Laatste nieuws

  • In de herfst van mijn leven

    “Ik leef graag. Ik leef nu.” Nee, veel bezig met de dood is hij niet, getuigt André Lascaris
  • Drive-in

    Afgelopen zondag was het zover: in navolging van de drive-in bioscoop werd in Veenendaal een drive-in dienst gehouden.
  • De logica van het hart

    Ja, dat compassie ook economisch slim en noodzakelijk is, dat had ik van schrijfster en oprichtster van het
  • 1
  • In de herfst van mijn leven

    “Ik leef graag. Ik leef nu.” Nee, veel bezig met de dood is hij niet, getuigt André Lascaris (75). Maar hij ziet in vrede terug op wat was en is. In de herfst van zijn leven wordt hij overvallen door de oogst. ‘Nu gaan we een rij vormen op basis van leeftijd. De oudste voorop en de jongste achteraan”, riep de spelleidster. Vorig jaar herfst brak een nieuw seizoen aan voor de ten dele nieuwe medewerkers van het Dominicaans Studiecentrum voor Theologie en Samenleving en van de website Nieuwwij.nl. Een hernieuwde kennismaking leek nuttig. Hoe kun je dat beter doen dan door een spel? De oudste voorop dus. Ik keek even om mij heen. De oudste… Toen besefte ik plotseling: de oudste, dat ben ik. Ik zag om mij heen veel jonge gezonde mensen, ook mensen die wat ouder waren. Maar onmiskenbaar was ik met mijn 74 jaar de oudste. Willekeurig getalDe anderen vonden het kennelijk gewoon, dat ik de oudste was; ook ik had dit gewoon moeten vinden, maar het was eerder nog niet tot mij doorgedrongen dat ik een oude man ben, en met mijn ziekte van Parkinson geen vitale oude man. Als ik oudere mannen zag met grijs haar en soms een grijze baard, was ik spontaan geneigd te denken dat zij ouder waren dan ik. Waarschijnlijk had ik me minder overvallen gevoeld, als ik officieel op mijn vijfenzestigste verjaardag met pensioen was gegaan, en dit met een afscheidsfeestje gemarkeerd had. Een dergelijke markering ontbrak. Vijfenzestig jaar is een willekeurig getal. In Pruisen koos in de negentiende eeuw rijkskanselier Otto von Bismarck dit als pensioengerechtigde leeftijd omdat in die tijd arbeiders gemiddeld vierenzestig jaar oud werden en hij ze wel een jaar rust gunde. Andere regeringsleiders volgden hem. Voor een kloosterling, een priester, een schrijver, huisvrouw of huisman gaat het leven verder alsof zoiets als een pensioenleeftijd niet bestaat. Recht op respectOud worden betekent meer afhankelijk zijn van de nieuwe generatie. Zo kan de vraag opkomen waar de oudjes goed voor zijn. In Afrika, waar ik een jaar heb gewerkt, is het dwaas te vragen of je als oudere een zinvol leven kunt leiden. Ouderen zijn daar belangrijk omdat zij de traditie, de taal en de ethiek doorgeven aan de jongere generatie. Zij hebben ‘het leven overleefd’ en wijzen jongeren de weg. Ouderen hebben daar recht op respect, vaak hebben ze het voor het zeggen. Zelfs democratisch gekozen leiders moeten soms wijken voor de wijsheid van ouderen. In onze cultuur is juist het nieuwe altijd beter. Jongeren zijn meer dan ouderen thuis in de wereld van de computer. Zij zijn de toekomst. Ik heb nooit op jonge mensen en hun doen en laten neergekeken. Zij hebben hun eigen ervaringen die niet automatisch minder belangrijk dan die van ouderen. In mijn ogen zijn zij mijn gelijken en op het gebied van computers zijn zij mij de meerderen. Ik ervoer van de jongere mensen met wie ik een rij moest maken, respect en welwillendheid, en niet van hen alleen. Zo was ik blij verrast door de vele blijken van betrokkenheid en vriendschap die ik ondervond, toen ik onlangs (tijdelijk?) opgenomen moest worden in een verpleeghuis. Angst voor vervelingIemand zei me: ‘Je bent aan het oogsten’. De herfst is voor veel planten de oogsttijd. Ik ben in de herfst van mijn leven. De bladeren van de bomen worden veelkleurig en in de herfst van mijn leven geniet ik van de veelkleurigheid van de mensen die ik ontmoet heb. Ouderen verschillen onderling meer van elkaar, denk ik, dan jongeren. Zware verantwoordelijkheden zijn van mijn schouders genomen. Het gebrek aan jonge mensen in de leefverbanden van mijn dominicanenorde dwingen me om die last zo nodig weer op mijn schouders te nemen. Een leven zonder veel verplichtingen kan angstig maken. Je staat voor een leegte. Het werk is voorbij, de banden met oud-collega’s verzwakken. Het lopen wordt moeizamer. Ik maak geen grote plannen meer, want ik kan ze waarschijnlijk niet afmaken. Met de hand schrijven wordt een beproeving. Het spreken kan bemoeilijkt worden. Ik ga van die dingen niet dood, maar ik kom wel steeds meer in de marge terecht. Een vrouw, een paar jaar met pensioen, hoorde ik zuchten: ‘Nu komt de lange winter er weer aan’. Ik herken die angst voor de leegte van de verveling. Ik ben blij dit artikel te mogen schrijven, het geeft mij een doel, geeft deze dag een richting. Voor oude, vitale mensen met veel vrije tijd is het verleidelijk te rivaliseren met de jongeren. Read More
  • De logica van het hart

    Ja, dat compassie ook economisch slim en noodzakelijk is, dat had ik van schrijfster en oprichtster van het Handvest voor Compassie Karen Armstrong al begrepen. Vorig jaar vertelde ze dat ze als fondsenwerver voor het Handvest ooit naast de opperbaas van Starbucks zat. Deze man gaf een briljante speech over z’n vader die kruidenier was en die stiekem fruit in iemands tas stopte, zonder dat diegene erom had gevraagd. Waarop de zoon aan zijn vader vroeg waarom hij dat deed. De vader antwoordde: “Ik ken die man. Hij is dol op bananen. Als hij ze niet koopt, moet er iets mis zijn. Daarom stop ik ze in zijn tas.” Hij deed dat uit zijn goede hart, niet met een verborgen agenda. Maar die klant kwam natuurlijk terug en nam z’n vrienden mee. Gulheid bleek toen al booming business. En zakenlieden zien nu massaal in dat de financiële crisis is veroorzaakt door zelfzucht. Ook al weet ik niets van economie, ergens voel ik dat we hier te maken hebben met logica. En nu word ik op nog meer inzicht getrakteerd. In De Nachtzoen vertelt een jongen dat hij als adolescent door Spanje liftte. Platzak natuurlijk. Op een gegeven moment had hij het wel gezien en verlangde hij terug naar z’n Hollandse dorp. Zijn opgestoken liftduim deed een vrachtwagen stoppen. De chauffeur die redelijk Engels sprak, bleek tot z’n stomme verbazing als eindbestemming de Veluwe te hebben. Onderweg werd er meerdere keren gestopt voor eten en onderdak. De lifter raakte steeds beschroomder, want er zat werkelijk geen stuiver meer in z’n kontzak. Aangekomen in Putten vertelde hij de chauffeur dat hij werkelijk geen idee had hoe hij de man kon betalen. Daarop sprak de engel op wielen de levensveranderende opdracht: “Er komt een dag dat je aan een ander kunt doen wat ik voor jou deed. Dan zul je me hebben terugbetaald.” De stralende jongeman die me dit vertelt, heeft intussen zijn hart geopend voor vele veronachtzaamden. Wat mij in hem treft, is dat hij de zegen die hij heeft ontvangen door weet te geven. “Ga heen, doe gij evenzo.” Werkelijk gezien door een vrachtwagenchauffeur, is hij op zijn beurt in staat om ook een ander in het licht te zetten. Plots schiet de geloofsbelijdenis van La Armstrong me te binnen: “Credo betekent niet: ‘ik geloof’, maar: ‘ik geef mijn hart’.” Logisch, als je het goed nagaat. Read More
  • 'Ik zie mijn leven niet graag los van taken'

    "Het leven is net een vakantie van drie weken. De eerste week is eindeloos, de tweede week gaat al aardig snel en de derde is voorbij voor je het weet." Deze wijsheid van zijn rootvader inspireert Bas de Gaay Fortman, nu hij zelf oud is geworden. "Levensaanvaarding. Je moet niet gaan tobben." Bas de Gaay Fortman (77) probeert zijn academische leven tot in de eeuwigheid op te rekken. In 2002 werd hij 65 jaar en ging hij met emeritaat als hoogleraar Political Economy aan het Institute of Social Studies in Den Haag. Hij mocht toen als hoogleraar onbetaald doorwerken aan de Universiteit Utrecht. Totdat hij ook daar in 2010 met emeritaat ging. Maar ook hier was een uitweg: hij ging verder als ‘honorair’ hoogleraar op een zolderverdieping achter de Domkerk in Utrecht. Daar zit hij met een paar andere grijzende academici. “Het heeft als bijnaam het ‘hotemetotengebouw’," vertelt hij. Samen met een jonge onderzoeker werkt hij er aan een onderzoeksvoorstel. Ook schrijft hij nog wetenschappelijke artikelen en bezoekt hij conferenties.Zijn plek op die zolderverdieping heeft hij ‘ad vitam’. Oftewel: “Totdat het geen zin meer heeft”, vertelt hij, in de woonkamer van zijn huis in Ermelo. “Je merkt vanzelf of je er nog komt of niet.” Zijn reden voor die niet aflatende arbeid: “Ik zie het leven niet graag los van taken.”In november werd hij 77. Daar heeft hij geen bijzondere gevoelens bij. “Ik ben niet bewust bezig met het ouder worden. Er ligt, geloof ik, een boek in de boekhandel dat Oud worden zonder het te zijn heet. Die titel spreekt mij aan. Je wordt oud, maar dat is niet je identiteit. Je hebt ontzettend veel andere identiteiten: die liggen in de familie, in je huwelijk, in de kerk, in je sportclub, deels ook in je nationaliteit. Maar wat dat laatste betreft: wij hebben vier jaar in Zambia gewoond. Daarna werkte ik op het Institute of Social Studies, waar studenten uit Afrika, Azië en Zuid-Amerika komen. Als je daar binnen ging, verliet je Holland. Dan kwam je in een interculturele omgeving, waarin ik me altijd thuis heb gevoeld. En ik ben een beetje Zambiaan gebleven. Ik spreek de taal. Ik voel met dat land een makkelijke verbondenheid. Zambianen hebben een natuurlijke opgewektheid. Daar kan ik makkelijk in mee gaan.” Drie weken“Van mijn grootvader, die rechter was in Amsterdam, heb ik heel veel geleerd. Hij zei: ‘Het leven is net een vakantie van drie weken. De eerste week is eindeloos, de tweede week gaat al aardig snel en de derde week is voorbij voor je het weet.’ Maar in deze tijd worden mensen veel minder oud in een bewust proces van dichter naar de dood toe leven en besef krijgen van je fysieke beperkingen. Ik had een knieprobleem, dat nog niet helemaal over is. Als dat knieprobleem acuut is, zou ik eigenlijk een stok moeten pakken. Maar dat doe ik niet, want dan bén ik oud. Je aanvaardt dat je ouder word, maar je gaat niet naar bed en staat niet op met het idee: ik zit in die derde week en het gaat heel hard.”Naast het huis van De Gaay Fortman, midden in een woonwijk in Ermelo, ligt een tennisbaantje. Daar spart hij nog altijd met zijn vrouw. “We spelen wel echt om de punten.” In de zomers speelt hij cricket. “Bewegen is belangrijk. Dus als het weer er zo goed uitziet als vandaag, dan is er een goede reden om even de hei op te fietsen.”“Als ik naar mijn grootvader kijk: die bewoog niet veel, maar hij heeft tot zijn dood gewerkt. Omdat hij van werken hield en omdat hij niet geloofde in psychotherapie. Dus als je een enorme tegenslag krijgt of als je met jezelf in de knoop raakt: wérken”, vertelt De Gaay Fortman. “Mijn grootvader was op zijn 59e al weduwnaar, doordat zijn vrouw in de Hongerwinter van ondervoeding en uitputting gestorven was. Maar hij had een opgewekte levenshouding, zeker naar ons toe. Het was fijn om bij hem te zijn. Toch was hij in onze ogen een oude man. Hij paste niet in dat ‘oud worden zonder het te zijn’.” Levensaanvaarding“Ik heb, hoop ik, wel veel van mijn grootvader overgenomen, want hij was een plezierig mens en had een vanzelfsprekende levensaanvaarding: je moet niet gaan tobben. Hij hield van goed eten en drinken, dus hij nam mij ook weleens samen met mijn vriendin mee uit en dan gingen we eten bij Keyzer of Americain in Amsterdam. Er zat niets van tobben in zijn uitstraling, terwijl het verlies van zijn vrouw ingrijpend moet zijn geweest. Die levensaanvaarding hebben Afrikanen ook: van nature in het leven staan. Je hoort er. Je aanvaardt het. Een stadium verder is de dagelijkse levensvreugde. Afrikanen stralen die uit, zelfs te midden van ellende. Dat is de kunst van Afrika. Eén van mijn beste vrienden, een collega, aan het instituut in Den Haag komt uit de Nuba-bergen in Sudan. Als ik hem ontmoet, ben ik weer eventjes in Afrika. Read More
  • 'Ik kies voor het mooiere verhaal'

    Elbert Smelt (30) is parttime-arts in de verslavingspsychiatrie, domineeszoon en zanger van Trinity, de grootste christelijke popact van Nederland. Trinity maakt opwindende, aanstekelijke wereldmuziek, voornamelijk gezongen in Spaans en Engels. De groep leerde de kerk ‘een feestje bouwen’ en wil nu graag doorstoten naar een groter publiek dan alleen het christelijke. Elbert is een gepassioneerde frontman met een eigenzinnige visie op muziek, kerk en samenleving. Elbert, Johan en Niek Smelt zijn muzikale zonen van de zending. Johan speelt gitaar, Niek drums en percussie. Elbert zingt en bespeelt fluit en saxofoon. Samen met hun bassende vriend Bert Bos vormen ze de groep Trinity. Die naam heeft betrekking op hun christelijke achtergrond (de drie-eenheid van God, Jezus en Heilige Geest), maar ook op de drie culturen die ze op aanstekelijke wijze in hun muziek verenigen: de Keltische, de Afrikaans en de Zuid-Amerikaanse, ook wel Latino genoemd. De liedjes van Trinity klinken warmbloedig en dansbaar, hoewel de heren in hun teksten sociale en levensbeschouwelijke visies bepaald niet schuwen. Met Mundo, hun zesde album, bereikten ze afgelopen zomer nummer zeventien van de Nederlandse album Top 100.  “Ik ben als enige van de drie broers geboren in Peru”, vertelt zanger Elbert. “Mijn ouders waren daar zendelingen, voor de Gereformeerde Zendingsbond. Mijn vader als dominee en mijn moeder als tropenarts, beiden net afgestudeerd. Met een zoontje van een zijn ze naar de hoofd- en miljoenenstad Lima gegaan. In de tijd van terreurorganisatie Lichtend Pad en grote urbanisatie. Daar ben ik geboren. We woonden in een volkswijk bij het vliegveld. Ze kozen bewust niet voor een villawijk in het rijke deel van Lima. Ik ben daar later terug geweest, toen dacht ik: Man, dat jullie hier drie kinderen hebben opgevoed! Slechte huizen, veel alcoholisme, veel ellende.” Wilden je ouders ook mensen bekeren?“Hun standpunt was: we kunnen mensen moeilijk over Jezus gaan vertellen als ze geen eten hebben. Je kunt niet zeggen: God houdt van je en hij heeft een plan met je leven en voor de rest: stik maar in je misère. Jezus houdt van je, doei! Als je Jezus echt volgt, dan zorg je er eerst voor dat het onrecht uit de wereld gaat. Ze zijn vooral bezig geweest met het verbeteren van leefomstandigheden. Mijn moeder deed als arts gezondheidsprojecten voor vrouwen in de buurt, met betrekking tot zwangerschap, opvoeding, kinderen enzovoorts. Mijn vader hield zich vooral bezig met het oprichten van scholen. Eigenlijk was hij een soort projectmanager, die samenwerkte met de Peruanen. Daarnaast was er dan ook de kerk. Op zondag preekte hij.” Nederland heeft een heleboel beroemde zonen van dominees. Jij bent er een van.“Klopt, het doet blijkbaar iets met je. Toen ik acht was kwamen we terug in Nederland. Toen was ik dus ‘gewoon’ domineeszoon in Nederland. Domineeszoon zijn maakt je al gelijk meer een podiummens. Van jongs af aan leef je een beetje in een glazen huis. Als je ergens nieuw komt als domineeskind, kent gelijk de hele gemeente je. Je staat meteen in de picture.” Als muzikant is het eigenlijk ook zo. “Mijn vader heeft een preekstoel, ik heb een podium. Wij trekken ook rond, investeren in mensen, bereiken snel een diep level van contact. Vervolgens zeggen we: veel geluk hier, wij gaan weer verder. Dat is ook de charme van optreden. Daar houd ik erg van, het is eigenlijk mijn tweede natuur geworden.” Zou jij ook zendeling kunnen zijn?“Volgens mij werkt dat in deze tijd niet meer. Ik zie dat in ieder geval niet als mijn ding. Toen ik jong was wel. Ik droomde dat ik een soort Albert Schweitzer zou worden (befaamd Duitse lutherse theoloog en medisch zendeling, 1875-1965, TE). Niet zo groots als hij natuurlijk, maar toch. Ik las boekjes over zijn leven. Die vond ik echt cool. Hij was naast tropenarts ook musicus en theoloog. Voor dat laatste had ik niet zoveel roeping. Maar ik ben inmiddels zelf wel dokter. Mijn keuze voor geneeskunde werd heel erg gestuurd door de wil om nuttig te zijn in deze wereld. Niet zozeer door wat ik goed kon of leuk vond.” Read More
  • Kom tot jezelf!

    Beleef het ouder worden als een ontdekkingsreis in niemandsland, adviseert Frits de Lange. “De ouderdom is de intensivering en radicalisering van de ervaring van het onderweg zijn naar je zelf. Wijs is de mens die gewetensvol deze reis maakt, doorleefd ouder wordt, bewust de tijd neemt om radicaal tot zichzelf te komen.” Een jaar of tien geleden begon ik met ‘goed oud worden’ als onderzoeksthema in de ethiek. Ik loop nu tegen de zestig en ga zo langzamerhand tot mijn eigen doelgroep behoren. Ik raakte in de ban van de vraag hoe een vergrijzende samenleving een kwade oude dag kan vermijden. Wat is goed leven als je zeventig, tachtig, negentig bent? Als prille vijftiger keek ik toen naar ouderen zoals een antropoloog kijkt naar een vreemde volksstam: met warme belangstelling, maar tegelijk met het besef: ik hoor er niet bij. Dat wordt nu anders. Ik beweeg wat bedachtzamer, daal trappen voorzichtiger af, weet nu dat de dokter artrose gewoon ‘slijtage’ noemt, en kan in mijn werk minder draaiende schoteltjes in de lucht houden dan vroeger. En soms heb ik als ik les geef aan prille twintigers ineens het gevoel van ‘opa vertelt’. Ja, ik word oud. Een constructie Ga ik nu de mooiste tijd van mijn leven tegemoet? Tien jaar geleden zou mij dat van alle kanten verzekerd zijn. In 2008 werd ‘ouder worden’ het thema van de nationale boekenweek. Er verschenen titels als Ouder worden is een feest! Ik schreef zelf een essay over het ‘zwitserlevengevoel’. De vitale senior beheerste het beeld. De babyboomer als joyeuze levensgenieter, al dan niet met de camper op reis door Europa. Het kan verkeren. Inmiddels is de oude dag in het publieke debat een schrikbeeld geworden. Sinds de crisis van 2008 staat ouderdom voor onbetaalbare pensioenen, ontmanteling van de AWBZ en overbelaste mantelzorgers. We zijn bang geworden voor de ouderdom. Bang om dement te worden, bang dat er straks niemand meer is om voor ons te zorgen. Hoogbejaard en dan het verpleeghuis? ‘Ik stap er voor die tijd wel uit,’ horen we. De wilsverklaring ligt al klaar.Het beeld van de ouderdom wisselt snel, al naar gelang onze angsten, dromen en verlangens. Is er dan echt geen wetenschappelijk verhaal over te vertellen, dichter bij de feiten? Welnu, ik heb de afgelopen tien jaar veel gerontologische literatuur onder ogen gehad. Maar een vastomlijnd beeld van wat het betekent om oud te zijn levert het niet op. Integendeel, dé ouderdom bestaat niet, ontdek ik steeds meer. Beelden van ouderdom, die bestaan wel. Zo was in de naoorlogse verzorgingsstaat de oudere een afhankelijke patiënt die door een witgeschorte zuster in het bejaardenhuis werd verpleegd. Een medisch model, dat hielp om ruimte te maken voor de wederopbouw. In de huidige participatiesamenleving is de oudere van de weeromstuit een ‘actieve, participerende burger’ geworden, die zijn eigen boontjes dopt. Een wensplaatje van beleidsambtenaren, om de kosten van de vergrijzing beheersbaar te houden in een mondige democratie. Ouderdom is, met andere woorden, een maatschappelijke constructie, het product van een samenspel van economische belangen, politieke macht en culturele idealen. De ondernemende seniorDe oudere zelf, die unieke mens op leeftijd, ontsnapt per definitie aan elk generaliserend plaatje. Waarom word je tussen de pakweg dertig en vijftig niet tot een categorie gerekend en behoor je daarboven ineens bij de beige massa? Je hebt vitale tachtigers die nog steeds werken en sombere zestigers die versleten zijn en uitgeblust. Oma’s en opa’s opgenomen in de kring van hun kinderen en kleinkinderen, en vereenzaamde zonderlingen die alleen nog met de caissière van de supermarkt een woordje wisselen. Zij die ‘klaar zijn met leven’ en naar de dood verlangen, tegenover hen die op hun honderdste nog gretig een nieuwe computer kopen. De oudere bestaat niet. Wijs oud worden is daarom om te beginnen: eigenwijs oud worden. Laat je niet wegzetten in een groep. Je bent geen ‘oudere’, je bent en blijft Inge of Pieter, Daan of Dorien. Creëer je eigen oude dag. Biedt weerstand aan verwachtingspatronen en stereotypen. Ga er al helemaal niet zélf ook nog in geloven! Het is de winst van de individualisering dat geen enkele levensloop nog standaard is. De tijd van de drie fasen school, gezin en carrière, gevolgd door de ‘rust’ van het pensioen ligt achter ons. Maar er zijn nieuwe collectieve beelden die zich subtiel opdringen, en ons weg laten drijven bij onszelf. Bijvoorbeeld: de ondernemende senior die voor zichzelf zorgt, en als hij dat niet meer kan het veld ruimt. In de vorige eeuw moest je als burger kapitaal hebben, in onze eeuw moet je je eigen kapitaal zijn. Jij bent een onderneming, en je lichaam, je psyche, je talenten en vaardigheden bepalen je marktwaarde. Performance – daar komt het op aan. Vandaar de fascinatie in onze cultuur voor jong zijn. Dat heeft op zich weinig met leeftijd te maken. Niemand wil graag zijn puberteit nog eens overdoen. Maar jongeren zijn van nature nog wat ouderen ook moeten zijn: ondernemend. Daarom staan ze model. Zo lang je nog op hen kunt lijken als actieve senior, tel je nog mee. Kun je het niet meer opbrengen, dan word je tot last voor anderen en voor jezelf. Je bent een restproduct van de voortsnellende samenleving en wordt cultureel gezien voor dood verklaard. Ligt er nog geen wilsverklaring klaar? Mensen in bewegingFotograaf Martine Sprangers was te gast bij het ‘ouderenberaad’ van de Dominicusgemeente in Amsterdam. Zij vroeg mensen om te poseren op een wijze die of een attribuut dat voor hen uitdrukt wat zij als oudere het liefste doen. De keuze viel op ‘de beitel van mijn opa’ (een meubelmaker), een boek, een mobieltje (‘contact met mensen’), ‘mijn handen’ (ík geef reiki), een hark (volkstuinder), ‘mijn jas’ (‘want altijd onderweg), een mandala (‘ik ben creatief’). Read More
  • Wie God verliest, krijgt hem terug

    Bestaat God? Postseculiere denkers als Alain de Botton vinden deze vraag niet meer relevant en wijzen op de voordelen van religie. In God geloven? Dat stadium zijn we inmiddels wel voorbij. Absolute zekerheid krijg je nooit, maar volgens godsdienstfilosoof Wouter Slob is dat geen reden om het geloof in God op te geven: “Geloof moet je niet willen bewijzen, geloven in God moet je doen.” In de heftigheid van de Zwarte Piet-discussie zou je het bijna vergeten: hij bestaat niet, hoor! En Sinterklaas evenmin. Voor de intensiteit van de betoogtrant lijkt dat echter niet uit te maken. Bij deze discussie gaat het immers niet om een wezensbepaling van Zwarte Piet, evenmin om de historische vraag of Sinterklaas wel echt uit Spanje komt, maar gaat het om de betekenis van deze twee figuren in onze eigen concrete levens. Voor de tegenstanders van de zwartheid van Piet is de associatie van huidskleur met domme onderdanigheid doorslaggevend. Voor de voorstanders van Zwarte Piet staat de oer-Hollandse eigenheid op het spel. In beide gevallen gaat het dus vooral om de eigen identiteit. Voorwaardelijk geloofHoe anders moet dat wezen bij een discussie over God. Hoewel de gelijkenis treffend kan lijken (oud, baard en goedheilig), is het duidelijk dat Sinterklaas een verklede oom is, een interessant folkloristisch figuur en een handig commerciële kruiwagen. God, daarentegen, dient ‘echt’ te bestaan om betekenisvol te wezen. Of dat wel of niet het geval is, is natuurlijk punt van discussie tussen theïsten en atheïsten, maar dat het bestaan van God een voorwaarde is voor de zinvolheid van religie, daarover zijn deze voor- en tegenstanders het eens.Niet alleen atheïsten bezondigen zich aan de bestaansvraag. Ook theïsten, in hun ijver om het bestaan van God te bevestigen, aarzelen niet om zijn bestaan door middel van deze vraag ter discussie te stellen. Een teken van vertrouwen is dat toch niet, eerder een signaal van wantrouwen: ‘Ik wil best geloven en desnoods mijn ziel en zaligheid aan de Heer toevertrouwen, maar alleen als hij bestaat.’ Het theïsme is daarmee een uitdrukking van voorwaardelijk geloof. Maar is dat vreemd? Als God niet zou bestaan, zou hij wel érg sterk op Sinterklaas gaan lijken, en zouden we onze ziel en zaligheid vasthaken aan een folkloristische hersenschim, een leuk bedenksel, maar niet waar. We zouden onszelf bedotten; de zak die zo vol verrassingen voor de deur staat, hebben we er zelf neergezet.In de discussie rond het bestaan van God doen vóór- en tegenstanders hun uiterste best de bewijslast op de schouders van de tegenpartij te leggen. Begrijpelijk, want het bestaan van ‘iets dat ons verstand te boven gaat’ is lastig aan te tonen of te weerleggen. Dat laat je liever aan de tegenstander over. Wederzijds wordt gewezen op het probleem dat de kracht van de gehanteerde argumenten afhankelijk is van de veronderstelde uitgangspunten. Elke argumentatie wordt zo circulair. Onontkoombaar atheïsmeWellicht heeft de atheïst Floris van den Berg daarom gelijk als hij de menselijk autonomie in dit debat centraal stelt en om die reden voor het atheïsme kiest. Is het geloof immers niet het gevolg van een onzindelijke indoctrinatie die de mens afhankelijk maakt van een bovennatuurlijke, metafysische, kracht? Een autonoom persoon zal nooit kiezen voor afhankelijkheid. Maar juist het beroep op de liberale vrijheid zadelt hem op met de ‘ongemakkelijke paradox’ dat mensen ook vóór het geloof kunnen kiezen.‘Ongemakkelijk’ is die paradox slechts dan, wanneer je meent dat de keuze altijd tegenstrijdige keuzes uit moet sluiten. Maar die fase zijn we voorbij. In zijn gelauwerde studie Een Seculiere Tijd noemt de Canadese filosoof Charles Taylor dit als kenmerk van de late fase van de secularisatie: geloof is een optie, net als ongeloof. Waar ooit theïsten en atheïsten hun uiterste best deden elkaar te diskwalificeren, daar erkennen postseculiere gelovigen én ongelovigen wederzijds elkaars keuzes. Zonder hun eigen positie daarbij op te geven. Vanuit gelovig perspectief is het atheïsme al langer een onontkoombare en onvermijdelijke realiteit. In het persoonlijke leven hebben de meeste gelovigen meer mensen zien afhaken dan volhouden, niet zelden hun kinderen en kleinkinderen. De tijd dat deze afvalligen konden worden uitgestoten is sinds lang voorbij. Gelovigen hebben door schade, schande en schuldgevoel moeten leren leven met de reële optie van ongeloof. In zekere zin liepen de gelovigen daarmee voor op de ongelovigen, die pas met de doorwerking van het postmodernisme hun exclusieve gelijk hebben opgegeven. Anders dan sommige hardnekkige tegenstanders lijken te denken, gaat het hierbij niet om het bejubelen van ongebreideld relativisme. Het gaat om de vaststelling dat rationaliteit geen universele grootheid is: context-bepaald en daarmee achtergrondgevoelig. De militante atheïstische aanspraken bleken net zo dwingend en uitsluitend als hun theïstische tegenhangers en vereisten daarmee in feite een zelfde soort God’s eyepoint of view om houdbaar te zijn. Precies dat perspectief werd hartgrondig ontkend. Het menselijk kenvermogen is echter beperkt en feilbaar, ontoereikend en verbeterbaar. Dat maakt zowel de exclusieve aanspraken van theïsten als atheïsten verdacht. Dit feit geeft hernieuwde ruimte aan de keuze voor religiositeit. HerwaarderingPostseculiere denkers tonen dan ook opnieuw belangstelling voor het geloof. God was dood en begraven, maar lijkt te zijn herrezen! Niets nieuws voor gelovigen (hoewel velen er wellicht niet meer op hadden durven hopen). Maar voor ongelovigen nog niet zo makkelijk te geloven. Tegen de klippen op probeert godsdienstwetenschapper Koert van der Velde het bijvoorbeeld, maar hij komt niet verder dan slechts ‘flirten met God’. Geloven dat Hij bestaat, kan hij eenvoudigweg niet. Op soortgelijke manier komt filosoof Ger Groot steeds God weer tegen en voert journalist Joël De Ceulaer een pleidooi om ‘God niet weg te gooien’ (zie blz. 54).Zelfs een geharnaste modernist als Jürgen Habermas ziet inmiddels de waarde van geloof, de denker des vaderlands René Gude bekent de religiositeit misschien te hebben verwaarloosd en Alain de Botton ziet in religies ‘iets wat mooi, ontroerend en wijs is’. Maar allen benadrukken daarbij atheïst te zijn en te blijven. Read More
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6

Doorzoek de website

Social media

FacebookTwitterLinkedIn

Agenda

Geef een Volzin cadeau!

 

Advertentie