Columns
maandag, 21 August 2017 09:00

Het kind centraal en niet de leerstof

Een kind was bezig met steentjes een emmertje te vullen. Het kindermeisje wilde naar huis, maar het kind wilde doorgaan met zijn spel. Om op te schieten ging het kindermeisje zelf het emmertje vullen en zette het kind daarna in zijn wagentje “in de volle overtuiging dat zij het hem naar de zin maakte. Maar het luid geschreeuw van het kind, de uitdrukking van verzet op dat gezichtje tegen het geweld en het onrecht, hem aangedaan, trof mij. Heel dat ontwakend hartje was vervuld van gevoel van diep-beledigd zijn! Het kind verlangde geen emmertje vol steentjes; wat het wenste was de oefening, nodig om het emmertje te vullen, om aldus te voldoen aan de behoeften van zijn krachtig organisme.” Deze voor haar richtinggevende waarneming noteert Maria Montessori in haar hoofdwerk De methode uit 1909.

Maria Montessori (1870-1952) studeert medicijnen en is een van de eerste Italiaanse vrouwen die promoveert en arts wordt. Zij specialiseert zich in de opvang van verstandelijk beperkte kinderen en sticht in 1907 in een Romeinse volkswijk het Casa dei Bambini voor arme kinderen. Daar ontwikkelt ze haar opvattingen over opvoeding en onderwijs, die haar tot een van de grootste onderwijsvernieuwers van de vorige eeuw hebben gemaakt. Maar ze was niet alleen. In de jaren ’10 en ’20 werd door verschillende mensen afstand genomen van methodisch star volksonderwijs, dat gericht was op kennisoverdracht onder een disciplinair regime. De eerste Vrije School naar de inzichten van Rudolf Steiner dateert van 1919, de eerste Jenaplanschool met haar Gesamtunterricht van 1924. Enkele later werd de eerste Daltonschool opgericht. Deze reformbeweging stelde het kind centraal, en niet de leerstof of de opvoedingsdoelen, individualisering van het onderwijs en geen collectivisering. Zij had alle vertrouwen in de natuurlijke ontwikkelingen en leerbehoeften van het kind, zoals uit Montessori’s waarneming blijkt. En – het onderwijstype dat haar naam draagt is erin gespecialiseerd – van kinderen moesten andere vermogens worden gestimuleerd dan kennisontwikkeling alleen, zoals hun lichamelijke en kunstzinnige vorming.

Voor Montessori is de inrichting van het klaslokaal van groot belang. Geen harde, rechte en strenge banken, waarin de kinderen nauwelijks bewegingsvrijheid hebben en in een strakke lijf- en leerdiscipline gedwongen worden, maar een vrije ruimte met her en der plaatsen waar groepjes leerlingen aan het werk kunnen zijn. Ieder kind mag werken in zijn eigen tempo, zijn eigen materialen kiezen, elk kind mag zich spontaan ontplooien, kinderen van verschillende leeftijden leren met en van elkaar, maar tot anarchie mag dat alles niet leiden. Montessori ontwikkelt ook speciale materialen voor het onderwijs, ontwikkelingsmateriaal en didactisch materiaal. Daarbij geeft ze aandacht aan het materiaal zelf, vormen en kleuren. Loopt u eens een basisschool anno 2017 binnen en u zult de indruk krijgen dat de denkbeelden van de pedagogische reformbeweging alom ingang hebben gevonden. Maar dat was in de tijd van de vernieuwers zelf niet het geval, de vernieuwingsbeweging bleef beperkt tot gespecialiseerde scholen, vooral voor de maatschappelijke bovenlaag. Pas een halve eeuw later ontwikkelde zich een maatschappelijk klimaat, met in ons land de afbrokkelende verzuiling en een meer op het individu gerichte cultuur, waarin deze vernieuwingsideeën beter gedijden.

Montessori reist veel om haar methode te promoten. De eerste Montessorikleuterschool in Nederland is van 1914. De ideeën van onderwijsvernieuwer Jan Ligthart zijn zeker verwant en ook iemand als Kees Boeke, oprichter van De Werkplaats in Bilthoven in 1929, is aan haar schatplichtig. Ze heeft een bijzondere band met Nederland, waar zij de laatste jaren van haar leven woont. Maria Montessori ligt in Noordwijk begraven.
Veel onderdelen van haar onderwijspraktijk zijn inmiddels in het gehele onderwijs doorgedrongen, al heeft haar nogal strikte methodiek, die zij zeer dwingend voorschreef, minder navolgers. Maar het onderwijs blijft zich vernieuwen en ook deze schooltypen doen dat. Er zijn in Nederland 120 erkende basisscholen voor Montessori-onderwijs en 20 voor het voortgezet onderwijs. ●

In de rubriek Grensverleggers portretteert Willem van der Meiden mensen die grenzen verlegden, overschreden of ophieven en zo de samenleving betekenisvol vernieuwden.

‘De Renaissance komt eerst wanneer de levenstoon verandert, wanneer het getij van dodelijke levensverzaking kentert en er een bolle frisse wind gaat blazen; wanneer het blijde besef rijpt dat men al de heerlijkheid der oude mensheid, waaraan men zich al zo lang gespiegeld had, zal kunnen terugwinnen.” In 1919 werden deze romantische woorden wereldkundig gemaakt door de historicus
Johan Huizinga. Het boek waarvan dit de slotregels zijn, Herfsttij der Middeleeuwen, werd een internationale beststeller en bezorgde Huizinga wereldfaam. Johan Huizinga (1872-1945), geboren in Groningen, studeerde eerst vergelijkende taalkunde en Sanskriet. Later werd hij leraar geschiedenis, docent aan de Universiteit van Groningen en hoogleraar in Leiden. Huizinga werd de ‘uitvinder’ van de cultuur- en mentaliteitsgeschiedenis in een tijd waarin zakelijke en materialistische geschiedschrijving de boventoon voerden. In Cultuurhistorische verkenningen uit 1929 gaf hij een definitie van geschiedenis: “Geschiedenis is de geestelijke vorm waarin een cultuur zich rekenschap geeft van haar verleden.” Opvallende woorden daarin zijn ‘geestelijk’, ‘cultuur’ en ‘rekenschap’ – ze zijn moeiteloos aan te leggen tegen de slotwoorden van Herfsttij.

Huizinga’s romantische taalgebruik is terug te voeren op zijn voorliefde voor de Tachtigers, van wie hij overnam dat in de taal, ook die van de geschiedschrijving, alle zintuigen van de lezer bediend zouden moeten worden. Zo kun je in zijn historische werk de geuren van Erasmus’ werkkamer ruiken, de kleuren van de renaissance zien en het rumoer horen van een middeleeuwse stad.
Huizinga maakte school. Vooral Jan en Annie Romein-Verschoor erfden Huizinga’s cultuurhistorische benadering en verbonden die aan hun marxistische benadering van de geschiedenis.
Johan Huizinga onderscheidde zich ook door zich buiten de strikte grenzen van zijn vakgebied te treden en historie te verbinden met actualiteit. Befaamd is zijn profetische essay uit 1935 In de schaduwen van morgen met de daverende beginzinnen: “Wij leven in een bezeten wereld. En wij weten het. Het zou voor niemand onverwacht komen, als de waanzin eensklaps uitbrak in een razernij, waaruit deze arme Europese mensheid achterbleef in verstomping en verdwazing, de motoren nog draaiende en de vlaggen nog wapperende, maar de geest geweken.” Tien jaar later was niet alleen de geest, maar ook het leven geweken van vijftig miljoen slachtoffers van de oorlog.

Reden om in deze aflevering van Volzin aandacht aan deze grensverlegger te besteden, is een andere zijstap in Huizinga’s loopbaan als historicus: het grote essay Homo ludens uit 1938. Met bijvoorbeeld zinnen als: “Wij spelen, en weten dat wij spelen, dus wij zijn meer dan enkel redelijke wezens, want het spel is onredelijk.” In een breed opgezet betoog over het spelelement in de menselijke beschaving beweert Huizinga in dit essay zelfs dat het spel een noodzakelijke voorwaarde zou zijn voor het voortbrengen van cultuur.
Het boek maakt streng onderscheid tussen kinderachtige speelsheid en de ernst in het spel van politiek en cultuur. Toen de provo’s van Amsterdam in de jaren zestig begonnen met hun ‘ludieke’ acties, zou dat voor Huizinga spel mogen heten, maar dan in de eerste betekenis van het woord. Huizinga’s beschouwingen waaieren uit over het spelkarakter van kunst, wetenschap, sport, politiek en zelfs over de oorlog als spel en antispel. Hij trekt de volgende conclusie: “Echte cultuur kan zonder zeker spelgehalte niet bestaan, want cultuur veronderstelt zekere zelfbeperking en zelfbeheersing, zekere vatbaarheid om in haar eigen strekkingen niet het uiterste en het hoogste te zien, doch zich besloten te zien binnen zekere vrijwillig aanvaarde grenzen.” Hij plaatst daar wel een kanttekening bij. Het is immers 1938: “De hedendaagse propaganda, die elk levensveld in beslag wil nemen, werkt met de middelen tot hysterische massareacties, en is daarom, ook waar zij spelvormen aanneemt, niet als een moderne uiting van de spelgeest te aanvaarden, maar slechts als de vervalsing daarvan.” Want volgens Huizinga is er fair play, maar er is ook vals spel.
Over het leven van Johan Huizinga schreef Willem Otterspeer in 2006 een fraaie biografie. ●

In de rubriek Grensverleggers portretteert Willem van der Meiden mensen die grenzen verlegden, overschreden of ophieven en zo de samenleving betekenisvol vernieuwden.

Pagina 1 van 11

Doorzoek de website

Volzin Schrijfwedstrijd 2017

volzin schrijfwedstrijd

Dank aan allen voor uw inzendingen! Er zijn 112 essays ingezonden waar de jury zich momenteel over buigt. De deelnemers ontvangen uiterlijk 1 december bericht over de uitslag. De winnende essays zullen verschijnen in het eerste Volzin-nummer van 2018. 

Social media

FacebookTwitterLinkedIn

Agenda