Laatste nieuws

  • 1
  • De kunst om te ontvangen

    Half december afgelopen jaar vertrok academisch filosoof Paul van Tongeren bij de Radboud Universiteit in Nijmegen. Een kleine veertig jaar eerder, in het midden van de jaren zeventig, was hij er als docent in dienst gekomen. Als hoogleraar, in de wijsgerige ethiek, heeft hij er nu de deur achter zich dicht getrokken. Dat deed hij met een afscheidscollege dat ook in boekvorm verschenen is, getiteld: Dankbaar. Dat klinkt sentimenteel, halfzacht. Maar daar is allerminst sprake van. De ondertitel, Denken over danken na de dood van God, laat meteen merken dat Paul van Tongeren met zijn ‘filosofie van de dankbaarheid’ diep aan het spitten is in het wezen van het mens-zijn. In zijn boek heeft hij het over het onbestemde gevoel van dankbaarheid dat iemand kan overvallen bij de geboorte van zijn kind, bij het overleven van een auto-ongeluk of bij het getroffen worden door de schoonheid van de natuur. Vroeger was God de adressant van die dankbaarheid. Maar als God van het toneel verdwijnt, krijgt die ervaring iets onwezenlijks. Soms lijkt het zelfs ongepast om haar te voelen. Hoe levensvatbaar is de dankbaarheidservaring nog als we niet goed meer weten hoe we die moeten verwoorden of begrijpen? Wat zegt het over uzelf dat u dankbaarheid als onderwerp hebt gekozen? “Ik moet zeggen dat ik langzamerhand steeds vaker denk dat ik vooral schrijf over de dingen die ik zelf niet kan. Ik heb ook een boekje geschreven over de ethiek van de tijdservaring, over het verstrijken van de tijd, maar ben een verschrikkelijk ongeduldig mens en kan verschrikkelijk lijden onder alles wat voorbij gaat. Wat ik heel jammer vond bij mijn afscheidscollege, was dat Sam IJsseling (Nederlands filosoof, oud-hoogleraar wijsbegeerte aan de KU Leuven, JT) niet aanwezig was. Hij was een half jaar ervoor overleden. Ik heb bij hem gestudeerd en heb veel aan hem te danken. Als die man in iets voorbeeldig was, dan was het in zijn dankbaarheid. Feitelijk was hij eigenlijk pater, want hij is nooit uitgetreden. Maar hij beschouwde zich absoluut niet meer als een christen, laat staan als priester. Toch straalde die man op alle mogelijke manieren altijd die dankbaarheid uit. Ik vind dat schitterend. Ik herken het als een ideaal, maar het betekent ook dat ik dat niet zo kan realiseren als hij.” Lees meer
  • Ebru Umar is bepaald geen rolmodel

    De vrijheid van meningsuiting is een groot goed. Terecht dus dat zij verankerd is in onze grondwet. Vrijheid van meningsuiting is niet alleen van belang voor individuele burgers, zij vormt ook het fundament voor de democratie. Die kan immers alleen maar floreren wanneer zoveel mogelijk meningen in het maatschappelijke en politieke debat worden ingebracht. Deze vrijheid moet evenwel niet verward worden met aantasting van de goede naam van mensen,  belediging of een oproep tot geweld. Neem het volgende citaat: “Het is waar: er zijn mensen die al jaren over de islam nadenken. Nooit heb ik ze begrepen, die hele fucking islam interesseert me geen ene reet. Mensen die oud papier nodig hebben om richting aan hun leven te geven, ze sporen niet. Mensen die in dat oude papier reden vinden om crimineel gedrag te uiten én rechtvaardigen, ze zijn rijp voor het gesticht. Maar mensen die toestaan dat die fucking islamieten de Nederlandse boel overnemen, die verdienen een standrechtelijke executie.” Een bijdrage aan het democratische debat? Vrijheid van meningsuiting? Niets van dat alles natuurlijk. Wél haatproza van de bovenste plank – haat jegens gelovigen die in ‘oud papier’ (Koran, Bijbel, enzovoort) levensoriëntatie vinden. Bovendien een oproep tot geweld – ‘standrechtelijke executie’ van andersdenkenden. Dat zulk proza tegenwoordig niet zeldzaam is, vervult me als burger van dit land met schaamte en walging. Openbaar Ministerie, doe toch je werk, zou ik zeggen. Bovenstaand citaat is onderdeel van een column van Ebru Umar op de website Geen Stijl (15-10-2015). Dezelfde auteur dus die eind april tijdens haar vakantie in Turkije werd aangeklaagd wegens een beledigende tweet over het staatshoofd en vervolgens zeventien dagen lang het land niet mocht verlaten. President Erdogan is bepaald geen democraat, hij schendt op grove wijze de mensenrechten en voert een politiek van onderdrukking tegen de Koerden in zijn land. De Europese Unie heeft hem echter nodig om ‘het vluchtelingenprobleem op te lossen’. Erdogan maakt listig gebruik van het feit dat hij Europa in de tang heeft. Kritiek op zijn beleid – en op het mensonterende vluchtelingenakkoord – kan wat mij betreft niet hard genoeg zijn. Maar maakt dat Umar tot een martelaar voor de vrijheid van meningsuiting? Levert zij een bijdrage aan de strijd van de Turkse democratische oppositie tegen Erdogan? Helaas, dat doet zij op geen enkele wijze. Wat zij wél doet is in Nederland de polarisatie tussen ‘Neder-Turken’ en anderen aanwakkeren. Zo worden fatsoenlijke Nederlandse politici als Tunuhan Kuzu en Selcuk Özturk nu door collega’s in de Tweede Kamer en in de pers neergezet als ‘verlengstuk van Erdogan’. Ook voor narcistische zelfexpressie is in onze samenleving een plaats, maar laten we die niet verwarren met het grondwettelijke recht op vrije meningsuiting. Anders dan de ‘Neder-Marokkaanse’ spreker tijdens de Dodenherdenking op de Dam en de veelkleurige jonge Amsterdammers – deels ‘Neder-Turks’ – die bij die gelegenheid bloemen bij het Nationaal Monument neerlegden, zijn mensen als Umar voor mij geen democratisch rolmodel. Lees meer
  • 'O verrader! Ga voorbij het huis'

    De magische driehoek: poëzie, politiek en religie Tijdens de recente onderhandelingen tussen Iran het Westen over het Iraanse nucleaire programma communiceerde minister van Buitenlandse Zaken communiceerde Javad Zarif regelmatig met de Iraanse bevolking via Facebook. Hij plaatste op zijn Facebookpagina korte rapportages en telkens een nieuwe foto met poëzie. Opvallend was dat die teksten uit de klassieke Perzische poëzie afkomstig waren. Zoals het volgende couplet uit het Perzische nationale koningsepos, de Sjâh-nâme, voltooid in 1010 door de dichter Ferdowsi: Span je in om het goede tot bloei te brengen; als je de kou ziet, span je in om de lente te brengen. De boodschap van dit versje, dat oorspronkelijk uit een totaal andere context stamt, is dat Zarif zich inspant om iets goeds tot bloei te brengen en het koude winterseizoen achter zich te laten. Het hierbij afgebeelde hoge Alborzgebergte, bedekt door sneeuw, is voor Iraniërs een symbool van macht. Naarmate de onderhandelingen vorderden, publiceerde Zarif steeds meer coupletten en zinnebeeldige foto’s. Dikwijls citeert hij de grote Perzische mysticus Rumi (1207-1273). Ook hierbij plaatst hij vaak een foto van het Alborzgebergte, maar dan als zomerlandschap met groen gras en rode klaprozen. De toepasselijke dichtregel luidt: Als er duizenden valstrikken op de weg zijn, heb ik geen zorgen, zolang je bij me bent. Zulke poëtische regels in de internationale politieke context raken de ziel van Zarifs Iraanse achterban. Literaire diplomatie Het gebruik van klassieke Perzische poëzie beperkt zich overigens niet tot de Iraanse politici. De Amerikaanse president Jimmy Carter gebruikte poëzie in zijn diplomatieke relaties met Iran. Bij zijn laatste bezoek aan Iran, tijdens het Iraans Nieuwjaar in 1977, was hij te gast bij de sjah. Mensenrechten vormden een van de speerpunten van Carters beleid. Hoewel hij het dictatoriale regime van de sjah in Iran steunde, was hij kritisch over de mensenrechtenschendingen in dat land. Na het diner hield Carter een toespraak waarin hij zijn zorgen uitte over de mensenrechten door de volgende regels van de Perzische dertiende -eeuwse dichter Saadi uit Shiraz te citeren: De mensen zijn als leden van één lijf, geschapen zijn zij uit dezelfde kern. Als één lid door het leven wordt gekwetst, laat dit de anderen niet onberoerd. Word je door andermans leed niet geraak, je bent de naam van mensheid niet waard. (Vertaling J.T.P. de Bruijn) Ook president Obama gebruikte poëzie in zijn toespraken, eveneens bij gelegenheid van het Perzisch Nieuwjaar. Een van zijn toespraken over het Iraanse nucleaire programma sloot hij af met een couplet van Hafez: Plant de boom van vriendschap want hij brengt de vruchten van voldoening in je hart; ontwortel de loot van vijandschap want hij brengt eindeloze zorgen. Deze metaforen duidden duidelijk op de Amerikaanse bereidheid tot toenadering tot Iran. Zij maken onderdeel uit van wat we ‘literaire diplomatie’ zouden kunnen noemen. Lees meer
  • Zwarte atleet stapte over de grens van het racisme

    1936: Adolf Hitler schudde op de eerste dag van de Olympische Spelen in Berlijn de hand van Duitse en Finse winnaars. Toen hem gevraagd werd om voortaan iedere winnaar van een gouden medaille te feliciteren, koos hij ervoor om dan maar niemand te feliciteren. Zo ontliep hij de handdruk van Jesse Owens. De zwarte hardloper en verspringer Jesse Owens (1913-1980) kwam uit een straatarm gezin met elf kinderen. Zijn grootouders waren nog slaven geweest. Ondanks al zijn sportieve talent deelde hij het lot van de zwarte bevolking in de jaren twintig en dertig. Faciliteiten als atleet had hij nauwelijks, als begaafde leerling mocht hij wel studeren, maar niet op de campus wonen. Een beurs kreeg hij niet. Toch verlegde hij tal van grenzen. Zijn wereldrecord verspringen uit 1935 (8.13 meter) bleef 25 jaar lang staan, even lang als het huidige record van Mike Powell (1991, 8.95 meter). Owens’ 10,2 op de 100 meter uit 1936 was een sensatie. Hij won op de ‘nazispelen’ van 1936 viermaal goud, knarsetandend gadegeslagen door het duizendkoppige Duitse publiek. Zo heet het althans in het collectieve geheugen. Dat mag wel een onsje minder zijn. Owens zelf zei dat het Duitse publiek hem tijdens zijn races hartstochtelijk toejuichte en dat er geen sprake was van discriminatie. De Führer had zelfs even naar hem gezwaaid. Owens had tijdens zijn verblijf in Berlijn ook niets gemerkt van maatschappelijke ongelijkheid, zei hij bij thuiskomst. In tegenstelling tot wat hij in de Verenigde Staten meemaakte, voegde hij daaraan toe. Zelfs cineaste Leni Riefenstahl, die de propagandafilm Olympia schoot, vol verheerlijking van Arische lichamen, kon niet om Owens heen. Ze bracht de finale van de 100 meter fraai in beeld. Zij nam tijdens de verspringfinale toevallig net een pauze, maar ze registreerde nog wel een vette knipoog van winnaar Owens. Vanwege haar focus op Germaanse Körperkultur leek het wel alsof ze zeggen wilde: het zijn net mensen, die zwarten. De zilveren verspringmedaille ging naar Luz Long, in alle opzichten de ideale Ariër. Hij bracht als alle Duitse medaillewinnaars bij de prijsuitreiking de Hitlergroet en sneuvelde in 1943 bij de geallieerde landing op Sicilië. Owens heeft altijd beweerd dat hij dikke vrienden was met Luz, die hem hartelijk omarmde na zijn overwinning. Owens schreef in zijn mémoires: “Al mijn medailles en bekers vallen in het niet bij de 24-karaats vriendschap die ik op dat moment voor Luz voelde. Hitler moet gek geworden zijn bij het zien van onze omhelzing.” Luz Long zelf heeft hier nooit aan gerefereerd. Owens stond erom bekend wel eens een loopje te nemen met de feiten. Ook een andere ‘edelgermaan’ legde het af tegen het zwarte sprintwonder. ‘Onze eigen’ Tinus Osendarp won in de Kampf der Farben (Riefenstahl) brons op de 100 en 200 meter. Ook hij bracht de Hitlergroet. Hij werd thuis onthaald als ‘de snelste blanke’. In de oorlog sloot hij zich aan bij de NSB en de Germaansche SS. Van Hitler kreeg Jesse Owens geen hand, van zijn eigen president Roosevelt ook niet. Held of niet, hij mocht thuisgekomen weer gewoon plaatsnemen in de raciale pikorde. Hij kreeg wel een ticker parade en een galadiner in het New Yorkse hotel Waldorf Astoria, maar moest daar met de goederenlift naar boven. En hij kon ook weer gewoon achter in de bus plaatsnemen. Dat hoefde hij in Nazi-Duitsland niet, schimpte Owens. Tijdens de Spelen was de aandacht voor de zwarte medaillewinnaars in de witte Amerikaanse pers vaak summier. The Chicago Tribune noemde de succesvolle zwarte hoogspringers Cornelius Johnson en David Albritton “gekleurde springers op kangoeroepoten”.   Jesse Owens was niet de eerste zwarte winnaar van een Olympische gouden medaille. Dat was de Amerikaanse estafetteloper John Taylor tijdens de Olympische Spelen van 1908 in Londen. Maar Owens is wel degene geweest die de ban gebroken heeft en tot op de dag van vandaag van enorme betekenis is voor het zwarte zelfbewustzijn en een inspiratiebron voor vrijwel alle zwarte atleten, in welke tak van sport dan ook. Naar Jesse Owens werd een straat vernoemd in West-Berlijn, een allee zelfs, bij het Olympisch Stadion, in 1984. Hij was met zijn sportieve zegetocht een speelbal van ideologische propaganda, maar grenzen verlegde hij zelf. Lees meer
  • Wie kan loslaten, heeft goud in handen

    Zou een leven als monnik wat voor hem zijn? Weliswaar was hij ongelovig, maar de rust en stilte van het monniksleven trokken toch aan hem. Stefan Franz nam de proef op de som. "Starend naar het kruisbeeld dat boven het althaar hangt, probeerde ik me in te beelden hoe het is om te geloven. Wat is God eigenlijk? Hoe maak ik met Hem (of Haar) contact tijdens het gebed? Hoe werkt dit? Ik wist van toeters noch blazen." Stilte is een beetje uit de mode. Velen zoeken voortdurend prikkels op, hetzij in de vorm van muziek, films, series op tv en internet, YouTube, kletsen over koetjes en kalfjes, uitgaan en alcohol drinken of een reis met een intensief programma. Men mijdt stilte. Als de pest. En als men dan toch in een momentje van 'niets' vervalt, wordt er vrijwel meteen weer naar de smartphone gegrepen, wordt de laptop opgestart of een wanhopige poging gedaan om het gesprek voort te zetten dat zo oncomfortabel stil dreigde te vallen. Juist daarom zoek ik de stilte regelmatig op. Dat doe ik in de bossen, wandelend, alleen of met een vriend, vanwege de kalmte, de geluiden van een tijdloze plek en het gezelschap van stevig gewortelde bomen die rustig toekijken op een veranderende wereld. Binnen de gemeenschap van mensen heb ik nergens een zo daarmee vergelijkbaar gevoel gehad als in de trappistenabdij Onze Lieve Vrouw van Koningshoeven in Berkel-Enschot (onder de rook van Tilburg), waar ik begin vorig jaar een korte tijd met de monniken meeleefde. Voorspelbaarheid De toegangspoort is intimiderend, dat zeker, maar eenmaal op het terrein komt de pracht van het keurig bijgehouden landgoed waaruit de abdij oprijst je tegemoet. Een schitterend gebouw. Koningshoeven werd in 1881 opgericht door Dom Dominicus Lacaes. Drie jaar later volgde de brouwerij waar het vermaarde trappistenbier tot op de dag van vandaag wordt gebrouwen. Hoewel vroeger tussen de zeventig en tachtig monniken onderdak in het klooster vonden, wonen er tegenwoordig niet meer dan twintig. Daarentegen is de abdij wel een trekpleister geworden: je kunt de brouwerij bezoeken of een stille retraite houden. Ondanks de hordes toeristen die het klooster jaarlijks ontvangt – 120.000 maar liefst – houden de monniken zelf strikt vast aan hun hermetische levensstijl. “Door je wereld klein te houden kan hij juist veel groter worden,” stelt Vader Abt Bernardus, een lange man, tamelijk jong, met een aanstekelijke rust en vriendelijkheid over zich. Kloosters heb ik altijd gezien als bakens van spirituele en sociale perfectie met een harmonie op goddelijke sterkte en monniken die beschikken over een haast onvoorstelbare religieuze diepgang die wij als buitenstaanders niet kunnen bevatten. Eerdere bezoeken aan een hindoeïstisch en boeddhistisch klooster hadden dit idee post doen vatten, al werden daar de bezoekers op afstand gehouden en leerde ik daardoor de monniken niet persoonlijk kennen. Een ongelovige met een verlangen om God te vinden in een klooster? Achteraf een vreemde situatie, maar toch, na een goed gesprek met de abt was ik welkom om een weekje mee te leven. Dit hield in: samen bidden, zingen, werken en eten. Ik kreeg een kamer in het gastenhuis en een rooster waaraan ik me diende te houden. Wat mij het eerst opviel was de rust die het monnikenleven met zich meebrengt, die vooral een gevolg is van de voorspelbaarheid van alles. De monniken leven volgens een dagindeling die nodig is om volledig toegewijd te zijn aan het hoofddoel van hun leven – een zoektocht naar God – waarin herhaling en eentonigheid juist als kracht worden ervaren. Een effect dat ik na een paar dagen voelde was dat die voorspelbaarheid een hoop kopzorgen ver de toekomst wegneemt. Daardoor kun je beter opgaan in het moment. De contemplatie kon beginnen. Hoewel ik al jaren met het idee speelde om monnik te worden om een leven van rust en stilte te leiden, stond ik op de dag dat ik het klooster inging voor een dilemma. Een vrouw was recentelijk in mijn leven gekomen en mijn besluit deed haar verdriet. Waarom moest ik juist nú het klooster ingaan? Was het een verlangen naar God of misschien wel de angst voor de liefde? Of voor het leven zelf? Eenmaal meegevoerd door de bezinning begon ik de vraag die ik mijzelf herhaaldelijk stelde, ook op de monniken te betrekken: wat bracht jou naar dit klooster?   Lees meer
  • Schrijfwedstrijd: Ik ben, omdat wij zijn

    Ik ben, omdat wij zijn’ luidt dit jaar het thema van de Volzin-schrijfwedstrijd. Doe mee en ding mee naar een prijs. Schrijf een spannend en persoonlijk gemotiveerd essay over de verhouding tussen ‘ik’ en ‘wij’, tussen kiezen voor jezelf of je aanpassen aan anderen, tussen eigenbelang of zelfopoffering. De jury kiest uit de inzendingen de drie beste essays. De winnende essays verschijnen in Volzin van 6 januari 2017. De winnaars ontvangen respectievelijk 500, 300 en 200 euro. De inzendtermijn sluit 1 september 2016. Thema ‘Maak van je leven je eigen unieke kunstwerk.’ Vrijheid is in onze samenleving en in ons persoonlijke leven een belangrijke verworvenheid. Zelf kunnen kiezen hoe en met wie je wilt leven, of je wel of geen kinderen wilt, wie je vrienden zijn, waar je wilt wonen: het past allemaal in een samenleving die zelfbeschikking, individuele ontplooiing en emancipatie als belangrijke waarden ziet. Ook op het vlak van religie en levensbeschouwing zien we dit terug. De nadruk ligt op het zoekende individu dat zélf zin gaat geven aan het eigen leven. Het ‘ik’ is het vertrekpunt, het ‘wij’ (de samenleving, de relatie, het collectief en de groep waar we bijhoren) is dan het gevolg – als het goed gaat tenminste. Maar klopt dit wel? De Afrikaanse kijk op het leven lijkt loodrecht op de dominante westerse kijk te staan. ‘Ik ben, omdat wij zijn’, zeggen de Afrikanen. In deze visie bestaat er geen ‘ik’ zonder ‘wij’. Mensen worden immers wie zij zijn dankzij en binnen relaties, familie, de generaties voor hen, de groep, de samenleving waartoe zij behoren. Vanuit onszelf weten we niet veel; we zijn daarin schatplichtig aan de cultuur en tradities. Religie is eerder een kwestie van zin ontvangen van anderen dan van zelf zin geven. Kortom, in deze visie vormen het gezamenlijke belang en zorg voor elkaar het uitgangspunt en stemt het individu zich daarop af. Sommigen in Nederland vinden dat ons land wel wat meer van de Afrikaanse kijk zou kunnen gebruiken: wat minder nadruk op het ‘ik’ en wat meer ruimte voor het ‘wij’. Hebben ze gelijk of toch eigenlijk niet? Worstelt uzelf in uw leven met de spanning tussen ‘ik’ en ‘wij’? Hoe valt uw keuze uit: meer of minder ‘ik’, meer of minder ‘wij’? De jury van de Volzin-schrijfwedstrijd 2016 leest graag uw antwoord op deze vragen. Voorwaarden - De Volzin-schrijfwedstrijd staat open voor iedereen. - De bijdragen van maximaal 1600 woorden moeten uiterlijk donderdag 1 september worden ingezonden. - Inzendingen dienen digitaal (in Word) en per e-mail te worden aangeleverd. Mail naar: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken., voorzie uw bijdrage van personalia (naam, adres, leeftijd, geslacht, (voormalig) beroep) en de aanduiding ‘Volzin-schrijfwedstrijd 2016’; niet-digitale bijdragen worden niet in behandeling genomen. - Inzender verleent Volzin het recht van eerste publicatie van de ingezonden bijdragen in het magazine en/of op deze website.  Jury Een deskundige jury kiest uit de inzendingen de drie beste essays. Voorzitter is Frank Bosman, cultuurtheoloog (Tilburg University). De andere juryleden zijn: Elleke Bal, Jeroen Fierens, Jan van Hooydonk, Wies Houweling en Jacqueline Kool. De jury hanteert de volgende criteria: - Uw inzending heeft het karakter van een persoonlijk getoonzette uitwerking van het thema. - Uw inzending is origineel van inhoud en invalshoek. - Uw inzending is helder van stijl en toegankelijk geschreven.     Lees meer
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6
  • VOLZIN 2016 NUMMER 05

    Volzin special: ‘Kloostergeheimen’ ‘Iedereen verdient een nieuwe kans’ “Wij zijn niet heilig”,
    28 April 2016 - Lees meer

Doorzoek de website

volzin schrijfwedstrijd

Social media

FacebookTwitterLinkedIn

Agenda