gedicht Woord, Gerrit Achterberg, belichamen woorden een geheim. Zij voeren ons naar ‘de stilte’ van de ander – of de Ander, dat zou ook kunnen. Theoloog Frits de Lange zegt het op zijn manier: “Elk moment is zwanger van de verwachting dat er weer een woord gesproken wordt dat ertoe doet.” De Lange komt aan het woord in de special over ‘taal & ontaal’ die journalist Bert van der Kruk voor deze aflevering van Volzin schreef. Poëzie en religie zijn volgens hem bij uitstek de domeinen waar betekenisvolle woorden gesproken worden. Poëzie en religie vormen een medicijn tegen alle ‘reclamegereutel, nieuwsgeneuzel en Binnenhofbargoens’ waarmee we dag in dag uit in de media overspoeld worden. Op zoek naar ‘woorden die ertoe doen’: voor mij als redacteur is dat een treffende omschrijving van wat het maandblad Volzin nastreeft. Niet alleen berichten óver religie, maar ook zelf ‘religieuze taal’ spreken. Taal die ons ontvankelijk maakt voor ‘de dingen en hun geheim’, het geheim dat wij mensen ten diepste voor elkaar zijn, het mysterie van het bestaan dat binnen de bijbelse traditie aangeduid wordt met ‘God’. Een raadselachtig woord maar beter hebben we niet. ‘In het woord is leven’, de titel van de special in deze kerstaflevering van Volzin, is ontleend aan de Proloog van het Johannesevangelie, een tekst die traditioneel op kerstmorgen in kerkdiensten gelezen wordt. “In het begin was het Woord”, zo luidt de eerste zin van dit evangelie. “In het Woord was leven en het leven was een licht voor de mensen.”‘In het begin’, maar eigenlijk staat er ‘in begin’ (zonder lidwoord). Johannes verwijst dus niet naar een bepaald moment in de tijd – toen en toen – maar naar wat Gods ‘begin-sel’ uitmaakt: God spréékt. Sinds het begin, van meet af aan, spreekt God tot de mensen, wil Johannes zeggen. Altijd weer openbaart God zich aan hen als een God van communicatie en relatie. “Het groeten houdt aan.” Zijn Woord is daarom ook nu nog het huis waarin wij mensen wonen. Het is het script van ons leven.In Jezus van Nazaret is dit Woord ‘vlees’ geworden, schrijft Johannes. Het Griekse woord ‘sarx’ (vlees) staat daarbij voor de mens in zijn vergankelijkheid, breekbaarheid en kwetsbaarheid. God nam in Jezus de gestalte aan van een mens die sterven moet, die breekbaar en kwetsbaar is. Overal waar wij zulke mensen zien – de daklozen in onze straten, vrouwen en kinderen die misbruikt worden, mensen die niet in tel zijn, vluchtelingen overal ter wereld – kunnen we God in het gelaat zien. Tenminste, als we goed kijken. ‘Woorden die ertoe doen’ zijn daarmee altijd ook woorden die ons voeren naar de naaste in nood. Het kerstfeest is er voor mij een van aangename hectiek. Die wens ik ook u toe. Maar evenzeer wens ik u een moment van rust en bezinning toe. Volzin wil u daarbij behulpzaam zijn. Zalig Kerstmis! Read More
  • Een teken van schande

      Neerlandicus Nico Keuning is de auteur van Jan Arends’ biografie Angst voor de winter (uitgeverij Lebowski), die  zondag 21 december besproken werd in het tv-programma Boeken. Kijk hier de uitzending terug. Schrijver, psychiatrisch patiënt, huisknecht en zelfmoordenaar. Het leven van Jan Arends stond in het teken van angst, gemis en tekort. In zijn werk loopt een lijn van zijn katholieke jeugd – een kortstondige periode van geluk – naar het goddeloze einde. Hij was banger voor het leven dan voor de dood. Veertig jaar na zijn zelfgekozen dood verschijnt deze maand zijn volledige werk in een nieuwe uitgave. Om pijn te beschrijven had Jan Arends (1925-1974) weinig woorden nodig. Niemand kon zo mager praten met de taal als hij. Hij zegt het zelf in een van de vele gedichten die hij vergeleek met dunnen bomen, lang en mager. Precies zoals de dichter en schrijver er zelf uitzag. Een vorm van projectie zou je kunnen zeggen. Sober, maar scherp. Onheilspellend ook en soms vilein. Maar ook met humor. Leven en werk van Arends, psychiatrisch patiënt, huisknecht en zelfmoordenaar worden gekenmerkt door een gemis. Dat is de kou in zijn poëzie, de gekte in zijn proza, de eenzaamheid in zijn leven.Zijn vader heeft hij nooit gekend. “Er was iets met mijn vader dat met mijn geboorte te maken had,” schrijft hij in het onvoltooide verhaal Ik had een strohoed en een wandelstok. “Er was iets dat schande was en waarover niet gesproken mocht worden. Ik mocht er eigenlijk niet zijn omdat ik niet echt was. Maar omdat ik er toch was hielden de buurvrouwen op met praten als ik langskwam. En toch kon ik ze horen zeggen dat ik getekend was voor mijn leven omdat zij mij tekenden met hun tong. Er was iets vies aan mij.” Groot littekenZijn leven stond in het teken van zijn afkomst. Zijn vader had hem nooit erkend, uit angst voor de schande die dat teweeg zou brengen. Arends was een onwettig, onecht kind. Door zijn aangeboren gekte groeide dit teken met de jaren uit tot een groot litteken, al bleef het ‘een onzichtbaar teken van schande’. Het was Arends zelf die zijn stigma aan de mensen meedeelde in proza en in poëzie. Eenkleine barstwordt een scheur. Eenscheurwordteen kloof. En zostaat de mensalleen. Het werk van Jan Arends paste heel goed in de tijdgeest van de jaren zeventig. Zijn Lunchpauzegedichten, de bundel die op 23 januari 1974 verscheen, twee dagen na zijn zelfmoord, maakte indruk door de mengeling van realisme, waanzin, ernst en humor. Jan Arends en Maarten Biesheuvel leken bovendien het levende gelijk van de antipsychiatrie. Het overlijden van Arends viel op wonderlijke wijze samen met het groeiend conflict tussen het bestuur van de Willem Arntsz Stichting en het verlichte antipsychiarisch beleid van directeur Carel Muller van Dennendal, wat zou leiden tot de Dennendal-affaire, die zich in een grote belangstelling van vooruitstrevend Nederland mocht verheugen.De revolutie in de psychiatrische zorg speelde ook een rol in het succesvolle boek Wie is van hout (1971) van Jan Foudraine en de speelfilm One Flew Over The Cuckoo’s Nest (1975) van Milos Forman. Niet toevallig sprak het werk van Arends in deze periode bijzonder tot de verbeelding. Freek de Jonge en Bram Vermeulen traden als Neerlands Hoop op tijdens het boekenbal van 1975. Freek: “Twee gekken, Jan Arends en Maarten Biesheuvel, lopen in de Kalverstraat. Komen ze Nol Gregoor tegen. Zegt Maarten: ‘Zeg Nol, wanneer komt het nieuwe boek van Simon (Vestdijk) uit?’ Nol zegt: ‘Maar Maarten, je weet toch wel dat Simon al lang dood is.’ Waarop Jan Arends zegt: ‘Wacht maar eens tot ik dood ben, dan zul je nog eens zien wat er allemaal van mij uitkomt’.” PsychiatersEr zou inderdaad veel werk van Arends postuum het licht zien. Het verhaal Keefman – de bijtende tirade van een psychiatrische patiënt tegen zijn psychiater – gold als aanval op de ouderwetse psychiatrie. De acteur Jacques Commandeur speelde Keefman als theatermonoloog tussen 1975 en 1978 avond aan avond in uitverkochte zalen. Het verhaal wordt tot op de dag van vandaag nog opgevoerd. Arends geeft via hoofdpersoon Keefman in diens verwijtende monoloog commentaar op de psychiatrie, de manco’s en het falen in de behandeling van patiënten. Maar in wezen gaat het om de machtsstrijd tussen mensen. De psychiater versus patiënt, de werkgever versus de werknemer, de dader versus het slachtoffer. Met alle omkeringen die daarbij een rol spelen. Dat is wat de lezer en de theaterbezoeker herkennen. De psychiater wil Keefman een omscholingscursus laten volgen. “Je denkt dat je mij alles op de mouw kunt spelden. Maar Keefman is niet gek.”Arends schreef een aantal gedichten voor zijn psychiater, de hoogleraar Piet Kuiper, bij wie Arends in 1972 in het Wilhelmina Gasthuis in Amsterdam onder behandeling was. In een van de lunchpauzegedichten komt evenals in Keefman, de doofheid ter sprake. De doktermaakte van zijn handeen heel groot oor. Een tekendat hij mij wildeverstaan. Arends wil hem zijn probleem vertellen, zijn verdriet. Hem laten lachen. Maardat ging nietwant hij was doof. Arends baseerde zich voor de monoloog Keefman op eigen ervaringen en die van anderen tijdens zijn verblijf (1968-1971) in het Willem Artnsz Huis in Utrecht, waar hij terechtkwam na zijn verblijf in de Valeriuskliniek in Amsterdam. In de inrichting kwam hij tot rust. Hij had een dak boven zijn hoofd en kreeg eten en drinken. Gestimuleerd door zijn uitgever Geert Lubberhuizen van De Bezige Bij schreef Arends in Utrecht het ene verhaal na het andere. “Hierbij weer een verhaal,” schrijft hij op 2 november 1970: “Het zou geweldig prettig zijn als u de bundel ging uitgeven. Als dat zo is dan hoop ik dat u ook spoedig beslist omdat de omstandigheden op het ogenblik zeer in mijn voordeel zijn. Ik heb een eigen, grote kamer en heb nog nooit zo rustig kunnen werken.” Begin jaren vijftig was Arends onder behandeling in Endegeest, in Oegstgeest. Ook daar schreef hij verhalen. Deze zouden in 1972 worden opgenomen in de bundel Keefman. Read More
  • Nieuwe Volzin-special: 'In het woord is leven'

      De term ‘kwaliteitsvenster’ is zojuist uitgeroepen tot ‘het vaagste woord van 2014’. Nóg vager dan: participatiemaatschappij, houtskoolschets en comfortzone. De kerstspecial van Volzin die volgende week vrijdag verschijnt, gaat van de weeromstuit op zoek naar ‘woorden die ertoe doen’. Bert van der Kruk, auteur van de special In het woord is leven, vindt deze woorden in poëzie en religie. Poëzie en religie vormen een medicijn tegen ‘reclamegereutel, nieuwsgeneuzel en Binnenhofbargoens’, zegt taalwetenschapper Hans van Stralen. Maar ook religieuze taal luistert nauw. “De taal die we in de liturgie gebruiken, is vaak nogal vroom en geestelijk. Terwijl er in de Bijbel zelf veel lijfelijke taal klinkt”, stelt lieddichter Andries Govaart. Onderwijsbestuurder Kees Boele hekelt het gebruik van managementmodellen in de kerk. Kwaliteitsimpulsen, competentieprofielen, persoonlijke groeibehoeften en formats? “Misschien moet de kerk haar hoop ergens anders van verwachten.” Anderen die in de special over ‘taal en ontaal’ aan het woord komen zijn: Karin van den Broeke, Huub Oosterhuis, Kees van der Staay, Boris van der Ham en Wislawa Szymborska.Ook in het kerstnummer van Volzin: sterrenkundige Heino Falcke over God, zwarte gaten en de Drie Wijzen, gastvrijheid voor ongedocumenteerden, de Eltense Boternacht, vrouwen in de Protestantse Kerk en de jaarlijkse kerstpuzzel. Read More
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6

Doorzoek de website

Social media

FacebookTwitterLinkedIn

Geef een Volzin cadeau!

 

Advertentie