Laatste nieuws

  • 1
  • NIEUWE VOLZIN-SPECIAL: 'OUDE WEGEN, NIEUWE PELGRIMS'

    Pelgrimages zijn populairder dan ooit. Jaarlijks lopen alleen al naar Santiago de Compostella zo’n tweehonderdduizend pelgrims. Juist het afkalven van de kerken heeft de pelgrimage goed gedaan, betoogt onderzoeker Peter Jan Margry in het januarinummer van Volzin, dat volgende week verschijnt. De mens heeft namelijk een existentiële behoefte om hogere machten aan te roepen. “De mens is een onzeker wezen, dus blijft hij reizen naar wat hij als ‘heilig’ beschouwt.” Santiago, Israël, Japan, Assisi: Volzin vraagt in de special pelgrims naar hun motieven. Die hebben lang niet altijd alleen betrekking op God en zelfs niet op het reisdoel. Minstens van zo groot belang is dat de reis naar buiten altijd ook een reis naar binnen is. Een pelgrim zegt het zo: “Ik denk dat ook dát pelgrimeren is: dat je jezelf overwint op een punt waarvan je zegt dat het menselijkerwijs gesproken niet kan. En toch red je het." Ook in deze Volzin: de eeuwige jeugd van Angela Groothuizen, de populariteit van Meister Eckhart, de spiritualiteit van Mark Rothko. Plus: twee nieuwe c olumnisten! De nieuwe Volzin verschijnt vrijdag 31 januari. Als u geen abonnee bent, kunt u hier het Volzin-nummer los bestellen.       Read More
  • Een hostie aan de hemel

    Na de nederlaag van Duitsland aan het eind van de Tweede Wereldoorlog werd er vanuit de Nederlandse politiek bij het buurland sterk aangedrongen op schadeloosstelling in natura voor de geestelijke en materiële schade die de Duitsers tijdens de oorlog aan Nederland hadden toegebracht. ‘Annexatie!’ riepen politici en burgers. Alle hoogdravende plannen resulteerden uiteindelijk in een aantal ‘grenscorrecties’ aan de oostgrens. Zo werd op 23 april 1949 achter Lobith een stuk grond met een oppervlakte van 19,5 km2, inclusief het katholieke plaatsje Elten (3225 inwoners) bij Nederland ingelijfd.  De Nederlandse periode van Elten duurde tot de fameuze ‘Butternacht’ van 31 juli op 1 augustus 1963, waarin voor 60 miljoen gulden legaal werd gesmokkeld: door het westwaarts verschuiven van de grens bevonden zich een seconde na middernacht alle in vrachtwagens, op zolders, in kelders, stallen, schuren en danszalen opgestapelde dozen met koffie, thee, boter, sigaretten en andere Nederlandse producten, op Duits grondgebied zonder dat iemand een cent invoerrechten had betaald. Tegen de achtergrond van deze historische context speelt het verhaal Een hostie aan de hemel, dat is ontleend aan het boek Boternacht, een non-fictie documentaire met gedramatiseerde fragmenten, dat volgend jaar februari zal verschijnen bij uitgeverij Atlas/Contact. Auteur Nico Keuning is in 1952 in Elten geboren. Het boek is mede gebaseerd op biografische feiten. Hoofdpersoon Jaap Bommer vestigt zich na de grenscorrectie als ‘grenskommies’ met zijn vrouw Anna Blom in de Kloosterstraat in Elten. Daar ontmoet hij de jonge weduwe Helga Richter, een onweerstaanbare schoonheid met wie hij een kortstondige buitenechtelijke liefdesrelatie krijgt. Het vlees is zwak, weet hij. Maar zijn ziel is sterk: voor zichzelf weet hij er als ‘goed katholiek’ in een ‘onderonsje’ met God wel uit te komen. Hij zegt niets tegen Anna en zwijgt erover in de biechtstoel. Maar kan Helga haar mond houden? Read More
  • 'Ik heb altijd Shakespeare in mijn hoofd’

    Boris van der Ham, oud-Kamerlid voor D66, voorzitter van het Humanistisch Verbond, vind dat platgetreden woorden zoals 'inspiratie' wel een reanimatieteam kunnen gebruiken “Als je de politiek hebt verlaten en een beetje bent losgekomen van de vaste patronen, zie je scherper dat het politieke jargon uit allerlei frames bestaat, blauwdrukjes van teksten waarin iets wordt meegedeeld. Dan hoor je een Kamerlid zeggen: goede vraag die u stelt, ik kan daar dit op zeggen, het voordeel is dit, het nadeel dat, en mijn partij vindt ergo dat… Je kunt het volgen, het klopt allemaal, maar het is ook een beetje schools. En je hoort allerlei woorden die je in het gewone leven niet zo gauw zou gebruiken, zoals het vreselijke ‘hervormen’. Wat is dat eigenlijk? Een protestantse dominee zou er nog iets mee kunnen, maar verder? Of je ziet opeens dat alle politici het niet meer over de wijk hebben, maar over de buurt, omdat uit onderzoek is gebleken dat dat woord een warmer gevoel oproept. Dan gaat het alleen nog maar over de buurtzuster, de buurtvader en de buurtbarbeque en worden dat bedachte woordjes, een soort kitsch. Tegen die tijd zijn ze van hun gezelligheid ontdaan en een instrument geworden.Het gebruik van clichés is wat mij betreft helemaal niet erg, zolang je de inhoud ervan maar opnieuw wilt ontdekken. ‘De boer opgaan’ vond ik een vervelende uitdrukking, totdat ik iemand hoorde die het begrip helemaal omarmde en er een nieuw draai aan gaf. Dan wordt een woord gereanimeerd. Maar vaak ontbreekt daar de tijd of creativiteit voor. En dus horen we vaak holle woordjes en metaforen; zinnen die aan de tekentafel zijn bedacht, maar waarin geen leven is geblazen. Dan wordt het lelijke taal.Ik ben een tijdje acteur geweest. Een van de docenten op de toneelschool gaf ons de tip elke week een gedicht of een ander stuk tekst uit het hoofd te leren. Dat is je levensverzekering, zei hij. Je moet je woorden en zinnen, je taal onderhouden. Daardoor staat er altijd genoeg op je harde schijf, waarop je kunt terugvallen als je in noodgevallen iets moet zeggen – als acteur, maar ook als politicus. Een prachtige les. Ik heb me die aangetrokken: ik heb altijd een paar monologen van Shakespeare in mijn hoofd die ik direct kan oproepen.Als voorzitter van het Humanistisch Verbond kan ik soms gebruik maken van mijn politieke vocabulaire. Read More
  • Haruki Murakami schrijft zonder landkaart

    Geen schrijver activeert het zesde zintuig van de lezer zo als Haruki Murakami. Zoals al zijn boeken zegt De Kleurloze Tsukuru Tazaki En Zijn Pelgrimsjaren, de meest recente roman van deze Japanse meesterauteur, ons veel over de alledaagse menselijke beleving van vandaag de dag, maar ook over wat er achter die beleving schuil gaat. Murakami is een meester in het oproepen van een parallel universum, waarin Goed, Kwaad, Zin en Onzin de mens tot speelbal maken. Zijn oeuvre is rijk aan ideeën, spannend, toegankelijk en meeslepend tegelijk en doet de lezer vaak van de ene in de andere verbazing vallen. Een analyse van zijn werk en de achterliggende gedachtegang. Geen schrijver activeert het zesde zintuig van de lezer zo als Haruki Murakami (65 jaar, geboren in Kyoto, ex-jazzclubeigenaar, liefhebber van jazz en Amerikaanse literatuur en al jaren gedoodverfd kandidaat om de Nobelprijs voor literatuur te winnen). In zijn meest recente roman, De Kleurloze Tsukuru Tazaki En Zijn Pelgrimsjaren, staat een passage die ons midden in het hart van zijn literaire universum voert. Het was of reeds vergane tijd vaste vorm rond hem (hoofdpersoon Tsukuru, TE) aannam. Die verleden tijd begon zich geruisloos in te dringen in de tegenwoordige tijd die nu aan het verstrijken was, als rook die door een klein kiertje van een deur een kamer binnenglijdt. Het gaat hier om de kracht van de herinnering, maar in het oeuvre van Murakami kan de rook die door een kiertje van de deur een kamer binnenglijdt ook een emotie zijn, of een vermoeden of voorgevoel, of de Dood, of een glimp van het Niets, een volkomen leegte, of een volstrekt andere dimensie. Steeds is sprake van een opening, een deur, een kier, een code, muziek, de wind, een reis, een put, een trap, een blik op de nachtelijke hemel, waardoor we in een parallelle werkelijkheid belanden. We? Dat zijn wij, Murakami’s lezers, die zich makkelijk mee laten voeren met zijn doodnormale, schuchtere, zachtaardige, inderdaad op het eerste gezicht bijna kleurloze hoofdpersonen. Hun Japanse leefwereld is evident, maar je kunt je doorgaans verbluffend makkelijk met hen identificeren. Nooit heb je het gevoel dat ze ver van je afstaan. Zij zijn moderne Elkerlycs, levende in het wat anonieme urbane landschap van het Westen anno nu. Tegelijkertijd kijken Murakami’s lezers er ook niet raar van op als de schrijver een van zijn personages met katten laat converseren. Zoals de onvergetelijke geestelijk gehandicapte meneer Nakata in de roman Kafka Op Het Strand, die maar een halve schaduw heeft. In dat zelfde boek laat Murakami zomaar bakken vissen uit de hemel regenen. Een andere hoofdpersoon van hem wordt bij thuiskomst ontvangen door een ‘reusachtige kikker’, die hem aanspoort tot een bijdrage aan een onderaardse worsteling tegen het Kwaad, om zodoende een verwoestende aardbeving te voorkomen (lees het verhaal Kikker Redt Tokyo). Niet-werkelijke wereldEr schuilt weinig hoogdravends aan Murakami’s taalgebruik. Hij schrijft in heldere, simpele zinnen, zo toegankelijk en zonder opsmuk dat het je bijna ontgaat hoe virtuoos en trefzeker hij te werk gaat. De Kleurloze Tsukuru Tazaki En Zijn Pelgrimsjaren, een van zijn ‘normalere’ boeken, wist bij mij grote ontroering op te wekken. Het is het verhaal van een vormende vriendschap tussen vijf tieners. Ze zijn met elkaar verbonden als een unieke scheikundige fusie (“Weet je, Tsukuru, het is niet voor niets dat wij ons waren – dat we met z’n allen in die ene groep als het ware een lichaam vormden”), maar Tsukuru wordt plots – zonder te horen te krijgen waarom – door de andere vier verstoten. Hij ervaart dat als Doodgaan. Net zoals die figuur uit de Bijbel die door een walvis was opgeslokt en een tijd in diens buik had geleefd, was Tsukuru in de maag van de dood gevallen en had hij een tijdlang moeten doorbrengen in die donkere verstikkende holte waar dag en nacht niet bestaan.De ontroering – en het verbijsterende effect van Murakami’s werk – ontstaat doordat hij niet alleen heel overtuigend ‘de werkelijke wereld’ beschrijft, maar ook in staat is heel realistisch allerlei elementen te benoemen uit de ‘niet-werkelijke wereld’. De rook die door het kiertje aan de andere kant van de deur opstijgt. Elementen die we allemaal ook wel eens hebben gevoeld of vermoed. Je zou het de spirituele wereld kunnen noemen. Ieder van ons heeft standaard wel een waardensysteem paraat om de spirituele wereld te duiden, maar Murakami hakt al dat soort menselijke waardensystemen (de christelijke religie, maar ook het boeddhisme, het shintogeloof, de Japanse en Griekse mythologie, maar tevens filosofie, literatuur en kunsttheorie) aan mootjes en rangschikt ze in een nieuwe volgorde, die binnen de verhaallijn vaak een stuk ‘logischer’ aanvoelt. Soms stuit je in dit verband op onverwachte inzichten, zoals het gegeven dat in de traditionele Japanse literatuur mensen kunnen transformeren tot levend spook, zonder dat zij er zelf weet van hebben. Hun onderbewuste kan mijlen ver reizen om elders een nieuwe gedaante aan te nemen. Soms ligt echter ook iets heel profaans ten grondslag aan het wereldbeeld van zijn personages. In zijn boek Ten Zuiden Van De Grens is dat bijvoorbeeld een Walt Disneyfilm. De Woestijn Leeft. ‘Een woestijn met zandheuvels en hier en daar een cactus. Er leeft van alles in zo’n woestijn.’ ‘Ben ik daar ik daar ook, in die woestijn?’‘Natuurlijk ben jij daar. Wij allemaal. Maar het enige wat echt leeft is de woestijn. Net als in de film.’ Verdwenen wederhelftIn de boeken van Murakami komt altijd wel seks voor. Vaak als aangenaam tijdverdrijf dat de hoofdpersonages min of meer overkomt. Vaak plastisch beschreven. De meisjeslichamen kronkelden zich soepel om de zijne. Zwartjes borsten waren vol en zacht. Die van Witje waren kleiner, maar haar tepels waren zo hard en rond als kiezelsteentjes. Bij allebei droop hun schaamhaar als een regenwoud. Vaak vloeit ‘de daad’ ook samen met een droom of visioen en biedt de seks toegang tot een andere spirituele dimensie. Een belangrijk gegeven in Murakami’s oeuvre wordt geformuleerd in Kafka Op Het Strand, een bijzondere roman over een vijftienjarige jongen die voorspeld is dat hij niet alleen zijn vader zal vermoorden en met zijn moeder zal slapen– zoals Oedipus – , maar – ook nog – zijn zus zal onteren. Daar staat: ‘Vroeger werd de wereld niet bewoond door mannen en vrouwen, maar door man-mannen, man-vrouwen, en vrouw-vrouwen. Met andere woorden, een mens was toen wat wij nu ‘twee mensen’ noemen. Iedereen was daar tevreden mee en leidde een gelukkig leven, tot Zeus een mes pakte en alle mensen in tweeën sneed. Dwars doormidden, overlangs. Nu bestaat de mensheid dus alleen nog maar uit mannen en vrouwen, die hun hele leven lang vertwijfeld zoeken naar hun verdwenen wederhelft.’‘Waarom deed Zeus dat? De mensen doormidden snijden?’‘Tja, dat zou ik ook niet weten. Wat goden doen is zelden te begrijpen. Ze zijn erg opvliegend en hebben een overdreven neiging tot ... hoe zal ik het noemen – idealisme? Hij zal het wel hebben gedaan om ze voor iets te straffen. Zo’n beetje als Adam en Eva, die het Paradijs uit moesten.’ Parallelle wereldIn 1q84, de trilogie uit 2009-2010, die door velen wordt gezien als zijn magnus opus, draait alles om een man en vrouw die voor elkaar bestemd zijn. Als kind hebben ze elkaar gekend (beiden groeiden op als Jehovah’s Getuige), maar het lot heeft hen letterlijk – zoals Zeus – van elkaar losgesneden. De vrouw, Aomame, is een feilloze huurmoordenares geworden, de man, Tengo, een parttime wiskundeleraar. Read More
  • 'De PKN een kerk zonder ballen? Onzin!'

    De nu tien jaar oude Protestantse Kerk in Nederland wordt ‘zachter’ en ‘dienstbaarder’. Maar wat zegt dat over de positie van vrouwen en van vrouwelijke predikanten binnen de kerk? Drie kerkvrouwen maken de balans op. ‘Vrouwen klimmen op de kansel’, kopte Trouw in juli. In een eeuw tijd van één naar elfhonderd vrouwelijke predikanten; het klinkt indrukwekkend, voor sommigen zelfs een beetje bedreigend. Maar is er binnen de Protestantse Kerk in Nederland (PKN) daadwerkelijk sprake van ‘oprukkende vrouwen’? Het aantal vrouwelijke gemeentepredikanten groeit volgens de kerkstatistieken jaarlijks gemiddeld met iets meer dan een half procent. Als deze lijn zich doorzet, en die van de kerkverlating ook, zullen de kerken leeg zijn nog voordat er evenveel mannelijke als vrouwelijke predikanten zijn. Het ambt mag dan zijn opengesteld voor vrouwen, een vanzelfsprekendheid is de vrouw in het ambt nog lang niet. NageflotenOp dit moment is vijfentwintig procent van de gemeentepredikanten binnen de PKN vrouw, in 2006 was dit twintig procent. “Ik zou al blij zijn als dit aantal op z’n minst op peil blijft!”, roept Jasja Nottelman, studentenpastor aan de Protestantse Theologische Universiteit (PThU) en voorzitter van de Oecumenische Vrouwensynode, uit. Zij vreest stagnatie, als gevolg van een toenemende orthodoxie binnen de PKN. Van zowel mannelijke als vrouwelijke studenten hoort zij dat er in de collegebanken en ook daarbuiten vaak vanuit een bepaalde stelligheid wordt geredeneerd. Er is daardoor weinig ruimte is voor andere meningen en opvattingen. Ze is geschrokken van de gevolgen die dit heeft voor vrouwen die het predikantschap ambiëren. “Tijdens de opleiding krijgen ze te maken met mannelijke medestudenten die hen met de Bijbel in de hand ervan proberen te overtuigen dat ze niet op de kansel horen. Er is een tijd geweest dat dit een stuk minder speelde. Ik vrees dat vrouwen zich hierdoor laten afschrikken; ik weet dat er studentes zijn die daarom afhaken en afzien van de predikantenopleiding.”Anne-Claire Mulder, docente vrouwen- en genderstudies aan de PThU, bevestigt dit beeld. Volgens haar zie je eenzelfde weerstand binnen de beroepspraktijk. “De anekdotische verhalen van vrouwelijke predikanten die ik hoor, hebben allemaal een ondergrond van ongemak. Het bestuur van de kerk is altijd een mannenwereld geweest en is dat gebleven tot op de dag van vandaag. De anekdotes maken duidelijk dat er in het werkveld vaak grenzen zijn aan de mate waarin vrouwen serieus worden genomen. De één mag het doen na de preek doen met een ‘goed gedaan meisje!’, de ander wordt nagefloten terwijl ze naar de kansel loopt.”“Meestal is de achtergestelde positie van vrouwen echter minder zichtbaar”, nuanceert Nottelman, “zoals wanneer het gaat om de financiën. Hardnekkig is het idee dat vrouwen zich daar maar niet mee moeten bemoeien.” Wellicht dat deze weerstand een van de oorzaken dat het aantal vrouwelijke predikanten met een ‘bijzondere opdracht’ – geestelijk verzorgers in de gezondheidszorg, gevangenis- en legerpredikanten, enzovoorts –relatief groot is; het zou kunnen dat vrouwen hun toevlucht zoeken bij deze ‘bijzondere opdrachten’. Met de tijd meebewegenKarin van den Broeke, synodevoorzitter van de PKN, herkent de verhalen. Zelf heeft ze er in de tweeëntwintig jaar dat ze predikant is ook mee te maken gehad. Als beginnend predikant zei een collega tegen haar: “Als mens respecteer ik je, maar als vrouw hoor je gewoon niet in het ambt.” Volgens haar is de discussie over de vrouw in het ambt nooit weg geweest. ”Die discussie is iets wat bij kerk-zijn hoort, zeker binnen de oecumene. In rooms-katholieke, orthodoxe en orthodox-reformatorische kerken zijn de ambten van predikant/priester, diaken en ouderling niet opengesteld. Juist binnen de protestantse traditie is er veel ruimte voor vrouwen.” Haar eigen aanstelling als PKN-preses getuigt hiervan, maar ook de positieve verhalen die zij hoort, bijvoorbeeld over gemeenten die na een vrouwelijke predikant niet gauw meer kiezen voor een mannelijke dominee. Volgens haar speelt de discussie vooral bij een gedeelte van de oudere generatie, de dominante tendens binnen de PKN is volgens haar evenwel dat dat vrouwelijke ambtsdragers gerespecteerd worden. Read More
  • Elk woord gewogen

    In de taal van de poëzie is niks normaal, zegt dichteres Wislawa Szymborska. “Geen steen en geen wolk boven een steen.” Daarom laven zoveel mensen zich geregeld aan gedichten, als medicijn tegen al te gewone woorden. “Ik wil weten dat er een totaal andere wereld bestaat.” De grote zaal van De Nieuwe Liefde zit vol. Ruim tweehonderd mensen luisteren naar poëzie van de Poolse dichteres Wislawa Szymborska, voorgedragen door actrice Olga Zuiderhoek. Ze zijn geboeid, dat merk je. Sommigen grinniken af en toe, of mompelen instemmend. Anderen luisteren met de ogen dicht, het hoofd een beetje omhoog. Soms raakt ook Zuiderhoek geroerd. “Ja, die mevrouw kan het goed hè, ik moet mijn tranen wegduwen.” Wie sombert over de staat van de poëzie, moet eens naar zo’n maandelijkse middag in het Amsterdamse debatcentrum gaan. “De zaal wordt elke keer voller en voller”, zo klinkt het. Mensen vinden het kennelijk prettig om gewoon naar gedichten te luisteren, zonder uitleg of toelichting, slechts af en toe onderbroken door passende muziek: ‘We zijn op de weide waar het woord lichaam werd…’ Voorlopig en ontoereikendNu is Szymborska (1923-2012) niet de eerste de beste. Zij heeft ook in Nederland een schare lezers die haar ironie en humor bewonderen, haar diepgang en haar oog voor detail. Of haar vermogen om met grote verwondering naar de werkelijkheid te kijken. “Wat we ook van de wereld denken: ze verbaast ons”, zei de dichteres in haar toespraak nadat ze in 1996 de Nobelprijs voor de literatuur in ontvangst had genomen.Ze ging bij die gelegenheid in op de rol van de dichters in de samenleving. “Hoewel ik de dichters niet het monopolie op inspiratie toeken, reken ik hen niettemin tot de weinige uitverkorenen van de Fortuin.” Maar vraag haar – en andere dichters – niet naar de bron van hun inspiratie. “De bron is altijd een ‘ik weet het niet’. Met elk gedicht probeert de dichter een antwoord te geven, maar zodra hij een punt heeft gezet, begint hij te twijfelen. Hij realiseert zich dat zijn antwoord voorlopig en volkomen ontoereikend is.”Ze vervolgt: “In de taal van het dagelijkse leven gebruiken we uitdrukkingen als ‘de gewone wereld’, ‘het gewone leven’, ‘de gewone gang van zaken’. In de taal van de poëzie daarentegen, waarin elk woord gewogen wordt, is niets gewoon, is niets normaal. Geen steen en geen wolk boven een steen. Geen dag en geen nacht na een dag. En boven alles niemands bestaan op deze aarde. Het ziet er naar uit dat de dichters altijd veel te doen zullen hebben.” Onder de taaldoucheVreemd genoeg ontbreekt Szymborska in de lijst met namen van dichters die afgelopen vijf jaar opdoken in Dichterbij. In deze Volzinrubriek vraag ik mensen naar een gedicht of lied dat hun dicht op de huid zit. In de 108 afleveringen die tot nu toe verschenen, bleek een andere vrouw favoriet: Ida Gerhardt. Haar naam werd acht keer aangedragen. Na Gerhardt volgen Rutger Kopland (4x), Hans Andreus (3) en Remco Campert (3). Verder passeerde er een keur aan binnen- en buitenlandse dichters, maar dus geen Szymborska.Het is elke keer weer een groot plezier om die rubriek te maken. Als freelance journalist begeef ik mij ook geregeld in andere dan Volzintaalvelden, in de wereld van het onderwijs en de zorg bijvoorbeeld. Als ik te lang vertoef tussen de woorden die daar, vooral op beleidsniveau, worden gebezigd, voel ik me vies worden en verlang ik naar een douche, een taaldouche. Na een paar gedichten van H.H. ter Balkt gaat het weer een stuk beter met me. Zo werkt dat ook bij acteur en regisseur Hans Croiset. Een gedicht is voor hem “een soort schoonmakingssysteem”. Croiset: “Als je poëzie leest, is het alsof je op stelten over de hindernissen van het dagelijks leven heen loopt. Ik grijp er steeds naar, omdat ik het overzicht wil houden. Omdat ik wil weten dat er een totaal andere wereld bestaat. Het bijzondere is: je hebt maar een paar regels nodig om je helemaal te heroriënteren.”Dichters zijn voor Croiset de helden van de samenleving, de zieners. “Gedichten komen uit een ander universum; de woorden hebben een andere betekenis dan die wij er als gewone mensen aan geven”, aldus de acteur, die zelfs geraakt wordt door gedichten die als slecht te boek staan. “Al is het maar omdat in de vijfde regel twee woorden op elkaar kunnen botsen die in het dagelijks leven nog nooit iets met elkaar te maken hebben gehad.” DNA van de poëzieIn de allereerste aflevering van Dichterbij vertelde dichter Ramsey Nasr over een soortgelijke ontdekking. Nadat hij een dichtbundel van Hans Lodeizen cadeau had gekregen en door een bepaald gedicht ‘lam’ was geslagen, deed hij iets wat hij nooit eerder had gedaan. Nasr: “Het gedicht stond op de linkerpagina en ik begon langzaam de rechterpagina over de linker te schuiven, totdat ik op een gegeven moment alleen nog de eerste letters van het gedicht zag. Ik staarde ernaar en schrok enorm.”Schrikken boven een dichtbundel? Ja, zegt de dichter. “Voor het eerst ervoer ik dat het letters zijn – iets totaal abstracts – waaruit een gedicht is opgebouwd. Ik ervoer tuin, bloemen, geuren, ik rook ze zelfs, maar ik zag gewoon beginletters, e, p, l, a, a, z… Het was de eerste keer dat ik de kracht van letters en van taal ervoer. Ik zag opeens: dit is het DNA van de poëzie. Zesentwintig letters, dat is eigenlijk helemaal niks. Maar je kunt er wel zo’n gedicht mee maken. Toen ik dat zag, sprongen de tranen in mijn ogen.”Het zit ’m dus niet altijd – of niet alleen – in de betekenis van woorden, ook in hun verschijning, in hun klank of in die ene witregel. Dichteres Marjoleine de Vos wees in dit verband op de troost van de vorm. De Vos: “Doordat iets een bepaalde vorm heeft gekregen, krijgt het zin en betekenis. Dat is voor mij een sterke drijfveer om poëzie te lezen en misschien ook wel te schrijven. Omdat je dan vorm en formulering vindt voor iets wat daarzonder niet bestaat. Het is niet zo dat je voor iets ‘vormeloos’ alleen nog even woorden moet vinden; het is eerder zo dat die woorden maken dat iets bestaat.”Soms is het maar één regel uit een gedicht die boeit, vertelde predikant Rienks Hoogenkamp: ‘Hoe zal het zijn wanneer de zwaardvis nadert?’ Zo’n zin – in dit geval van Maurice Gilliams – verlaat je toch nooit meer? De rest van het gedicht is lastiger te vatten. Hoogenkamp: “Maar wat zich niet direct gewonnen geeft, vind ik interessanter dan poëzie waar je applaudisserend achteraan loopt. Het alles uitleggend gedicht van Nel Benschop heeft ook zijn functie hoor, maar dat geloof ik wel. En van de precieuze bekaktheid, deftigdoenerij en ironie van Kopland of Herzberg krijg ik jeuk. Geef mij dan maar de pathetiek van de intelligentie.” Read More
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6

Doorzoek de website

Social media

FacebookTwitterLinkedIn

Agenda

Geef een Volzin cadeau!

 

Advertentie