FacebookTwitterLinkedIn

Wilma Hartogsveld (2)

donderdag, 01 February 2018 12:11

Hoogwater

Geschreven door

Veertien meter bij Lobith. Een paar jaar geleden zou dit nietszeggend nieuws voor me zijn. Maar nu weet ik wat deze meldingen van Rijkswaterstaat betekenen voor de mensen die aan de winterdijk van de rivier wonen. De Waal is voor hen als een geliefde met wie je een relatie onderhoudt. Er zijn tijden dat het kabbelt en tijden waarin het er onstuimig aan toegaat. Het valt me op dat de dijkbewoners zich in die relatie zo nuchter opstellen.

Een man vertelt me over de jaren waarin ze niet alleen natte voeten hadden in de schuur, maar dat ook hun huis blank stond. Ik neem een slokje koffie en kijk over zijn schouder naar het water dat vanaf hier tot aan het huis lijkt te staan. Vrachtschepen zwoegen moeizaam tegen de stroom in of varen met een enorme snelheid stroomaf. Mijn gesprekspartner lijkt het niet te merken. Ik volg zijn blik naar zijn grote eeltige handen die rustig naast het koffiekopje op de tafel liggen dat er ineens breekbaar uitziet. Mijn ogen gaan weer naar de Waal. Nu volgt de man mijn blik. “Eind van de week zakt het weer”, zegt hij kalm. Is het vanwege de ervaring dat verzet tegen deze natuurkrachten zinloos is, of is het de Betuwse volksaard? Misschien blijven er alleen mensen zo dichtbij het water wonen die dit soort relativeringsvermogen hebben.

Veertien meter bij Lobith. Sinds enige tijd weet ik dat dat genoeg is om door de uiterwaarden van de Neder-Rijn te kunnen kajakken. En dus laat ik mij zondagmiddag gehuld in wetsuit en anorak in een kajak zakken. Met twee kajakvrienden die de rivier op hun duimpje kennen peddel ik van de haven richting het midden van de imposant stromende rivier. Even een adrenalinestootje voordat ik de laatste slagen geef waardoor ik op de hoofdstroom beland. Het gaat hard, maar gek genoeg merk je daar niets van als je je eenmaal op de stroom laat meevoeren. Het bootje lijkt stil te liggen in het water. Totdat ik naar de wandelaars op de oever kijk en besef hoe hard we gaan.
Op de terugweg varen we door de uiterwaarden. Een koude wind tegen en de stroom is ook hier sterker dan ik dacht. Ik zwoeg maar kom weinig vooruit. “Moet ik je slepen?” vraagt een van mijn maten. “Nee”, zeg ik koppig en ik zwoeg verder. Uitgeput kom ik aan bij de haven. In gedachten zie ik het gezicht van de man met de grote handen. Hij schudt het hoofd om zoveel overmoed.

Wilma Hartogsveld is predikant en woont in Oosterhout (Gld.), een dorp aan de Waal.

dinsdag, 16 January 2018 10:00

Hulpeloos

Geschreven door

Op kraambezoek. De moeder en ik drinken koffie. Beschuit met muisjes heb ik afgeslagen, maar het verhaal over de bevalling en de emoties daaromheen neem ik wel graag tot me. De baby ligt in de box te slapen. Ze heeft sokjes over haar handjes. Omdat ze anders met haar piepkleine nageltjes het tere huidje van haar gezichtje stuk maakt, vertelt de moeder.
Na een tijdje klinken er zachte protestgeluidjes uit de box. “Je mag haar wel even oppakken hoor!” Alsof de moeder mijn gedachten heeft gelezen. Voorzichtig schuif ik de ene hand onder het ruggetje en met de andere ondersteun ik het hoofdje, bedekt met zacht dons. Wat klein. Wat kwetsbaar. Waren mijn kinderen echt ook zo klein? Het minimensje trekt haar knietjes op en valt tegen mijn nieuwe trui aan in slaap. Onwetend van het feit dat ik de dominee ben. Ze heeft er ook geen notie van dat ik haar over enige tijd zal dopen in de kerk.

We praten over het wonder van dit nieuwe leven. Zoveel meer dan alleen het biologische gevolg van een natuurlijke daad. Het meisje op mijn arm slaapt vredig. Uit mijn ooghoeken zie ik hoe er een lachstuipje over het tandeloze mondje glijdt.
Even later wordt ze wakker. Het gezichtje wordt rood. Er klinken zachte prutgeluidjes en voel ik nu dat mijn hand onder het luiertje beweegt, warm wordt? De moeder staat op en neemt haar dochtertje over met een verontschuldigende glimlach. Snel en handig verschoont ze de kleine. Het is haar derde.

Die middag bezoek ik een oude mevrouw in het verpleeghuis. Ze zit in haar rolstoel te slapen in de gemeenschappelijke huiskamer. Als ik haar aanspreek verschijnt er een glimlach rondom de tandeloze mond. Ze noemt me bij de naam van haar dochter. Ik ga bij haar zitten en probeer een gesprekje met haar te voeren, maar zie en krijg geen enkele reactie meer. Een beetje onderuitgezakt in haar rolstoel lijkt het alsof ze ergens tussen waken en slapen zweeft. Haar ogen zijn open maar lijken niets te zien. Tot ze ineens met haar vinger naar mijn nieuwe trui wijst. “Mooi?” vraag ik en ze knikt. Haar nagels zijn niet schoon. Ik onderdruk de gedachte aan wat eronder zit en glimlach. Heel even is er echt contact.
Dan buigt een verzorgster zich naar me toe en fluistert met een verontschuldigende blik: “Ik neem mevrouw even mee, ze heeft een ongelukje gehad.”

Doorzoek de website

Agenda