Laatste nieuws

  • 1
  • Gemeenschapshuis biedt plaats aan iedereen

    De meeste mensen hebben een huis voor zichzelf waarin zij alleen of met hun gezin wonen. Sommige mensen echter hebben helemaal geen huis, anderen hebben er misschien twee of meer. Wat is echter het huis van hout of steen waar iedereen in beginsel kan samenkomen onder één dak? In een samenleving hebben we een huis waar we als burgers spreken over de inrichting van de stad (polis) en daarover besluiten nemen. Dit huis wordt ook wel het raadhuis genoemd. Het is er voor de politiek. Ook hebben we in de samenleving een ruimte voor de handel. Het marktplein is er voor de economie. In de hoofdstraat van een stad of dorp laat zich vaak in de buurt van het marktplein en het raadhuis ook een kerkgebouw vinden. Dit huis zou de gehele gemeenschap moeten dienen. Hier komen mensen samen om steeds opnieuw hun vertrouwen te herwinnen. De mensen die samenkomen zijn man of vrouw, arm of rijk, kind of gepensioneerd, yup of jonge ouder, allochtoon of autochtoon, met of zonder werk, met een publieke functie of werkend in de private sector et cetera. De grootste valkuil voor dit gemeenschapshuis is dat men denkt dat je een ‘gelovige’ of ‘christen’ of ‘religieus’ moet zijn om dit huis binnen te kunnen en willen gaan. Een misvatting volgens mij. Het zou een prachtig en misschien ook volstrekt logisch idee zijn dat gewone mensen met allemaal een eigen roepnaam en uniek levensverhaal in beginsel kunnen samenkomen onder één dak. Een transformatie of bekering van ongelovige naar gelovige, van niet-christen naar christen of van niet-religieus naar religieus lijkt mij persoonlijk nog altijd iets onwaarschijnlijks, maar de complicatie hierbij is dat het grootste deel van de geschiedenis ons anders laat zien. Ook in de huidige tijd zijn er groepen mensen die een dergelijk gemeenschapshuis niet ten principale geschikt achten voor de gehele gemeenschap, maar bovenstaande kwalificaties als criteria hanteren voor in- dan wel uitsluiting. Ook al hangen deze en andere negatieve associaties aan de traditie van kerk en Bijbel, het pleit ons niet vrij om desondanks te pogen de mens terug te brengen naar het kernidee van het kerkgebouw als gemeenschapshuis. Voor alles moet dit gemeenschapshuis onthaasting mogelijk maken. In het leven van alledag zijn er veel prikkels. De hoeveelheid informatie die op ons afkomt in de (sociale) media, op straat of op het werk kan ons vermoeien en ons zicht op de kern van het leven vertroebelen. In de uitputtingsslag die het bestaan soms kan zijn, moet het gemeenschapshuis een oase zijn in de woestijn van het leven. Bij binnenkomst van het huis treed je een andere wereld binnen: een omgeving die de mens vertraagt en onthaast. Zij biedt de mens de mogelijkheid zich opnieuw de vraag te stellen: waar was het mij ook alweer om te doen? Wie ben ik eigenlijk en wat maakt mij tot mens? Ook geloven de bezoekers van zo’n gemeenschapshuis in de behoefte en noodzaak van andere prikkels dan de alledaagse. Het gaat om inspiratie die ons op nieuwe ideeën brengt en ons anders naar de werkelijkheid om ons heen laat kijken. Je begrijpt dat iemand die vertraagt en onthaast, mogelijk ook op andere gedachten komt en anders of hernieuwd naar de werkelijkheid om zich heen kan kijken. Read More
  • Ik wil het hier en nu vieren

    Diensten voor ongelovigen rukken op. De behoefte aan bezinning zit kennelijk in iedereen. Jeroen Fierens peilt de stemming, gewapend met een rolletje pepermunt. Op zoek naar ademruimte. Met mijn haren gekamd, nette schoenen aan en uiteraard een rolletje peper-munt op zak, loop ik zondagavond wat onwennig De Nieuwe Liefde in Amsterdam binnen voor de ‘dienst voor ongelovigen’. Onwennig, want ik weet niet zo goed wat ik me bij een dienst voor ongelovigen moet voorstellen. De naam prikkelt de verbeelding en in mijn fantasie zie ik een dominee die vanaf de kansel met donderende stem de darwinistische versie van het scheppingsverhaal voorleest aan een gemeente die hunkert naar verlossing van religieuze dogma’s. Zijn als een kindDe eerste vrolijke noten van de piano doen me opschrikken uit mijn droomwereld. It’s a good enough day to love! zingt het koor uit volle borst. Het is geen gospellied, maar dat had het wel kunnen zijn. Ik begin vanzelf een beetje op m’n stoel te wiebelen en mijn buurvrouw probeert enthousiast de zaal aan het meeklappen te krijgen, wat haar pas lukt als we voor de allerlaatste keer het refrein zingen. Actrice Ricky Koole, de organisator van de diensten, betreedt het podium en heet ons van harte welkom bij deze viering van het begin van de herfst. We blikken terug op een zomer die onverwacht zonder komkommernieuws, maar vol dramatische gebeurtenissen was. En we kijken vooruit naar de herfst, naar appeltaart en thee onder een dekentje op de bank. Verschillende liederen en poëtische teksten wisselen elkaar af en halverwege de dienst is er een overdenking door schrijfster Désanne van Brederode. In een poëtisch betoog spoort ze ons aan tot Spieltrieb, tot zijn als een kind, dat de herfst net zo fijn kan vinden als de zomer omdat het nog niet geleerd heeft dat je in de herfst depressief hoort te zijn, dat natte bladeren vies zijn en rotte appels stinken. Zijn als een kind, best een bijbels thema. Geen donderpreek vanaf de kansel dus, maar wel muziek, poëzie, bezinning, stilte, een overdenking en aan het einde van de dienst zelfs een soort ‘gebed’. Vanwaar deze behoefte van ‘ongelovigen’ om een ‘dienst’ te hebben? Waarom lezen ze niet gewoon een goed boek? Is het nostalgie die voortkomt uit het gemis van de geborgenheid van het (verloren) geloof of zit er meer achter?Ricky Koole: “Ik vind een kerkdienst prachtig, maar ik gelóóf gewoon niet. Dus dan denk je tijdens zo’n dienst: ‘Dit gaat toch niet over mij, ik kan me hier niet mee verbinden. Ik kan me niet verheugen op een hiernamaals, ik wil eigenlijk liever nu, hier, vieren.’ De mensen die hier komen hebben denk ik diezelfde behoefte aan bezinning, aan samenzijn, aan mooie muziek. Even stilstaan en kijken: waar kom ik vandaan, waar ben ik nu, en wat wil ik, waar ga ik naartoe? Die behoefte zit in iedereen, of je nu gelooft of niet.”Om die reden koos Koole ook voor de vier seizoenen als ‘raamwerk’ voor de diensten. “Elk begin van een nieuw seizoen komen we bij elkaar om terug te blikken op wat het vorige seizoen ons gebracht heeft en vooruit te kijken naar het komende seizoen. De seizoenen zijn een niet-religieus kader dat daarbij meteen een aanknopingspunt biedt voor zingevende thema’s.”Hoewel het van buitenaf op een kerkdienst lijkt, heb ik eigenlijk geen enkel moment het gevoel dat ik ook daadwerkelijk bij een ‘dienst’ ben. Het is eerder een inspirerende literaire/muzikale theatervoorstelling met een bijzonder gevarieerd programma. Dat is niet raar, want volgens Koole kan theater hetzelfde met je doen als een kerkdienst: je staat even stil, wordt geraakt, door verhalen en muziek. Je kijkt even door de bril van iemand anders en krijgt daardoor misschien wel een ander perspectief op je eigen bestaan. En wie weet duik je deze herfst dan wel in een berg bladeren. Evangelische atheïstenRicky Koole is niet de enige die seculiere kerkdiensten organiseert. Met nog steeds dat rolletje pepermunt in mijn broekzak bezoek ik de week erop de allereerste samenkomst van Sunday Assembly Amsterdam. Het in Londen begonnen fenomeen, dankzij de Britse media wereldwijd bekend geworden als ‘de atheïstenkerk’, lanceert die dag maar liefst vier assemblies in Nederland. Anders dan in De Nieuwe Liefde, klappen we hier al met z’n allen mee voor we goed en wel zijn begonnen met zingen. Zodra de muziek losbarst, springen de twee hosts (presentatoren) door de zaal en al snel slaat hun enthousiasme over op de bezoekers. Als je de dienst van Koole zou vergelijken met een vrijzinnige, wat intellectuele protestantse kerk, zou de Sunday Assembly een evangelische samenkomst zijn. Zonder evangelie dus. Er wordt keihard meegezongen (“vals zingen mag!”), gedanst, geschreeuwd en gelachen. “Wat is er leuker dan één liedje? Twee liedjes!” brult landelijk coördinator en host Jan Willem van der Straten terwijl de band de eerste tonen van Queens Don’t stop me now inzet. De vergelijking met een kerk vindt hij niet storend. “We zijn een seculiere gemeenschap die samenkomt om het leven te vieren. Wat wij doen is nieuw, dat kennen mensen niet, dan is de kerk een goed referentiepunt.” Dat de Sunday Assembly veel van de kerk heeft geleend, is dan ook geen geheim: “We houden onze vieringen op zondagochtend, er is muziek, een inspirerende spreker, we doen vrijwilligerswerk, we hebben zelfs een collecte.” Toch dekt de bijnaam ‘atheïstenkerk’ de lading niet: “Wij zijn radicaal inclusief, dat wil zeggen dat iedereen welkom is, hoe verschillend ook. De verbinding staat bij ons centraal. Dat komt ook naar voren in onze drie pijlers: Live better, help often, wonder more.”Die pijlers laten zien dat de Sunday Assembly méér is dan een feestelijke voortzetting van de zaterdagnacht. “Dat het leuk is, wil niet zeggen dat we niet met iets serieus bezig zijn,” aldus Van der Straten. Het thema van deze eerste bijeenkomst is Niets meer te bewijzen. Marja Ruijterman, coach en schrijfster van een boek met dezelfde titel, vertelt uit haar persoonlijke en professionele ervaring over de drang tot bewijzen en de negatieve effecten die daarmee gepaard kunnen gaan. Ze geeft daarbij enkele praktische handvatten om minder te piekeren en meer te ‘zijn’, zoals ‘de plofadem’: diep inademen en dan met een plof uitademen om tot rust te komen. Na twee minuten stilte om na te denken vertelt bezoeker Toska over haar eigen ervaringen met het thema. Ze studeert aan het conservatorium en de drang zich te bewijzen is een wezenlijk deel van haar leven, het helpt haar om te worden wie ze wil zijn. Tegelijkertijd kan de druk ook te groot worden en de persoonlijke ontwikkeling en creativiteit in de weg staan. De kunst is het vinden van een balans. Het kind en het badwaterHet idee achter deze diensten – dat religie waardevol is, ook wanneer je niet gelooft – is ook de boodschap van filosoof Alain de Botton, bekend van onder meer de TED-Talk ‘Atheism 2.0’ en zijn boek Religie voor atheïsten. Je zou zijn denken over religie kunnen samenvatten met het gezegde ‘we hebben het kind met het badwater weggegooid’: in onze ijver onszelf te bevrijden van de beklemmende en dogmatische invloed van het geloof op ons leven hebben we alles wat maar naar religie riekt – dus ook de waardevolle aspecten – de deur gewezen. De Botton wil die waardevolle aspecten uit het domein van de godsdiensten bevrijden en weer voor iedereen beschikbaar maken.Gerko Tempelman, oprichter van de Kerk voor Atheïsten (+ agnosten + de rest van ons), herkent deze beschrijving van de samenleving. Nieuwsgierig naar de gaten die de kerk heeft achtergelaten in een post-religieuze maatschappij, begon hij zijn eigen ‘atheïstenkerk’ in Amsterdam. Anders dan bij de eerdergenoemde diensten het geval is, koos hij er echter voor de traditionele vorm van een dienst te vermijden en het gesprek aan te gaan op een laagdrempelige plaats, namelijk in de kroeg. Hij merkte dat er vooral een behoefte is aan gemeenschap en aan bezinning, het liefst een combinatie van die twee. In een samenleving waarin de kerk vanzelfsprekend is, kun je met je levensvragen terecht in de kerk of bij de dominee of pastoor, maar in een post-religieuze samenleving mist zo’n plaats. Die bezinning en gemeenschap is inderdaad wat veel van de bezoekers van seculiere diensten trekt. Janniek en Len (beide 41), twee vaste bezoekers van de diensten van Ricky Koole, vertellen me dat ze zich telkens weer ‘opgeladen’ en ‘gevoed’ voelen. De samenleving is hard en individualistisch, maar tijdens de dienst voel je je verbonden met elkaar, staat de liefde centraal. Die sfeer blijft, ook na de dienst. Je kunt weer even vooruit, je bent niet alleen. Ook Beatrijs is vier keer per jaar van de partij, samen met haar man en zoons. In het samen zingen en stil zijn is er voor haar een sterke ervaring van samen-mens-zijn. Dat gemeenschappelijke ervaar ik ook bij de borrel achteraf. De meeste bezoekers komen uit Amsterdam en zijn hier terechtgekomen via bekenden. Ik heb bijna het gevoel bij het zondagse koffiedrinken-na-de-dienst van mijn eigen kerk beland te zijn. Alleen kost de koffie hier €2,30.Hoewel de bezoekers over het algemeen enthousiast zijn, is er uiteraard ook kritiek. Interessant genoeg komt deze vaak niet uit religieuze hoek. Bezoeker Jan Willem: “Gelovigen begrijpen maar al te goed dat het belangrijk is om samen te komen, om plezier te maken, te zingen en te bezinnen. Het zijn de atheïsten die kritiek hebben. Blijkbaar is de manier waarop wij niet in God geloven niet de juiste manier om niet in God te geloven.” Read More
  • Moed komt uit een afgrond vandaan

    “Zij was geen aardige vrouw. Niet iemand van wie je gaat houden als biografe. Maar haar leven was de bron voor poëzie.” ‘Dwars tegen de keer’ is  dan ook de titel die Mieke Koenen meegeeft aan haar biografie van Ida Gerhardt. ‘Dwars, lastig, koppig’: wat kunnen daar een prachtige gedichten uit voortkomen. En wat een prachtige biografie. De vroege dag is zonder breuk of smet,’ denk ik met Ida Gerhardt (1905-1997) als ik op een zonnige ochtend op weg ben naar Mieke Koenen, de biografe van de dichteres. Met elke bocht draai ik dieper het centrum van Leiden in, de stad waar Gerhardt korte tijd Oude Letteren studeerde. Het gelukkigste jaar van haar leven, lees ik in de nieuwe monumentale biografie met de titel Dwars tegen de keer die zoveel zegt over de eigenzinnige en tegendraadse dichteres. De zon schittert op het water van de Witte Singel. Een zijstraat. Een gracht. Het hoekhuis. Ingedikte stilte. De biografe opent de deur. Ik volg haar door de gang, door de keuken, naar de tuin. ‘De diepe tuin, vol groen geheimenis’, zoals Gerhardt zegt in het gedicht Het aards geluk. Akelei, roestkleurig rozenblad, druiven. “Wijnstok”, merkt Koenen op, doelend op het gedicht waarin de hovenier twee in elkaar verwarde ranken heeft ontbonden. Een gelaagd gedicht met bijbelse verwijzingen. Het beeld als metafoor: twee mensen die zichzelf en elkaar verstikken, worden door ‘de hovenier’ uit de knoop gehaald.  We zijn de wereld van Gerhardt binnengetreden. “Koffie?” De tuindeuren staan open, als we even later in de woonkamer aan een tafel plaatsnemen. Mijn oog valt op een ingelijste foto van Gerhardt met haar vriendin en levenspartner Marie van der Zeyde, die Ida op het gymnasium in Rotterdam leerde kennen. Ze kwamen elkaar tijdens hun studiejaren in Utrecht weer tegen. De foto is te klein voor de lijst en hangt scheef tegen een achtergrond van bruin karton. Uit de nalatenschap?  De biografe lacht. “Ik heb hem zelf ingelijst. Het past bij hun sobere levensstijl.” Een landweg. Marie frontaal in een dikke visgraatjas, de handen gevouwen om het hengsel van een damestas. Ida en profil kijkt naar haar. Ze lachen, de ‘lastige dames’, zoals uitgever Nico van Suchtelen hen typeerde. “Na de dood van Marie, in 1990, heeft Ida die jas nog jaren gedragen. Totaal buiten de mode, uit de tijd. Maar hij was nog niet versleten. Tijdens lezingen over Gerhardt zet ik het lijstje voor me neer.” De poëzie heeft Ida en Marie samengebracht. Marie was de adorerende bewonderaar die in tijdschriften en boeken een lans brak voor het oeuvre van haar hartsvriendin. Voor Ida Gerhardt was zij de muze. De bron van Gerhardts poëzie is de moeder, de haat. In Leiden was Ida gelukkig. Maar van haar moeder mocht ze er niet meer studeren. “Straf”, zegt Koenen. “Moeder kon het geluk van Ida niet aan. Jaloezie. Misschien door het broertje voor Ida dat maar een dag heeft geleefd. Ida was iemand die er niet had mogen zijn.” Een door haar moeder (die in een gesticht werd opgenomen) gehaat kind dat altijd om aandacht en erkenning bleef vragen. Naast Marie als tweede hoofdpersoon, treden er tal van personen op in de biografie. Fascinerend is de verhouding tot zus Truus. De mooie, getalenteerde zus, getrouwd, mooie zonen, die ook dichtte en daarom door Marie en Ida als tegenstander werd beschouwd. Marie schreef een meedogenloze recensie over haar werk in het religieus-socialistische Tijd en taak. Truus, wier man de studie van Ida betaalde, Truus die zelfmoord pleegde. Een intrigerend gegeven voor een biografie! “Ida Gerhardt was geen aardige vrouw,” zegt Koenen. “Niet iemand van wie je gaat houden als biografe. Maar haar leven was de bron voor poëzie.” Er moeten altijd tegenstanders zijn. Er moet altijd gevochten worden. “Die spanning moet erop zitten. Ondanks alle erkenning. Ik mag er wel niet zijn, maar ik zal ze laten horen dat ik er wel ben.” Wat was de eerste kennismaking met Gerhardt?  “1980. Ik zat op de middelbare school, in het vierde jaar en moest een spreekbeurt houden. Ida Gerhardt had de P.C. Hooftprijs gewonnen. Dat was de aanleiding. En al snapte ik nog niet veel van haar werk, het trok me wel aan. Later tijdens mijn studie bij het maken van vertalingen ben ik me nader in haar poëzie gaan verdiepen.” Het geloof was dus geen aanleiding? “Het waren de vertalingen van Gerhardt uit het Grieks en Latijn. Ik realiseerde me dat je meer kunt doen met de klassieke oudheid. Dat het een inspiratiebron is voor kunstenaars in onze tijd. De receptie, het lezen zet aan tot nieuwe poëzie.” De belangstelling voor het leven van Gerhardt is pas later gekomen. Door Lucretius tot Gerhardt zou je kunnen zeggen. Koenen is pas na de dood van de dichteres over haar gaan schrijven. “De receptie in de wetenschap als invalshoek naast het vertalen was eerder not done. Ik heb in Utrecht gestudeerd. De studie was strikt filologisch. In het werk van Ida Gerhardt las ik dat het anders kon. Dat was een verademing: eruit pakken wat je boeit, wat je mooi vindt en er zelf iets mee gaan doen. Ons vak is voor een deel dood. De taal wordt niet meer gesproken en er komt niets nieuws bij. Door Gerhardt zag ik: je kunt iets heel anders met het vak doen. Het vak als stimulans en inspiratiebron. Mensen gaan zelf dichten.” Als docent Latijn aan de Vrije Universiteit in Amsterdam laat ze bijvoorbeeld zien wat Cees Nooteboom met de oudheid doet in zijn werk. Read More
  • Elk mens die je kunt helpen is er een

    Bij de pakken neerzitten is voor Tineke Ceelen geen optie. Onvermoeibaar bezoekt de directeur van de Stichting Vluchteling de brandhaarden van deze wereld. ”Zonder bewapende bewaking. Dan hebben ze geen reden om op je te schieten.” Ik vind het van belang om de helpende hand toe te steken aan mensen die alles zijn kwijtgeraakt. Zij hebben er echt niks voor gedaan om in die ellendige omstandigheden terecht te komen, net zo min als wij er iets voor gedaan hebben om in deze weelde te leven. Het is een kwestie van veel pech en geluk. Dat geeft ons de plicht om iets te doen.”Sinds 2003 is Tineke Ceelen (51) directeur van Stichting Vluchteling. Nog steeds ziet ze dit werk als de baan van haar leven. “Ik vind het heel belangrijk wat ik doe, ik doe het graag en ik doe het met grote betrokkenheid.”Met geld van 90.000 donateurs, de Nationale Postcode Loterij en het ministerie van Binnenlandse Zaken verleent de organisatie in twintig landen hulp bij de acute nood van vluchtelingen en ontheemden. De stichting werkt vanuit een mooi pand in een statige Haagse laan. Daar lijken de brandhaarden en vluchtelingenstromen ver weg, maar met een paar uur vliegen zit je er middenin. Zelf is Ceelen net terug uit de Centraal-Afrikaanse Republiek. “Tijdens zo’n reis loop ik te mopperen omdat de hotelkamer zo slecht is. Maar als ik thuis onder de douche sta, ben ik bijna verwonderd dat er warm water uitkomt. Je beseft even hoe luxe we het hier hebben.” Waar komt dat sterke solidariteitsgevoel van u vandaan?“Ik ben opgevoed met de norm dat je anderen helpt. Mijn moeder deed in ons dorp boodschappen voor hulpbehoevende ouderen, mijn vader maakte geld over zodat de paters en zusters in Afrika de hulp konden geven die daar nodig was. Dat vonden ze heel gewoon en ik kreeg dat met de paplepel ingegoten. Zeker mijn vader had iets met de katholieke missie. Hij werd zo’n beetje donateur van alles wat er aan verzoeken binnenkwam. Dat heeft hij zijn leven lang gedaan. Een aantal maanden geleden is hij overleden. Ik heb er nu nog een dagtaak aan om al die donaties stop te zetten.Mijn vader heeft een kerkelijke uitvaart gehad, maar zelf ben ik niet meer belijdend katholiek. Wat ik wel zie is dat veel vluchtelingen in de situaties waarin zij verkeren veel steun putten uit hun geloof.” Wat is volgens u op dit moment het meest urgente vluchtelingenprobleem?“Daar zou ik geen antwoord op wíllen geven. Hoe kun je de ene crisis erger noemen dan de andere? In een aantal landen baart de situatie grote zorgen: Syrië, Jordanië, Noord-Irak, Libanon, Pakistan, Afghanistan, Congo, Zuid-Soedan, zo kan ik nog wel even doorgaan. Ook in de Centraal-Afrikaanse Republiek is sprake van een zeer ernstige crisis. Maar niemand heeft het erover, en het is heel moeilijk om daar aandacht voor te krijgen. Christenen die in Noord-Irak in het nauw gedreven worden, daar kunnen wij ons tot op zekere hoogte in herkennen. Wat de terreurbeweging IS allemaal uitspookt, maakt ons kwaad en dat motiveert om geld te geven. De Centraal-Afrikaanse Republiek staat veel verder van ons af. Dat is echt donker Afrika, met gruwelijke wreedheden die wij niet begrijpen.” Waarom wilt u altijd zelf poolshoogte nemen in deze landen?“Datgene wat je ter plekke ziet, is bepalend voor wat je doet in de hulpverlening en in de campagnevoering. Als er veel geld van ons wordt gevraagd, ga ik altijd zelf kijken. Ik vind dat ik het aan de donateurs verschuldigd ben om het geld dat zij ons toevertrouwen zo goed mogelijk te besteden. Een voorbeeld is de Zomeroorlog van 2006, waarin Israël in Zuid-Libanon bombardementen uitvoerde tegen Hezbollah. Mensen hadden nieuwe watertonnen nodig, omdat die waren doorboord. Maar toen ik daar kwam, bleek er een tapijt van niet-geëxplodeerde clusterbommen te liggen. Wat ga je in hemelsnaam doen met een watertank als er overal bommen liggen? Compleet nutteloos! Toen hebben wij nee gezegd tegen de watertonnen en zijn we bommenruimers gaan betalen. Dat was een logisch gevolg van zo’n reis. Daarnaast vind ik het heel belangrijk om de hulpverleners een hart onder de riem te steken en waardering te tonen voor wat ze doen. Het zijn vaak jonge mensen die dag en nacht onder zware en gevaarlijke omstandigheden moeten werken.” U wordt steeds weer geconfronteerd met de erbarmelijke verhalen van vluchtelingen. Hoe houdt u dat vol?“Na zoveel jaren in dit werk heeft een crisis natuurlijk weinig verrassingen meer voor mij. Ik weet wat me te wachten staat. Maar het is zeker niet zo dat ik eraan gewend ben. Iedere keer zijn er weer mensen die tot je doordringen. Tijdens mijn laatste reis ontmoette ik een vrouw met een baby op haar rug. Het huis was in brand gestoken, haar man werd voor haar ogen afgeslacht. Enkele dagen nadat ze op de vlucht sloeg, is ze bevallen. Ze was diep getraumatiseerd en huilde alleen maar. Dat soort verhalen raken mij. Het is heus niet zo dat ik afgestompt ben. Als de ellende van mensen je niks meer doet, moet je ermee stoppen.” Op welke manier zet u deze verhalen in bij de werving van fondsen en donateurs?“Je probeert het leven van mensen te schetsen in de context. Wat betekent het om in een crisis op de vlucht gejaagd te worden en alles kwijtgeraakt te zijn? Oorlog is heel ver van ons af komen te staan. We hebben geen idee wat het betekent om ’s nachts wakker te worden door hordes zwaarbewapende mannen die alle huizen in brand steken. Wat ik probeer is een manier te vinden om de verhalen zo te vertellen dat ze binnenkomen bij de mensen aan wie ik ze vertel. Aan kinderen vertel je een ander verhaal dan aan volwassenen. En aan de ene volwassene vertel je de gruwelijke waarheid, aan de andere juist niet. Je vertelt het verhaal op tv, de radio en in tijdschriften. Je probeert de boodschap op verschillende manieren naar buiten te brengen.” Hoe denkt u over de positie van vrouwen in deze conflictgebieden?“In veel landen is die weinig benijdenswaardig. Ze zijn tweederangs, moeten vaak het zwaarste werk doen en zijn het eerste slachtoffer van geweld. De verkrachtingsproblematiek in oorlogen en vluchtelingenkampen is ontzagwekkend. In de Centraal-Afrikaanse Republiek vertelde een moeder dat haar vijftienjarige dochter is verkracht door een soldaat van de Afrikaanse vredesmacht. Door iemand dus die geacht wordt haar te beschermen! Dat is een zeer kwalijke zaak. Mijn dochter is ook vijftien. Kom aan haar en ik weet je te vinden. Zo’n verhaal motiveert alleen maar meer om ervoor te zorgen dat er een einde komt aan dit soort wantoestanden en deze vrouwen goed worden opgevangen.” Wat doet Stichting Vluchteling voor hen?“Verkrachting is een goedkoop en zeer effectief oorlogswapen dat bewust wordt ingezet. Door grootschalig te verkrachten kun je hele gemeenschappen kapotmaken. In Syrië zijn vrouwen en meisjes op tanks gebonden, naakt door de stad gereden en op dorpspleinen publiekelijk verkracht. In Congo worden vrouwen ontvoerd, in de bossen vastgebonden aan een boom, als seksslavinnen maandenlang honderden keren door God mag weten hoeveel mannen verkracht en in brand gestoken. In veel traditionele samenlevingen is een vrouw die verkracht is niks meer waard. Je kunt haar niet meer uithuwelijken of handhaven als echtgenote. Veel vrouwen worden dan ook verstoten uit hun gezin. Wat wij doen is een plek creëren waar ze naartoe kunnen komen, waar ze zich op den duur veilig genoeg voelen om te praten over wat hen is overkomen en om hulp te vragen. Read More
  • Goddelijke vonk, wonderlijke levenskracht

    Waar de gelovige God ervaart, ervaart de atheïst de ongrijpbaarheid van het bestaan. De vraag is of dit verschil ertoe doet. In het middenveld van de nuance zoek je niet meer om te vinden. Maar wat doe je daar dan wel? Je wandelt door de natuur en voelt je opgenomen in de omgeving. Wanneer je over de rand van een diepe afgrond kijkt, treedt een oorverdovende stilte je tegemoet. In de verte de onmetelijke horizon. Het woord ‘nietigheid’ borrelt op, evenals verwondering over je bestaan. Ruimdenkende gelovigen noemen deze ervaring God. Gematigde atheïsten spreken over de ongrijpbaarheid van het leven. Beseffen zij niet dat het hier om God gaat? Of zien de gelovigen iets wat er niet is? De vraag is of het antwoord ertoe doet. Volgens een recent onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau gelooft 22 procent van de Nederlanders zonder meer in God. De teller van het percentage atheïsten staat op 21. De meerderheid rekent zich dus niet tot de orthodoxe gelovigen of overtuigde ongelovigen. Godsdienstsocioloog Joep de Hart telt zo’n 40 procent buitenkerkelijken die niet uitsluiten God of een hogere macht te hebben ervaren. Bijna de helft van hen zegt wel eens te bidden of een kaarsje te branden voor iets of iemand. Wat geloven zij nog wel? Niet zonder rituelen“Godsdienstsociologen hielpen religie om zeep.” Theoloog Stephan van Erp heeft zo zijn twijfels over de vragen die deze sociologen aan hun respondenten stellen. Op het symposium ‘Een open plek in de ziel’ van het katholieke Thijmgenootschap, vorige maand in Utrecht gehouden, betoogde hij dat voor geloof een spirituele gevoeligheid nodig is, een sensus fidei. Die zou zich lastig laten vangen in een vragenformuliertje. Ook het Thijmgenootschap ziet de grens tussen geloof en ongeloof vervagen en liet daarover sprekers van diverse gezindten aan het woord. Van Erp vertelde over zijn biddende en gelovige moeder. Wanneer een socioloog haar vraagt of Christus Gods zoon is, zal zij antwoorden dat ze het niet weet. Maar dit blijkt niet uit haar geloofspraktijk, aldus Van Erp. “Die is deels nagebootst, rationeel en irrationeel.”En deze geloofspraktijk, het gedrag van de gelovige, is waar het om draait volgens filosoof en atheïst Ger Groot. Religie is een serie handelingen die verricht moet worden, het zijn gebeurtenissen. Dit kunnen rituelen zijn, zegt Groot. Geloof komt daar, niet noodzakelijk, uit voort. Rituelen stammen uit een traditie. De gemeenschap geeft ze in de tijd door en dat garandeert duurzaamheid. Die is belangrijk, want Groot heeft geen vertrouwen in ‘soloreligie’. “De mens kan niet zonder hulp van buitenaf religieus zijn. Het bestaan van een kerk of een dienst, maakt dat je er naartoe gaat, deelneemt. Je hebt dus anderen nodig, verbinding, om religiositeit in stand te houden.”Met een zogeheten geestelijke wereld heeft religie volgens Groot weinig van doen. “Men doet nog wel eens misprijzend over het automatisme waarmee rituelen worden voltrokken. Maar het innerlijk, de geest en het bewustzijn, wordt sterk overschat. We lopen niet voortdurend rond met verheven gevoelens, ons van alles bewust. Daarmee doen we onze lichamelijkheid tekort. Ons geluk halen we uit banale zaken.”Door de handelingen benadrukt religie de grenzen van spiritualiteit, de geest en dus ook de ratio, denkt Groot. “Alleen de herhaling al is tamelijk idioot. Rationeel hoef je niet steeds te bewijzen dat twee maal twee vier is. We herhalen dat er maar één God is, terwijl niemand weet wat het inhoudt. Waarom die herhaling; God mag het weten.”Geloof? Tijdens het In paradisum tijdens een katholieke uitvaart geloof ik soms, maar tegelijkertijd weet ik dat het niet waar is.”De twijfel van Groot over ‘soloreligie’ ook wel ‘de goddelijke vonk in jezelf ontdekken’ is volgens godsdienstsocioloog Joep de Hart geen populair beeld onder gelovigen van behoudende kerkgemeenschappen. Ook op het symposium van het Thijmgenootschap vroeg men zich af of ongebonden spirituelen zich niet te veel bekommeren om hun ‘eigen vlammetje’. Het gevaar van zelfspiritualiteit zou schuilen in het wegdenken van negatieve ervaringen en het idee dat je leven maakbaar is. Toch onderschrijft 88 procent van de Nederlandse bevolking het streven van zelfspiritualiteit. Dat het ontplooien van je eigen vermogens en innerlijke ervaring zo populair is, komt volgens De Hart door het huidige belang van emotie en beleving. Grote vragen“Die goddelijke vonk noem ik liever een wonderlijke levenskracht.” Christa Anbeek is respectievelijk hoogleraar en hoofddocent aan de Vrije Universiteit en de Universiteit voor Humanistiek. Zij probeert christelijke thema’s als verzoening en naastenliefde te vertalen naar de achterliggende menselijke ervaringen. “Als iemand over God spreekt, dan gaat het om iets wat hij zelf niet beheerst of kan maken. Het geeft zijn leven kleur en smaak en is van onopgeefbare waarde. Het is een gezien en aangeraakt worden door iets wat je overstijgt. Je beseft dat dingen anders dan ze lijken en dat zelfgenoegzaamheid niet het hoogste goed is. Deze ervaring duikt op in wisselwerking met andere mensen, stilte, kunst of de natuur. De kern is verbondenheid. Daar zijn mensen ook op gebouwd.” Read More
  • NIEUWE VOLZIN-SPECIAL: 'GELOVEN AAN GOD VOORBIJ'

    “Grote levensvragen hoeven je niet per se bezig te houden om gelukkig te worden. Maar ze kunnen je overvallen, bij veranderingen of crises in je leven”, vertelt Stefan Groothuis in het nieuwe nummer van Volzin, dat volgende week vrijdag verschijnt. De topschaatser kreeg in 2011 te maken met een zware depressie. Meditatie, yoga en mindfulness behoren sindsdien tot zijn spirituele repertoire. God ook? Hem heeft Groothuis niet gevonden, maar zegt hij: “Ik hou de deur wel op een kier”.De grens tussen geloof en ongeloof vervaagt in onze samenleving in toenemende mate. Naast theïsten (‘God bestaat’) en atheïsten (‘God bestaat niet’) is er een groeiende groep van anatheïsten: mensen die niet kunnen of willen zeggen dat God niet bestaat, maar evenmin kunnen of willen zeggen dat God wél bestaat. Ze zijn geen gelovigen in de traditionele zin van het woord, ze geloven veeleer ‘aan God voorbij’. Volzin wijdt in oktober zijn special aan het middenveld tussen geloof en ongeloof en de mensen die dit middenveld bevolken:  schaatser Groothuis , denkers als Ger Groot en Christa Anbeek, bezoekers van ‘diensten zonder God’ in De Nieuwe Liefde en van de Sunday Assembly, docenten en studenten van de Universiteit voor Humanistiek. Verrassend: ook de protestantse theoloog prof. Wouter Slob blijkt pleitbezorger te zijn van het ‘anatheïsme’. “Geloof moet je niet bewijzen, geloven in God moet je doen”, stelt hij. De nieuwe Volzin verschijnt vrijdag 24 oktober.  Als u geen abonnee bent, kunt u hier het Volzin-nummer los bestellen.   Read More
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6

Doorzoek de website

Social media

FacebookTwitterLinkedIn

Agenda

Geef een Volzin cadeau!

 

Advertentie