Laatste nieuws

  • 1
  • Uitverkorenen Gods - portret van het Witsenhuis

    Amsterdam-Oost was de biotoop van de Tachtigers. Hier hebben ze hun levens vereeuwigd in romans, polemieken, essays, (scheld)kritieken en gedichten. Het Witsenhuis roept herinneringen op aan doorwaakte nachten, drank, verhalen en ‘binnengedachten’ met ogen “vèr-weg dromend, de’arm op knie en hoofd op handpalm” (Kloos). We kenden de stad al voordat we er woonden. De plekken waar de verhalen en gedichten spelen van Nescio, Bloem en de Tachtigers. De literaire werkelijkheid van feit en fictie. Het maakte niet uit, je herkende de straten, de huizen, het park. Het hek van het Oosterpark, waar de titaantjes uit het verhaal van Nescio hele zomernachten tegenaan leunden en honderd uit stonden ‘te boomen’ en weemoedig naar de klinkers tuurden. Of je keek met de ogen van de dichter J.C. Bloem door het raam van je studentenkamer en zag en wist “De wolken, nooit zo schoon dan als ze, omrand / door zolderramen, langs de lucht bewegen” – ook al woonde je zelf niet in de Dapperstraat. Onder elkaar voelden wij ons als Willem Kloos, een God in het diepst van onze gedachten en wij citeerden uit Het IK van Lodewijk van Deyssel. Wonderlijk gezelschapWe waren begin twintig en leefden als de Tachtigers. We haalden nachten door in kroegen, oudehoerden dat het een aard had, waren verliefd, maakten ruzie, citeerden onze favoriete schrijvers. We leefden, om met Willem Paap te spreken, in een ‘imaginaire nevelwereld’. W.A. Paap, die Vincent Haman had geschreven: de prachtige sleutelroman als parodie op de Tachtigers. Want er moest ook wat te lachen zijn.Om te schrijven moest je kunnen kijken met de ogen van een schilder, wisten wij van Nescio (pseudoniem van J.H.F. Grönloh): “Toen zag ik de zon weer schijnen, ik zag de huizen in ’t licht en de boomen en den gouden schijn in ’t water. Voor ’t eerst zag ik de treurwilg gelen, zijn takken hingen, ze trokken naar ’t water. In doodstille gele aanbidding hingen ze er stom boven en zagen het gele licht in den vijver. De donkere blauwe en wollen witte wolken zeilden in den vijver. Ze schoven voor den blauwen hemel maar dekten hem niet.” Een tijdloos beeld. Zichtbaar als je op een zomerse dag anno nu aan de vijver in het Amsterdamse Oosterpark zit, ‘naast’ het beeld van de Titaantjes, aan de rand van het park tegen het hek. Drie jongens op een bankje. Koekebakker en twee andere titaantjes. “Mijn man en twee vrienden, jongens van 19-20 jaar,” zei Aagje Tiket, de weduwe van de schrijver tijdens de onthulling van het beeld van Hans Bayens in oktober 1971. Wie het ook zijn die naast Koekebakker zitten, Bavink, Bekker, Ploeger of Hoyer, het is het beeld van vrienden, jongens die de wereld willen veranderen.De tijd van de titaantjes beslaat de periode 1912 – 1917. Maar ook wij, vijftig jaar later scholieren, zouden ‘ze’ wel eens laten zien hoe ’t moest. “We, dat waren wij met z’n vijven. Alle andere menschen waren ‘ze’. ‘Ze’, die niets snapten en niets zagen. ‘Wat?’ zei Bavink, ‘God? Je praat over God? Hun warme eten is hun God’. ” Het was een wonderlijke tijd, schrijft Nescio in de eerste versie van Titaantjes. En, voegde hij eraan toe, ‘het was een wonderlijk gezelschap’. Festijn van beloftenIets verderop achter het hek op het adres Oosterpark 82 staat het Willem Witsenhuis. Ontworpen in 1884 door Eduard Cuypers (neef van Pierre Cuypers, de architect van onder andere het Rijksmuseum en het Centraal Station). Dit kolossale beeldhouwersatelier met bovenwoning zou zich ontwikkelen tot het trefpunt van de Tachtigers. Schilders als Willem Witsen (1860-1923), George Breitner, Isaac Israëls, dichters en schrijvers als Willem Kloos, Hein Boeken en Frans Erens. Over ‘wonderlijk gezelschap’ gesproken. De schilders trokken de buurt in, vereeuwigden de directe omgeving, het landelijk uitzicht waarin nog geen sprake was van een park. Israëls (de umlaut gebruikte hij om zich van zijn vader Joseph te onderscheiden) schilderde straten, winkels, mensen. Breitner fotografeerde en schilderde de wasmeiden (‘waspitten’) op de grachten, de stadsuitbreiding, bouwplaatsen met houten palen waar werd geheid. Het alledaagse leven van de stad. Het volk. “Een onbevooroordeeld waarnemen van de werkelijkheid rondom, bij het zoeken van de Schoonheid,” schrijft Enno Endt in het prachtboek De schilders van Tachtig. “Ik bedoel dingen waarin ’t eigen karakter van Amsterdam is uitgedrukt,” schrijft Witsen in 1891 aan zijn (eerste) vrouw Betsy van Vloten, “omdat Amsterdam zoo gewéldig mooi is in z’n eigen mooiheid.” Read More
  • Poëziewedstrijd NCRV - dichten over de toekomst

    Dichten over de toekomst Poëziewedstrijd NCRV 90 jaar Ter gelegenheid van het negentigjarig bestaan van de NCRV op 15 november organiseert de NCRV samen met de Vermeulen Brauckman Stichting een poëziewedstrijd. Inspiratiebron is de Bijbeltekst “Ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde”. Een tekst uit het laatste Bijbelboek Openbaring waar verwachtingsvol wordt uitgezien naar de toekomst.  Bekende dichters Diet Groothuis, Karel Eykman en Marjoleine de Vos hebben ter inspiratie een gedicht gemaakt en die staan in het Vermoeden, het blad voor hemelse wijsheid en aards geluk. Merels ten spijt Het is wel duidelijk, de merel in de tuindenkt nooit eens dat hij leeft. Alles is zoals het is, bekommernis is flauwekul, hij ziet de kat en weet dat hij de boom in moet. Dat ziet hij goed. Maar in het gras een mens, die denktaan straks en toen, die steeds weer wildat alles anders is. De hele aarde nieuw en liefst de hemel ook want wat er is, merels ten spijt, is niet echt goed. Een mens heeft vaak geen flauw ideevan hoe het leven moet. Marjoleine de Vos Prijs en JuryDe ingezonden gedichten worden door een jury beoordeeld. Deze bestaat uit Saskia de Jong (hoofredacteur Het Vermoeden en theologe), Hijlco Span (NCRV-presentator Schepper & Co en neerlandicus), Willem van der Meiden (Bestuurslid Vermeulen Brauckman Stichting, columnist Volzin en communicatiedeskundige) en dichters Diet Groothuis en Karel Eykman. Juryvoorzitter is NCRV-presentator Joris Linssen.De winnaar ontvangt een oorkonde en de prijs van €750,- uit handen van Joris Linssen. De prijsuitreiking is tijdens de jubileumdag op zaterdag 15 november 2014. Het winnende gedicht wordt gepubliceerd in de NCRV gids en is op maandag 17 november te horen in het radioprogramma Schepper & Co (NPO Radio 5, 18.00-19.00 uur). Hoe doe ik mee? De poëziewedstrijd is voor iedereen, jong en oud. De toekomst is immers ook voor iedereen. Het gedicht mag minimaal 8 tot maximaal 12 regels groot zijn en moet geïnspireerd zijn op Openbaring 21:1 Ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.Inzenden kan tot uiterlijk 15 oktober 2014 naar Schepper & Co Radio t.a.v. Hennie Burggraaff, Postbus 25000, 1202 HB Hilversum of Read More
  • De wens van Willem

    Arme God, staat Hij nu toch weer als afsluiter in de troonrede. De constante aanwezigheid van de Allerhoogste in de Ridderzaal blijft voer voor discussie, terwijl het toch een heel voorzichtige roep om zegen is. “U mag zich in uw zware taak gesteund weten door het besef dat velen u wijsheid toewensen en met mij om kracht en Gods zegen voor u bidden” is sinds 2003 de slotzin van de monarch. Ondanks herhaalde pogingen om de laatste zin uit de troonrede te schrappen blijft de koning bidden om Gods zegen. Tegenstanders verwijten de vorst niet neutraal te zijn, alsof hij het toch niet kan laten zijn hobby te betrekken bij zijn taak als ‘moderne verbinder’. De troonrede is van iedereen, dus een neutraal staatshoofd zou goddeloos moeten zijn. Met de platte verwijzing naar de scheiding tussen kerk en staat dient religie gewoon te verdwijnen uit dit land. Bovendien: Nederland is seculier, voor je het weet gaat Willem op zijn knieën om God te vragen of Hij hem zou willen helpen bij het foutloos voorlezen van zijn tekst. Nee, om Amerikaanse toestanden te voorkomen moeten God en geloof echt voorgoed uit elke rede van de Oranjes. Dat terwijl God in deze zin helemaal niet het moeilijkste begrip is. Wijsheid toewensen lijkt mij veel moeilijker dan bidden om kracht en zegen. Zouden de tegenstanders ook het eerste deel uit deze zin willen schrappen? Wijsheid is altijd handig om te hebben als leden van de Staten-Generaal, lijkt me. Op welke manier deze wens vervuld gaat worden weet ik niet, ze zal zeker niet verwijzen naar de genie in de lamp die je wensen aanhoort, zoals bij Alladin. Ook vermoed ik dat wijsheid niet via een waxinelichthoudertje tot je komt, hoewel verlichting wel een status is die veel mensen met wijsheid associëren. Maar dat neigt dan weer te veel naar oosterse religies ben ik bang. Nee, wanneer de koning echt tegemoet wil komen aan zijn rol als bindende kracht van het volk moet er niet geschrapt worden, maar juist toegevoegd. Zo kan hij bijvoorbeeld ook eens de wetenschap erbij betrekken, of andere namen van God gebruiken om de specifiek christelijke God te verbreden. Ook handig voor de moslims, steunen zij Nederland automatisch via de monarch en hoeven zij zich dus niet meer openlijk uit te spreken tegen alles wat IS onderneemt. Dat scheelt een hoop discussie. Willem zou vast tevreden zijn met een zin als: “Velen keuren de inspiratie die u haalt uit wetenschappelijke onderzoeken goed, maar daarnaast mag u zich gesteund weten door het besef dat velen met mij u wijsheid toewensen of/en bidden om kracht en de zegen van Adonai, Allah, God of de Gids naar het Juiste Pad.” Chris van Wieren is de komende maanden stagiair bij de redactie van Volzin. Elke woensdag verwondert hij zich over religieuze neigingen van Nederlanders. Read More
  • Nieuwe volzin-special: Economie, een kwestie van waarden

    Het is een van de ergste verwijten die men economen of politici kan maken: ‘Ze kennen van alles de prijs, maar van niets de waarde.’ Toch is dit vaak het beeld dat in de media oprijst: mensen gereduceerd tot nummers, cijfers, dossiers. Reden voor Volzin om een special te maken, met als titel ‘Economie, een kwestie van waarden’. “De overheid heeft de mensen tot klanten gemaakt. Dat is een categorie die wij altijd geweigerd hebben”, zegt Jan De Volder van Sant’Egidio. Hij komt aan het woord in het nieuwe nummer van Volzin, dat volgende week vrijdag verschijnt. De beweging Sant’Egidio zet zich vanuit een christelijke inspiratie in voor armen, daklozen en migranten. Gemiddeld komen er in het restaurant van Sant’Egidio in Antwerpen op een avond zo’n driehonderd bezoekers. Ze worden er ontvangen als vrienden. “Ze hoeven dus niet aan te sluiten in de rij met een dienblad, ze mogen gaan zitten, worden bediend.” Sant’Egidio gaat binnenkort ook in Amsterdam van start. In deze special ook een interview met Aloys Wijngaards, theoloog en toezichthouder bij De Nederlandsche Bank: “Ik wil dat ze snappen wat ik graag wil: een andere vorm van gedrag.” Vier jonge economen en ondernemers belichten hun economische alternatief. Zo introduceerde Bob Bennink voor Rotterdam een lokale, renteloze munt, ‘de dam’. Suzanne Smulders opent in Amsterdam een chique winkel waar eerder door anderen gedragen kleding geleend kan worden. Marieke Feuth kiest ervoor om in navolging van Franciscus in armoede te leven. “Ooit moet al mijn bezit passen in twee plastic tassen.” Damaris Matthijsen ontwierp een nieuw economisch model. Haar motivatie? “Je kunt niet gaan janken als je naar het Journaal kijkt en tegelijkertijd niks tegen onrecht doen.” De nieuwe volzin verschijnt vrijdag 26 september. Als u geen abonnee bent, kunt u hier het Volzin-nummer los bestellen. Read More
  • Gaza & Ebola

    Diep in Congo-Kinshasa kronkelt een sierlijke rivier genaamd Ebola. Je kunt er kiekjes maken en mooie boottochtjes, maar een frisse duik zou ik niet nemen; het krioelt er van de bloedzuigers, tijgervissen en krokodillen. Het verhaal gaat dat Mobutu, een goede vriend van Idi Amin, er ter vermaak graag een paar onderdanen in smeet om ze voor z’n ogen in stukken te zien worden gescheurd. Krokodillen voeren was zijn favoriete tijdverdrijf. Maar ineens, in 1976, dook er uit de rivier iets heel anders op, geen gifplant of roofdier, nee, een veel fataler organisme: een virus. Gedoopt tot het ebolavirus is dit virus intussen het meest angstaanjagende ter wereld, nog dodelijker dan aids. Het maakt eerst je lever kapot, daarna sloopt het vakkundig de rest van je organen. Geen kruid is ertegen gewassen. Bekijk je het virus onder een microscoop, dan zie je, bizar genoeg, dezelfde kronkelingen als in de rivier.Al een halve eeuw zaait het virus dood en verderf in met name Centraal- en West-Afrika. Hele volksstammen zijn uitgeroeid na opeenvolgende epidemieën; de film Outbreak is erop geïnspireerd. Thans woekert het in Liberia. Als gezegd, er is geen enkel medicijn voorhanden. Als er al iets in de maak was, verkeerde het nog in de prilste testfase – volgens de officiële berichten. En die berichten geloofde je, hoewel boze tongen al langer beweerden dat de Amerikanen wel degelijk in het bezit zijn van een geheim vaccin. Maar dit vaccin zou duur zijn en daarom liever bewaard worden voor eigen gebruik. De boze tongen wees men meteen naar ‘t rijk der complottheorieën. Tot vorige week. Toen bleek dat, naast legioenen Liberianen, nu ook twee Amerikaanse ontwikkelingswerkers, werkzaam voor een christenorganisatie, besmet raakten. Stante pede werden ampullen met een geheim serum Liberia ingevlogen en het wondergeschiedde: de twee Amerikanen zijn weer kwiek als hoentjes. En wat dacht u: de rest van Afrika mag fluiten naar het serum. Al langer weten we wat in het Westen een niet-westers mensenleven waard is - extra onderstreept door de opeenvolgende Gaza-genociden. De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens mag vandaag nog door de wc worden gespoeld. Read More
  • De innerlijke God

    God in jezelf vinden. Een zoektocht die je samen met vele anderen aflegt. Mediterend, zo nu en dan zwevend op de wind, shoppend in de winkel der tradities – het klinkt makkelijk, maar wat is de werkelijkheid vaak anders. Marleen Stelling (23) over haar pad naar binnen. Op een stralende zomerdag leg ik te voet de afstand af van station Driebergen-Zeist naar Maarn. Ik ga gekleed als heuse wandelaar. Grove wandelschoenen aan mijn voeten, de hengsels van een rugtas om mijn schouders. Door de stof van mijn sportbroek met panterprint heen voel ik dat de koele ochtenddauw nog laag bij de grond hangt. Ik ben hier vaker geweest, maar toen hoorde ik meer dan het getsjilp van de vele vogels alleen. Achterop de fiets van mijn vader klonk het geknisper van zijn fietsbanden over het schelpengrit. Ik zat in het kinderzitje. Het was bruin, en mijn blote kinderbeentjes plakten door de warmte vast aan het gladde plastic. Ik ontdekte de natuur terwijl ik werd rondgereden, gedragen, met mijn wang schurend tegen het witte T-shirt van mijn vader aan. Eenzaamheid is geen opgave vandaag. De bloeiende natuur straalt bevestiging uit, laat zien dat alles goed is. Toch bezorgt het beeld van het kinderzitje van vroeger mij weemoed. Niet omdat ik terugverlang naar toen, achterop bij mijn vader. Het is iemand anders die ik mis. Iemand die mij elders rondreed, droeg. KlapWat waren we een goed stel, God en ik. Een gek stel ook. Want laat het nu net ook díe vader zijn die mij in mijn fantasieën verleidde om de kerk te verlaten. Met stevige wind hield hij me op zondagochtenden tegen om de negenhonderd meter van mijn huis naar zijn huis per fiets af te leggen. Dat lukte niet – de stimulerende kracht van mijn ouders was sterker. Maar toch, God wilde het niet dat ik ging, dat wist ik. Eenmaal in de kerk hoopte ik, starend door de glas-in-loodramen, dat op een dag het moment zou komen dat God tegen het glas aan kloppen zou. Hij zou het raam openen en me bevrijden uit die voor mij zo benauwende krochten van de Nederlandse Hervormde kerk. Het was de plek waar ik mijzelf als ‘een arm tussen allemaal benen’ zag – een uitdrukking die ik in mijn dagboek teruglas en waarmee ik mijn eenzaamheid uitdrukte. Het was de plek waar ik mij niet gehoord voelde in de vragen die ik stelde over waar we nu in geloofden, en waar ik de rituelen meer en meer als verplichte handelingen ervoer. Dat ik op mijn vijftiende de deuren van die kerk met een harde klap dichtsmeet, is dus geen verrassing. Dat twee jaar later mijn relatie met die gekke, recalcitrante God ten einde kwam, had ik daarentegen niet kunnen zien aankomen. Tot die tijd was hij alles voor mij geweest. De aanwezigheid van zijn handen voelde ik altijd op mijn huid. Knedend om mijn bovenarmen op een school waar ik niet thuis was. Hij hield met zijn vingers een wacht op mijn lippen wanneer de pestende meisjes op het schoolplein voor de zoveelste keer de confrontatie met mij aangingen. En wanneer ik met het vallen van de avond mijn tranen losliet, streelde hij mijn rode blossen. Niemand zag mijn leed, maar God was bij elke ademstoot die ik uitsloeg. Hij had de Hebreeërs uitgeleid uit het diensthuis van de Egyptenaren, en zo zou hij ook mij bevrijden van mijn gekwelde positie als gepest meisje. Van hem kwam mijn hulp, mijn ogen opheffend naar de bergen. Ik had niemand anders en hij wilde niets liever dan de enige voor mij zijn. Bij hem voelde ik me gekend tot op de bodem van mijn wezen. Immers, hij was degene die mijn nieren vormde, had mij kunstig geweven in de schoot van de aarde, bewaakte mijn ingaan en mijn uitgaan. Hij kende de deling van alle cellen, het temperament van elk orgaan, tot in de bodem van mijn romp, en hij had dat alles intens lief. WringenWat hadden we het fijn, die jaren. Als jaloerse God en eenkennig meisje vormden wij het perfecte paar. Tot dat het meisje van puber naar vrouw begon te groeien, zelf wilde bepalen wat wel en niet kon, wat goed en fout was en wilde voelen hoe het was om op eigen benen te staan. Het omhulsel van zijn constante aanwezigheid, van de intimiteit met hem, begon te knellen. Zó erg dat ik er gek van werd. Gek van de benauwende cocon die zijn handen vormden, maar ook gek van het oordeel dat hij velde als ik toch voor mezelf opkwam en scheldwoorden in mijn mond ontsproten, of toen ik later de intimiteit met mensen leerde kennen. Read More
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6

Doorzoek de website

Social media

FacebookTwitterLinkedIn

Agenda

Geef een Volzin cadeau!

 

Advertentie