Laatste nieuws

  • 1
  • Anekdote van het scharrelend bestaan

    Een van de modewoorden van dit moment is de term ‘keuzestress’. Als je overal mogelijkheden ziet liggen maar je niet kan bepalen welke je zal benutten, dan ‘lijd’ je aan keuzestress. Ik dacht altijd dat ik immuun was voor deze aandoening, want zij die ‘gewoon maar wat doen’ kennen niet deze staat van besluiteloosheid. Mijn verwondering was dus groot toen het schap met eieren in de supermarkt me brutaal op de proef stelde. Omdat mijn moeder altijd zei dat kippen ‘geen kant op konden’ en ‘een vreselijk bestaan’ hadden, ben ik gewend om altijd maar de duurste eieren te kopen. Waar dat geld allemaal heengaat en of het de betreffende kip ten goede komt is een raadsel, maar het is toch waarschijnlijk dat je een goede daad hebt verricht en erger leed hebt voorkomen. Nu er echter allerlei stickers en logo’s op de eierdozen zitten en de prijzen slechts een paar cent van elkaar verschillen, slaat de twijfel toe. Is een vrije-uitloopkip gelukkiger dan een ‘blije kip’? Is een biologisch ei diervriendelijk? ‘Scharrelkip’ klinkt als een gezellige fladderaar waar je graag een biertje mee drinkt, maar denkt het pluimveeproletariaat daar ook zo over? Die stickers zijn allesbehalve zaligmakend en een slechte indicatie voor geluk. Helemaal in het ongewisse wordt je echter ook niet gelaten. Ongetwijfeld kun je het verschil aanwijzen tussen een euforische en depressieve kip. Voor ons mensen is dat veel moeilijker vast te stellen. Wij kunnen maar moeilijk aan de buitenkant zien hoe anderen zich echt voelen. Ik kan vaak amper zelf bepalen hoe ik me voel, laat staan dat ik anderen kan inschatten of zij een blij dan wel scharrelend bestaan leiden. Laatst zat ik vast in de trein. Er was een aanrijding met een persoon dus wij zaten, niet zo ver van kippenstad Barneveld overigens, allemaal vast. Opgehokt, luid kakelend over de benarde situatie waarin we waren beland. We waren natuurlijk gepikeerd, maar ongelukkig? Er werd al snel vrolijk gepraat over waar iedereen heen moest, waar ze vandaan kwamen, wat ze straks gingen doen. Opgehokt maar blij. En dat terwijl iemand die vrijuit liep zichzelf zomaar voor de trein vond. Terwijl hij zich ook in het rijdende NS-hok had kunnen bevinden. Loslopen of vastzitten, blij of ongelukkig. Allemaal een kwestie van de kwade ziekte keuzestress? David Roelofs is student Nederlandse Taal en Cultuur in Utrecht en stagiair bij Volzin.  Lees meer
  • Vreemdeling en toerist in Parijs

    Schrijver Willem Frederik Hermans (1921-1995) ontvluchtte in 1973 de 'mandarijnen' van de Nederlandse letterkunde en verhuisde naar Parijs. Hij zou er bijna twintig jaar blijven wonen, maar ook in Parijs bleef hij een buitenstaander, een vreemdeling, 'een toerist'. Schrijven betekende voor hem wraak nemen. Zo schiep hij een eigen universum. Nico Keuning volgt het spoor terug. Parijs is mooi als het regent. Door de regen verdwijnen de kleuren uit het straatbeeld. Het decor is grijs, zwart-wit als op foto’s en in films uit de jaren vijftig. Af en toe duikt er iemand met een paraplu op uit het trapgat van een metrostation. Op de stoep liggen plassen. Auto’s passeren met slissende banden over de Boulevard Saint Germain-des-Prés. “Ik zit op het terras van de Brasserie Lipp, dat met raamwerk is afgesloten, maar de regen wordt door de reten langs het glas naar binnen geblazen,” schrijft Willem Frederik Hermans in het verhaal Het grote medelijden uit Een wonderkind of een total loss. In het verhaal is Richard Simmillion het autobiografisch alter ego van de schrijver. Richard is een eenling uit noodzaak. “Angst is het vruchtwater waarin ik ondergedompeld ben.” Als kind op de lagere school stuitte hij al op de ‘massieve solidariteit van de dommen’, zoals Hermans schrijft in De elektriseermachine van Wimshurst. Richard (Hermans) wil zich bewijzen, zijn genialiteit laten zien. Maar alles wat hij doet, mislukt door de tegenwerking van anderen. Niet in de laatste plaats door zijn ouders. Moedwil en misverstand hebben Richard (de latere schrijver Hermans) weerbaar en strijdlustig gemaakt. Hij is ‘met niemand solidair’. “Scheppend nihilisme, agressief medelijden, totale misantropie,” luidt de slotzin van Het grote medelijden. Eigen universum Hermans wil zijn kracht laten zien in het domein waar hij heer en meester is. Niet onder professoren in Groningen, waar hij vijftien jaar lector fysische geografie was, maar in de literatuur. Om te ontsnappen aan de ‘mandarijnen’ van de Nederlandse letterkunde verhuist hij in november 1973 naar de rue Théodule Ribot in het sjieke 17de arrondissement van Parijs, vlakbij de Étoile met de Arc de Triomphe. Het grande Paris, de stad van de grote schrijvers. In zijn gymnasiumtijd in Amsterdam las de jonge Hermans, woordenboek bij de hand, Stendhal en Baudelaire al in het Frans. En later onder anderen Flaubert, Proust, Céline. Ook zo’n schrijver van de haat die tegendraads, eigenzinnig, in grootse stijl zijn eigen universum schiep. Hermans en zijn vrouw Emmy Meurs woonden op het nieuwe adres op de vijfde verdieping. Op de zesde, de hoogste verdieping, bevinden zich de vroegere maisonettes, de dienstbodekamertjes. Op deze zolderkamer wonen ‘zwartgekleurde mannen’, die ’s nachts herrie maken en het hele weekend Afrikaanse muziek laten schallen. Het decor keert terug in Au pair, de enige roman van Hermans die in Parijs speelt. Hoofdpersoon Paulina betrekt als au pair aanvankelijk een zolderkamer aan de rue Verniquet: “Iemand had een geluidsinstallatie aangezet en jankende Arabische muziek begon te weerklinken.” Hermans heeft zijn ergernis minutieus beschreven in de woorden van Paulina: “Ze zou ook, als ze de klanken die ze hoorde met woorden zou moeten beschrijven, er niet veel anders over kunnen zeggen dan dat het een voortdurend driftig klagen was, hoog beginnen, laag eindigen, een onontkoombaar afdalen in mineur, tientallen, honderden malen opnieuw. Een vrouwenstem, begeleid of aangevuurd door radeloze snaarinstrumenten.” En zo kijkt Paulina met de ogen van de schrijver naar de ‘Triomfboog van de Étoile’: “Nutteloze poort, die nergens toegang toe verleende, of juister: alleen maar tot een gebied waar je ook kon komen door niet onder de poort door te lopen, maar er omheen. Een poort in een niet bestaande muur, is een als een slot zonder deur.” Sombere wandelaar De verhuizing van Hermans naar Parijs valt samen met zijn optreden vanaf 29 december 1973 als columnist Aage Bijkaart in Het Parool. De titel Boze brieven van Bijkaart, waarin de columns later werden gebundeld, wekken de indruk dat er voortdurend een vileine Hermans aan het woord is, maar de columns komen uit de pen van een milde mopperpot. De columns geven inzicht in zijn leven in Parijs, waar hij na enige tijd niet alleen goed de weg weet, maar waar hij ook de geschiedenis kent van belangrijke plekken, bibliotheken, personen achter beelden en straatnamen. Veel van zijn wandelingen, zijn observaties en kennis keren terug in Au pair. Hermans heeft altijd een goed oog gehad voor zijn omgeving. Dat blijkt uit al zijn boeken. “Mijn grootste ongeluk is dat ik niet als machine ter wereld gekomen ben en dat ik niet met licht kan schrijven als een fototoestel,” schrijft hij in Preambule (VII) die als inleiding is opgenomen in de verhalenbundel Paranoia. Hermans kijkt en laat zich daarbij leiden door zijn kennis van geschiedenis, kunstenaars, dichters en schrijvers. Lees meer
  • Vinden en gevonden worden

    Afgelopen week mocht ik de huwelijksceremonie leiden van twee jonge mensen. Ze hadden me ontwapenende, ontroerende brieven geschreven over hun liefde voor elkaar. Brieven vol harstocht en hoop en zeker weten. Hartstocht. Een mooi woord. Tocht is trekken. Je hart wordt onweerstaanbaar getrokken naar de ander zoals het hart van de ander naar jou. Je zocht en bent gevonden. Met een feilloze precisie geraakt door pijlen van Eros, in de Griekse mythologie de drijvende kracht achter passie. Als klein jongetje tobde Eros met groeiproblemen waarop zijn moeder te rade ging bij de godin van de wijsheid. Zij wees erop dat Eros wegkwijnde van eenzaamheid en alleen zou groeien wanneer hij gezelschap kreeg van een broer of zusje. En zo werd Anteros, letterlijk ‘wederliefde’, geboren. De erotische liefde moet beantwoord wil zij gedijen. Ik ben op jou, jij bent op mij. Oog in oog. Mond op mond . De verdwazing van de verliefdheid. De sensatie van versmelting. Een sensatie die transformeert tot een andersoortige liefde. De erotische relatie met die ene unieke reisgenoot breekt ons uiteindelijk open voor andere reisgenoten en maakt zo de weg vrij van passie naar compassie. Ze hadden het doordacht, doorvoeld en doorleefd, deze twee. Op de receptie na afloop tikte een oudere man me op de schouder: “Mooi verhaal hoor, daar niet van, maar wat nou als je wel gezocht hebt maar niet gevonden bent?” Ja wat dan?  Dat was even schakelen. Toen vroeg ik waarom hij dacht dat hij niet gevonden was. “Een slechte start. Liefdeloze ouders. Ik wist niet hoe ik moest geven wat ik niet gekregen had.” Ik dacht aan Frans Kafka. Zijn leven lang worstelde hij met de liefde. Zijn gevoelens teisterden en verlamden hem. Hij was drie maal verloofd waarvan twee keer met dezelfde vrouw voor hij opnieuw een onmogelijke liefde beleefde met de veel jongere getrouwde Milena. In zijn beklemmende boek Brief aan vader schrijft hij: “Het is de algemene druk van de angst, de zwakheid, de minachting voor mijzelf.”  Maar zijn getroebleerde liefdes stonden Kafka niet in de weg om een onwankelbare  steun te zijn voor zijn vrienden. Ik vroeg de man of hij vrienden had. “Ja zei; heel veel en hele goede”. Ineens klaarde zijn gezicht op: “Het kan dus: geven wat je niet ontvangen hebt.” Hij gaf me een hand en verdween in de feestende menigte. Lees meer
  • 'Je staat met lege handen. Daar moet je tevreden mee zijn'

    Het laatste artikel van de christelijke geloofsbelijdenis is misschien wel het moeilijkste: geloven in 'het eeuwige leven'. Mensen denken over eeuwigheid als een vorm van onsterfelijkheid. Maar die vallen volgens theologe Maaike de Haardt niet samen. "Eeuwigheid is een kwaliteitswoord, geen aanduiding van plaats of tijd." Laatste aflevering in een reeks van twaalf gesprekken over het credo. ‘Sommige religiewetenschappers menen dat het populaire religieuze antwoord op de dood, te weten: de ontkenning van eindigheid in de vorm van een perspectief op eeuwigheid, onsterfelijkheid of leven na de dood, het meest kenmerkende van religie is. (…) Ook in de christelijke traditie speelt de overtuiging dat het leven met de dood niet ophoudt een grote rol. Sterker nog, het leven na de dood is het ware leven, zo leerde ik als kind. Daar, in het hiernamaals en voor eeuwig bij God, ligt de uiteindelijke bestemming van de mens.” In haar boek over alledaagse religie, Raam op het zuiden (2013), laat theologe Maaike de Haardt zien dat deze religieuze focus op de eeuwigheid wat haar betreft het besef van (goddelijke) aanwezigheid, van een sense of presence, in de weg staat. Het thema ‘eeuwigheid en sterfelijkheid’ houdt haar al bezig sinds ze werkte aan haar proefschrift, Dichter bij de dood uit 1993. Maaike de Haardt (61) is sinds 1999 hoogleraar Religie en gender op de Catharina Halkes-leerstoel aan de Nijmeegse Radboud Universiteit. Haar wetenschappelijke belangstelling geldt vooral hedendaagse cultuur en religie. Hebben aloude teksten als die van het credo u vandaag de dag nog iets te zeggen? “De geloofsbelijdenis was een vast onderdeel van de mis en vooral het gezongen credo vind ik nog steeds prachtig. Ik kom uit Nijmegen en ben rooms-katholiek opgevoed. Je weet als kind niet wat die tekst betekent, maar de kracht van de vorm, het opstaan en knielen, de melodie maakten op mij een onuitwisbare indruk. Klankkleur, sfeer, cadans maak je je in je lichaam eigen en zijn vaak belangrijker dan de inhoud. Betekenis kan ook in je lichaam zitten. Ik liet aan het begin van een college over het credo eens de gezongen versie horen. Het raakte geen enkele snaar bij de studenten. Hun generatie is volstrekt anders opgegroeid dan die van mij, dan valt het kwartje niet.” En die woorden dan, die al eeuwenlang worden herhaald? Hebben die nog betekenis? “Het is toch mooi om oude woorden te blijven uitspreken? Dat doen we ook met de evangelieteksten. Het wordt pas problematisch als je jouw benadering beschouwt als de enige manier om ze uit te leggen of als je het credo beschouwt als de enige manier om de inhoud van het christendom uit te spreken. De tekst van het credo was al omstreden toen hij werd opgesteld en elke generatie is bezig deze geloofsbelijdenis opnieuw uit te leggen in de context van haar eigen tijd. Het is uitdagend om erover door te denken. De woorden hebben natuurlijk ook mensen kwaad aangedaan. Ze hebben ze soms louter in negatieve zin onthouden. Zoals een dementerende vriendin mij vroeg of die ziekte haar eigen schuld was, een straf voor haar zonden. Zo was zij gesocialiseerd. Dan kunnen zulke oude woorden mensen kapotmaken.” Waar kwam uw belangstelling voor sterven en onsterfelijkheid vandaan toen u zich in de jaren negentig daarin ging verdiepen? “Ik vond het steeds merkwaardiger dat er in de theologie zoveel over een leven na de dood werd gesproken en zo weinig over de dood zelf. We gaan allemaal dood, het is niet anders. Waarom vinden theologen en filosofen sterfelijkheid dan zo’n probleem? In het Oude Testament is onsterfelijkheid een thema dat pas heel laat opduikt. De toen populaire theoloog Jacques Pohier schreef over de merkwaardige opvatting van de dood als toegangsbewijs voor het hiernamaals en stelde dat die gedachte afleidt van de betekenis van het leven hier en nu. De feministische kritiek paste daar goed bij. De belofte van een leven na de dood heeft lang als doekje voor het bloeden of als zoethoudertje gefunctioneerd. Bestaand onrecht is ermee verdoezeld. Dat gerechtigheid pas in het eeuwige leven zal worden gerealiseerd, heeft veel maatschappelijk verzet al in de kiem gesmoord. Dat mensen moeten sterven, dat de dood bij het leven hoort, wordt in bijna al het denken over leven na de dood genegeerd of zelfs opgeheven. Sterven en dood worden opgevat als een fundamenteel tekort, als een falen dat eigenlijk niet zou mogen bestaan. Waarmee sterven en dood theologisch in het domein van schaamte, schuld en verlegenheid worden getrokken.” Lees meer
  • NIEUWE VOLZIN SPECIAL: 'WERKPLAATS DEMOCRATIE'

    Over een halfjaar, op 15 maart 2017, gaat Nederland weer naar de stembus. De verkiezingen werpen intussen hun schaduw al vooruit. Het kabinet doet zijn best om met Prinsjesdag een ‘feestbegroting’ te presenteren. Niettemin zullen spanningen tussen en binnen partijen toenemen. Premier Rutte zal binnenkort in het tv-programma Zomergasten zijn best doen om niet alleen luchtig maar ook serieus over te komen. Volzin levert een eigen bijdrage aan het politieke debat. Werkplaats Democratie luidt de titel van de special in komende Volzin, want: democratie is nooit af, zij is altijd ‘werk in uitvoering’. Jurgen Tiekstra spreekt in deze special met deskundigen over kansen, feilen en bedreigingen van ons politieke bestel. Het nieuwe gevaar dat dreigt heet ‘diplomademocratie’: hogeropgeleiden grijpen de macht, lageropgeleiden worden nauwelijks gerepresenteerd. Is loting een alternatief voor verkiezingen? Democratie kan op vele manieren worden vormgegeven, maar, zo is de teneur van deze special, zij vergt bovenal een moreel kompas. ProDemos ontvangt jaarlijks zo’n 80.000 scholieren voor een dagje Binnenhof. Wat gastheer Tsjietse Broeders hen wil meegeven, is “dat het niet alleen om jou draait op deze wereld”. “Moreel leiderschap wordt steeds minder beleefd in religieuze verbanden”, zegt de Vlaardingse burgemeester Bert Blase tegen Elleke Bal. “Het wordt verwacht van mensen die in het openbaar bestuur zitten. De functie van burgemeester heeft het van nature in zich, dat morele kompas.” Theoloog Erik Borgman (‘vrijwel politiek dakloos’) moet dit wel als muziek in de oren klinken. Politiek moet volgens hem breken met de illusie van de maakbaarheid en ‘contemplatief’ worden. De nieuwe Volzin verschijnt vrijdag 2 september 2016. Als u geen abonnee bent, kunt u hier het nummer los bestellen. Lees meer
  • Schrijfwedstrijd: Ik ben, omdat wij zijn

    Ik ben, omdat wij zijn’ luidt dit jaar het thema van de Volzin-schrijfwedstrijd. Doe mee en ding mee naar een prijs. Schrijf een spannend en persoonlijk gemotiveerd essay over de verhouding tussen ‘ik’ en ‘wij’, tussen kiezen voor jezelf of je aanpassen aan anderen, tussen eigenbelang of zelfopoffering. De jury kiest uit de inzendingen de drie beste essays. De winnende essays verschijnen in Volzin van 6 januari 2017. De winnaars ontvangen respectievelijk 500, 300 en 200 euro. De inzendtermijn sluit 1 september 2016. Thema ‘Maak van je leven je eigen unieke kunstwerk.’ Vrijheid is in onze samenleving en in ons persoonlijke leven een belangrijke verworvenheid. Zelf kunnen kiezen hoe en met wie je wilt leven, of je wel of geen kinderen wilt, wie je vrienden zijn, waar je wilt wonen: het past allemaal in een samenleving die zelfbeschikking, individuele ontplooiing en emancipatie als belangrijke waarden ziet. Ook op het vlak van religie en levensbeschouwing zien we dit terug. De nadruk ligt op het zoekende individu dat zélf zin gaat geven aan het eigen leven. Het ‘ik’ is het vertrekpunt, het ‘wij’ (de samenleving, de relatie, het collectief en de groep waar we bijhoren) is dan het gevolg – als het goed gaat tenminste. Maar klopt dit wel? De Afrikaanse kijk op het leven lijkt loodrecht op de dominante westerse kijk te staan. ‘Ik ben, omdat wij zijn’, zeggen de Afrikanen. In deze visie bestaat er geen ‘ik’ zonder ‘wij’. Mensen worden immers wie zij zijn dankzij en binnen relaties, familie, de generaties voor hen, de groep, de samenleving waartoe zij behoren. Vanuit onszelf weten we niet veel; we zijn daarin schatplichtig aan de cultuur en tradities. Religie is eerder een kwestie van zin ontvangen van anderen dan van zelf zin geven. Kortom, in deze visie vormen het gezamenlijke belang en zorg voor elkaar het uitgangspunt en stemt het individu zich daarop af. Sommigen in Nederland vinden dat ons land wel wat meer van de Afrikaanse kijk zou kunnen gebruiken: wat minder nadruk op het ‘ik’ en wat meer ruimte voor het ‘wij’. Hebben ze gelijk of toch eigenlijk niet? Worstelt uzelf in uw leven met de spanning tussen ‘ik’ en ‘wij’? Hoe valt uw keuze uit: meer of minder ‘ik’, meer of minder ‘wij’? De jury van de Volzin-schrijfwedstrijd 2016 leest graag uw antwoord op deze vragen. Voorwaarden - De Volzin-schrijfwedstrijd staat open voor iedereen. - De bijdragen van maximaal 1600 woorden moeten uiterlijk donderdag 1 september worden ingezonden. - Inzendingen dienen digitaal (in Word) en per e-mail te worden aangeleverd. Mail naar: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken., voorzie uw bijdrage van personalia (naam, adres, leeftijd, geslacht, (voormalig) beroep) en de aanduiding ‘Volzin-schrijfwedstrijd 2016’; niet-digitale bijdragen worden niet in behandeling genomen. - Inzender verleent Volzin het recht van eerste publicatie van de ingezonden bijdragen in het magazine en/of op deze website.  Jury Een deskundige jury kiest uit de inzendingen de drie beste essays. Voorzitter is Frank Bosman, cultuurtheoloog (Tilburg University). De andere juryleden zijn: Elleke Bal, Jeroen Fierens, Jan van Hooydonk, Wies Houweling en Jacqueline Kool. De jury hanteert de volgende criteria: - Uw inzending heeft het karakter van een persoonlijk getoonzette uitwerking van het thema. - Uw inzending is origineel van inhoud en invalshoek. - Uw inzending is helder van stijl en toegankelijk geschreven.     Lees meer
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6

Doorzoek de website

volzin schrijfwedstrijd

Social media

FacebookTwitterLinkedIn

Agenda