Laatste nieuws

  • 1
  • Met kleine letters geschreven

      De taal stond lange tijd voor gemeenschap. “Totdat zij systematisch werd gebruikt om mensen uit elkaar te slaan en tegen elkaar op te zetten.” Maar na de vernieling was er ook weer het verlangen naar vernieuwing. “Elk moment is zwanger van de verwachting dat er weer een woord gesproken wordt dat ertoe doet.” Het kan niemand dit jaar ontgaan zijn: een eeuw geleden begon de Eerste Wereldoorlog. De man die aartshertog Frans Ferdinand doodschoot, en daarmee het startschot voor de oorlog gaf, was een groot liefhebber van de poëzie van de Amerikaan Walt Whitman, schrijft de Poolse dichter Czeslaw Milosz in zijn boek Alfabet. Gavrilo Princip was een van de Servische revolutionairen die Whitman op een politieke manier lazen, “als dichter die de democratie bezong”. Milosz: “Hij was ervan overtuigd dat hij de opdracht van zijn lievelingsdichter uitvoerde die immers opriep tot strijd met de koningen. En zo werd een Amerikaanse dichter verantwoordelijk voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog.” Het gaat misschien wat ver om het zo te stellen, maar duidelijk is wel dat woorden verstrekkende gevolgen kunnen hebben, ook onbedoelde. Woorden kunnen doden en tot leven wekken, ze kunnen verwoesten en scheppen. Poëzie kan het beste in mensen boven halen, maar misschien ook wel het slechtste. Diezelfde alles verwoestende oorlog bracht de dadaïsten ertoe de taal te bekritiseren, ja zelfs te vernietigen. De conventionele taal met zijn syntaxis en grammatica was immers een machtsmiddel van de sterken om de zwakkeren te onderdrukken, het was de taal van de tekentafeloorlog die mensen reduceerde tot moordende machines. Uit protest waren er dichters, zoals de Duitser Hugo Ball, die alleen nog maar klankdichten schreven: gadji beri bimba. In het merg van de taalTot halverwege de vorige eeuw was de westerse beschaving overtuigd van de kracht van de taal, schrijft Huub Oosterhuis in het laatste nummer van De Nieuwe Liefde. “Men leefde op de waardevolle betekenissen der woorden: God betekende God, mens betekende mens. Taal kon begeesteren, overtuigen, gaf richting aan doen en laten. Taal was gemeenschap: we verstonden elkaar en konden zeggen wat we wilden. In den beginne was het woord, de logos, het met scheppingskracht geladen woord.”Na 1945 was dat voorbij. “De woorden van een massamoordenaar bleken vernietigende overtuigingskracht te hebben gehad en begeesterden het ene ras om het andere uit te roeien”, vervolgt Oosterhuis. “De taal waarin onze voorouders hun liefde verklaarden en hun kinderen grootbrachten, de taal die gegeven is om mensen te verbinden, werd systematisch gebruikt om mensen uit elkaar te slaan en tegen elkaar op te zetten.”De joodse cultuurfilosoof George Steiner vroeg zich na de oorlog af of taal nog wel een ‘bezield medium’ kon zijn. Met een verwijzing naar de taal van het Derde Rijk, waarin woorden hun oorspronkelijke betekenis verloren en spookachtige begrippen werden, schrijft hij: “Maak van woorden overbrengers van verschrikking en leugen, en er zal iets met de woorden gebeuren. Iets van de leugens en het sadisme zal zich nestelen in het merg van de taal. De taal zal niet langer groeien en zich vernieuwen.”Victor Klemperer hield deze verandering van taal in Hitlers rijk nauwgezet bij. “Woorden kunnen nietige stukjes arsenicum zijn”, schetst de joodse filoloog. “Ze worden ongemerkt ingeslikt en lijken geen uitwerking te hebben maar na enige tijd is de gifwerking er toch. Als iemand maar lang genoeg ‘fanatiek’ zegt in plaats van ‘heldhaftig’ en ‘deugdzaam’ gelooft hij ten slotte echt dat een fanaticus een deugdzame held is en dat je zonder fanatisme geen held kunt zijn.”De veranderingen in de taal die Steiner en Klemperer beschrijven, kunnen volgens Colet van der Ven in haar essay Taal is niet stom, “als een mal gelegd worden over de taalveranderingen die de gebeurtenissen in Cambodja, Rwanda, Joegoslavië en vele andere brandhaarden van de laatste decennia begeleidden.” Read More
  • Op zoek naar woorden die ertoe doen

    Ik kan alleen woorden ontmoeten, u niet meer. / Maar hiermee houdt het groeten aan, / zozeer, dat ik wel moet geloven, dat gij luistert; / zoals ik omgekeerd uw stilte in mij hoor. Woorden, onze wereld is er vol van. Maar betekenen ze nog wel iets? Voor de schrijver van het gedicht Woord, Gerrit Achterberg, belichamen woorden een geheim. Zij voeren ons naar ‘de stilte’ van de ander – of de Ander, dat zou ook kunnen. Theoloog Frits de Lange zegt het op zijn manier: “Elk moment is zwanger van de verwachting dat er weer een woord gesproken wordt dat ertoe doet.” De Lange komt aan het woord in de special over ‘taal & ontaal’ die journalist Bert van der Kruk voor deze aflevering van Volzin schreef. Poëzie en religie zijn volgens hem bij uitstek de domeinen waar betekenisvolle woorden gesproken worden. Poëzie en religie vormen een medicijn tegen alle ‘reclamegereutel, nieuwsgeneuzel en Binnenhofbargoens’ waarmee we dag in dag uit in de media overspoeld worden. Op zoek naar ‘woorden die ertoe doen’: voor mij als redacteur is dat een treffende omschrijving van wat het maandblad Volzin nastreeft. Niet alleen berichten óver religie, maar ook zelf ‘religieuze taal’ spreken. Taal die ons ontvankelijk maakt voor ‘de dingen en hun geheim’, het geheim dat wij mensen ten diepste voor elkaar zijn, het mysterie van het bestaan dat binnen de bijbelse traditie aangeduid wordt met ‘God’. Een raadselachtig woord maar beter hebben we niet. ‘In het woord is leven’, de titel van de special in deze kerstaflevering van Volzin, is ontleend aan de Proloog van het Johannesevangelie, een tekst die traditioneel op kerstmorgen in kerkdiensten gelezen wordt. “In het begin was het Woord”, zo luidt de eerste zin van dit evangelie. “In het Woord was leven en het leven was een licht voor de mensen.”‘In het begin’, maar eigenlijk staat er ‘in begin’ (zonder lidwoord). Johannes verwijst dus niet naar een bepaald moment in de tijd – toen en toen – maar naar wat Gods ‘begin-sel’ uitmaakt: God spréékt. Sinds het begin, van meet af aan, spreekt God tot de mensen, wil Johannes zeggen. Altijd weer openbaart God zich aan hen als een God van communicatie en relatie. “Het groeten houdt aan.” Zijn Woord is daarom ook nu nog het huis waarin wij mensen wonen. Het is het script van ons leven.In Jezus van Nazaret is dit Woord ‘vlees’ geworden, schrijft Johannes. Het Griekse woord ‘sarx’ (vlees) staat daarbij voor de mens in zijn vergankelijkheid, breekbaarheid en kwetsbaarheid. God nam in Jezus de gestalte aan van een mens die sterven moet, die breekbaar en kwetsbaar is. Overal waar wij zulke mensen zien – de daklozen in onze straten, vrouwen en kinderen die misbruikt worden, mensen die niet in tel zijn, vluchtelingen overal ter wereld – kunnen we God in het gelaat zien. Tenminste, als we goed kijken. ‘Woorden die ertoe doen’ zijn daarmee altijd ook woorden die ons voeren naar de naaste in nood. Het kerstfeest is er voor mij een van aangename hectiek. Die wens ik ook u toe. Maar evenzeer wens ik u een moment van rust en bezinning toe. Volzin wil u daarbij behulpzaam zijn. Zalig Kerstmis! Read More
  • Een teken van schande

      Neerlandicus Nico Keuning is de auteur van Jan Arends’ biografie Angst voor de winter (uitgeverij Lebowski), die komende zondag 21 december besproken zal worden in het tv-programma Boeken  (NPO 1 11:20-12:00) .  Schrijver, psychiatrisch patiënt, huisknecht en zelfmoordenaar. Het leven van Jan Arends stond in het teken van angst, gemis en tekort. In zijn werk loopt een lijn van zijn katholieke jeugd – een kortstondige periode van geluk – naar het goddeloze einde. Hij was banger voor het leven dan voor de dood. Veertig jaar na zijn zelfgekozen dood verschijnt deze maand zijn volledige werk in een nieuwe uitgave. Om pijn te beschrijven had Jan Arends (1925-1974) weinig woorden nodig. Niemand kon zo mager praten met de taal als hij. Hij zegt het zelf in een van de vele gedichten die hij vergeleek met dunnen bomen, lang en mager. Precies zoals de dichter en schrijver er zelf uitzag. Een vorm van projectie zou je kunnen zeggen. Sober, maar scherp. Onheilspellend ook en soms vilein. Maar ook met humor. Leven en werk van Arends, psychiatrisch patiënt, huisknecht en zelfmoordenaar worden gekenmerkt door een gemis. Dat is de kou in zijn poëzie, de gekte in zijn proza, de eenzaamheid in zijn leven.Zijn vader heeft hij nooit gekend. “Er was iets met mijn vader dat met mijn geboorte te maken had,” schrijft hij in het onvoltooide verhaal Ik had een strohoed en een wandelstok. “Er was iets dat schande was en waarover niet gesproken mocht worden. Ik mocht er eigenlijk niet zijn omdat ik niet echt was. Maar omdat ik er toch was hielden de buurvrouwen op met praten als ik langskwam. En toch kon ik ze horen zeggen dat ik getekend was voor mijn leven omdat zij mij tekenden met hun tong. Er was iets vies aan mij.” Groot littekenZijn leven stond in het teken van zijn afkomst. Zijn vader had hem nooit erkend, uit angst voor de schande die dat teweeg zou brengen. Arends was een onwettig, onecht kind. Door zijn aangeboren gekte groeide dit teken met de jaren uit tot een groot litteken, al bleef het ‘een onzichtbaar teken van schande’. Het was Arends zelf die zijn stigma aan de mensen meedeelde in proza en in poëzie. Eenkleine barstwordt een scheur. Eenscheurwordteen kloof. En zostaat de mensalleen. Het werk van Jan Arends paste heel goed in de tijdgeest van de jaren zeventig. Zijn Lunchpauzegedichten, de bundel die op 23 januari 1974 verscheen, twee dagen na zijn zelfmoord, maakte indruk door de mengeling van realisme, waanzin, ernst en humor. Jan Arends en Maarten Biesheuvel leken bovendien het levende gelijk van de antipsychiatrie. Het overlijden van Arends viel op wonderlijke wijze samen met het groeiend conflict tussen het bestuur van de Willem Arntsz Stichting en het verlichte antipsychiarisch beleid van directeur Carel Muller van Dennendal, wat zou leiden tot de Dennendal-affaire, die zich in een grote belangstelling van vooruitstrevend Nederland mocht verheugen.De revolutie in de psychiatrische zorg speelde ook een rol in het succesvolle boek Wie is van hout (1971) van Jan Foudraine en de speelfilm One Flew Over The Cuckoo’s Nest (1975) van Milos Forman. Niet toevallig sprak het werk van Arends in deze periode bijzonder tot de verbeelding. Freek de Jonge en Bram Vermeulen traden als Neerlands Hoop op tijdens het boekenbal van 1975. Freek: “Twee gekken, Jan Arends en Maarten Biesheuvel, lopen in de Kalverstraat. Komen ze Nol Gregoor tegen. Zegt Maarten: ‘Zeg Nol, wanneer komt het nieuwe boek van Simon (Vestdijk) uit?’ Nol zegt: ‘Maar Maarten, je weet toch wel dat Simon al lang dood is.’ Waarop Jan Arends zegt: ‘Wacht maar eens tot ik dood ben, dan zul je nog eens zien wat er allemaal van mij uitkomt’.” PsychiatersEr zou inderdaad veel werk van Arends postuum het licht zien. Het verhaal Keefman – de bijtende tirade van een psychiatrische patiënt tegen zijn psychiater – gold als aanval op de ouderwetse psychiatrie. De acteur Jacques Commandeur speelde Keefman als theatermonoloog tussen 1975 en 1978 avond aan avond in uitverkochte zalen. Het verhaal wordt tot op de dag van vandaag nog opgevoerd. Arends geeft via hoofdpersoon Keefman in diens verwijtende monoloog commentaar op de psychiatrie, de manco’s en het falen in de behandeling van patiënten. Maar in wezen gaat het om de machtsstrijd tussen mensen. De psychiater versus patiënt, de werkgever versus de werknemer, de dader versus het slachtoffer. Met alle omkeringen die daarbij een rol spelen. Dat is wat de lezer en de theaterbezoeker herkennen. De psychiater wil Keefman een omscholingscursus laten volgen. “Je denkt dat je mij alles op de mouw kunt spelden. Maar Keefman is niet gek.”Arends schreef een aantal gedichten voor zijn psychiater, de hoogleraar Piet Kuiper, bij wie Arends in 1972 in het Wilhelmina Gasthuis in Amsterdam onder behandeling was. In een van de lunchpauzegedichten komt evenals in Keefman, de doofheid ter sprake. De doktermaakte van zijn handeen heel groot oor. Een tekendat hij mij wildeverstaan. Arends wil hem zijn probleem vertellen, zijn verdriet. Hem laten lachen. Maardat ging nietwant hij was doof. Arends baseerde zich voor de monoloog Keefman op eigen ervaringen en die van anderen tijdens zijn verblijf (1968-1971) in het Willem Artnsz Huis in Utrecht, waar hij terechtkwam na zijn verblijf in de Valeriuskliniek in Amsterdam. In de inrichting kwam hij tot rust. Hij had een dak boven zijn hoofd en kreeg eten en drinken. Gestimuleerd door zijn uitgever Geert Lubberhuizen van De Bezige Bij schreef Arends in Utrecht het ene verhaal na het andere. “Hierbij weer een verhaal,” schrijft hij op 2 november 1970: “Het zou geweldig prettig zijn als u de bundel ging uitgeven. Als dat zo is dan hoop ik dat u ook spoedig beslist omdat de omstandigheden op het ogenblik zeer in mijn voordeel zijn. Ik heb een eigen, grote kamer en heb nog nooit zo rustig kunnen werken.” Begin jaren vijftig was Arends onder behandeling in Endegeest, in Oegstgeest. Ook daar schreef hij verhalen. Deze zouden in 1972 worden opgenomen in de bundel Keefman. Read More
  • In onze vergankelijkheid huist het wonder van alles

      Jan Bor (68) wijdde zijn leven aan filosofie en zen. Maakt grijzer ook wijzer? zo vraagt hij zich af. Wellicht, luidt het antwoord, maar dan zul je wel afstand moeten doen van alles waaraan je vastgekleefd zit. En zet je zelfbeeld ook maar bij het oud vuil. Alleen dan kun je, zoals de zenmeester Huineng zegt, ‘de poortloze poort’ doorgaan. Maakt grijzer ook wijzer? Om mezelf op te warmen voor dit essay bladerde ik wat in een boek over Wellevenskunste van de Nederlandse humanist, geleerde en filosoof Dirck Volckertszoon Coornhert (1522-1590). In een lange beschouwing over wijsheid citeert hij een niet bij naam genoemde dichter. Deze zou zowaar geschreven hebben: De voorzichtighe wysheyd by gheoeffende grysheyd. Geen houvastMet de nodige oefening, lijkt Coornhert te zeggen, ontstaat met het klimmen der jaren een zekere wijsheid. Of dat zo is, valt nog te bezien. Maar eerst: wat is wijsheid? Weet ik het, omdat ik een boekje onder deze titel publiceerde? Ik zou eerder zeggen: als ik iets ontdekt heb, is het dat ik het juist niet weet! De titel van mijn boekje was een knipoog naar de oorspronkelijke betekenis van filosofia: liefde voor de wijsheid. Moderne filosofen zijn vergeten dat hun professie wordt voortgedreven door een verlangen daarnaar.Ik wist dus niet wat wijsheid is en weet het nu minder dan ooit. Vooral als ik kijk naar de werelden waarin ik me heb begeven, die van de filosofie en die van de zen. Als zij al bestaat, kom ik meer wijsheid tegen bij de bakker op de hoek (hij sluit zijn winkel om een brood naar een zieke buurvrouw te brengen) of de kroegbazin van café Het Waterlooplein (altijd een luisterend oor en een warme reactie). Ik zeg dat met pijn in mijn hart. Maar eerst even een verhaaltje uit de Zhuang Zi, het wijste boek dat ik ken, in de prachtige vertaling van Kristofer Schipper: Toen Zhuang Zi op het punt lag te sterven, wilden zijn volgelingen een grote begrafenis voor hem bereiden. Maar Zhuang Zi zei: “Wat mij betreft zijn hemel en aarde de planken van mijn doodskist, de zon en de maan de twee jade ringen, de constellaties de kralenkettingen en de tienduizend dingen mijn grafgiften. Zijn alle dingen die ik in mijn graf moet meekrijgen dan niet volledig? Wat moet daar nog aan toegevoegd worden?”“We zijn bang dat de raven en valken u, meester, zullen opeten!”, zeiden de volgelingen.“Boven de grond zijn het de raven en valken die mij eten, en onder de grond de wormen en de mieren. Waarom partij kiezen voor de ene groep en niet de andere?” Zhuang Zi had dus geen behoefte aan een graf; hij hoefde niet herinnerd te worden. Hij stichtte ook geen kerk. Hij beoefende de kunst van het loslaten. Valt deze te onderwijzen en te leren? Vallen wijsheid en compassie te leren en te onderwijzen?Na vele jaren zen en nog meer jaren filosofie heb ik daar zo mijn twijfels over. Meer in het bijzonder vraag ik me al een tijdje af of al die types die zichzelf als wijs of heilig of kundig in mindfulnes of wat ook voordoen – al die meesters, en het zijn er steeds meer – of zij ook werkelijk in staat om je geestelijk en moreel te begeleiden? In dit verband twee momenten uit het recente verleden.Een jaar of drie geleden bevond ik me in de zendo of meditatieruimte van een bevriend zenmeester. (Als je al met een zenmeester bevriend kunt zijn, aangezien het dragen van de meestertitel ongelijkheid met zich meebrengt, hetgeen de vriendschap in de weg staat.) Midden tussen de rijen zwarte kussens, allemaal keurig gerangschikt, bevond zich tegenover een groot Boeddhabeeld een lichtbruin kussen. Zit jij daar?, welde spontaan in me op. Moet, ging door me heen, een leraar zich zo uitdrukkelijk van zijn leerlingen onderscheiden en zich boven hen stellen? Het antwoord was een diep stilzwijgen.Hoe vaak had ik het er niet met een andere vriend en zenmeester over gehad dat je zoektocht altijd een individuele en eenzame is, en de zen je hoegenaamd geen houvast bieden kan. Daar was hij achter gekomen en daar was ik achter gekomen. Zo ging ik weleens mee mediteren in zijn open en informele zen-groep. Rond dezelfde tijd als het vorige incidentje was ik er echter tot mijn verbijstering getuige van hoe hij zijn groep van de ene op de andere dag in een officiële sangha, een kerkje dus, omvormde. Shit, bleek mijn goede vriend ineens toch de goeroe te zijn die hij altijd ontkende te zijn? Ik hoef niet in details te treden, maar ik flipte ter plekke. Niet-denkenWat is dus wijsheid, zen-wijsheid? Het Oosten met zijn goeroedom en alle folklore daaromheen kopiëren? Jezelf op een troon plaatsen, in een zwarte pij hullen, daarmee je autoriteit bevestigen en doen alsof jij iets weet wat anderen niet weten? Er een gevolg op na houden, volgelingen om je heen verzamelen en een follow-up regelen (in de zen heet dat iemand transmissie verlenen)? Daarmee opgenomen worden in een zogeheten lineage, waarmee je jezelf in een litanie van heiligen plaatst.Come on, zou ik zeggen, dat is geen wijsheid; dat is gewoon dwaasheid. Zhuang zi moest er in ieder geval helemaal niks van hebben. En de middeleeuwse zenboeddhist Linji, waar een groot deel van de zen zoals we die nu kennen op teruggaat, zei het zo: “Ik zeg je, er is geen Boeddha, geen leer, geen methode, geen verlichting!”Waarom zijn deze er niet en gaat de gedachte van een ontwaakt iemand (dat betekent ‘boeddha’), een leer, een methode, een doel – daarmee het meestertje spelen, het overdragen van je meesterschap, dit alles binnen een daartoe opgetrokken organisatie – waarom gaat dat alles lijnrecht in tegen wat je de kern van zen zou kunnen noemen? Uiteindelijk omdat iedereen uniek is en zijn eigen weg heeft te gaan. Daarom zet ik inmiddels mijn vraagtekens bij het fenomeen spiritueel leiderschap: je moet het gewoon zelf doen; er valt in deze niets te onderwijzen, over te dragen, te leren. In de praktijk vallen de meesters ook bijna altijd door de mand: het hoogstaande ideaal dat ze aanprijzen maken ze zelf niet waar. Nogal logisch: het zijn ook maar gewone mensen met hun tekortkomingen. Wat wijsheid dan wel is? Misschien begint het met het simpele feit onder ogen komen dat je juist onwijs bent, rusteloos, verward en dat je altijd weer tekortschiet. Mogelijk gebeurt dat in een moment van diepe crisis, wanneer je alles wat je dierbaar is kwijtraakt. In de traditie waarin ik gevormd ben heet dat ‘het sterven van de grote dood’. Daar kan geen gedachte, geen leer, geen methode, niks je bij helpen. Je staat er alleen voor en moet er alleen doorheen. Zou dat niet de ingang kunnen zijn tot wat in de zen – heel precies – ‘niet-denken’ wordt genoemd en dat er de spil van vormt: iets wat je nooit en te nimmer kunt weten, maar waar je wel doorheen kunt gaan? Zoals de zesde patriarch van de zen, Huineng, het rond 600 formuleerde: Goede vrienden, deze leer van mij is van oudsher gebaseerd op het principe van niet-denken; ze heeft de kenmerkloosheid als essentie, en niet-hechten als grondslag. ‘Niet-hechten’ betekent dat men zich vrijmaakt van kenmerken, ook al bevindt men zich in [de wereld van] de kenmerken; ‘niet-denken’ betekent dat men vrij is van denken, ook al houdt men zich op in [de wereld van] het denken; ‘niet-hechten’ is de fundamentele Natuur van de mens. Read More
  • Nieuwe Volzin-special: 'In het woord is leven'

      De term ‘kwaliteitsvenster’ is zojuist uitgeroepen tot ‘het vaagste woord van 2014’. Nóg vager dan: participatiemaatschappij, houtskoolschets en comfortzone. De kerstspecial van Volzin die volgende week vrijdag verschijnt, gaat van de weeromstuit op zoek naar ‘woorden die ertoe doen’. Bert van der Kruk, auteur van de special In het woord is leven, vindt deze woorden in poëzie en religie. Poëzie en religie vormen een medicijn tegen ‘reclamegereutel, nieuwsgeneuzel en Binnenhofbargoens’, zegt taalwetenschapper Hans van Stralen. Maar ook religieuze taal luistert nauw. “De taal die we in de liturgie gebruiken, is vaak nogal vroom en geestelijk. Terwijl er in de Bijbel zelf veel lijfelijke taal klinkt”, stelt lieddichter Andries Govaart. Onderwijsbestuurder Kees Boele hekelt het gebruik van managementmodellen in de kerk. Kwaliteitsimpulsen, competentieprofielen, persoonlijke groeibehoeften en formats? “Misschien moet de kerk haar hoop ergens anders van verwachten.” Anderen die in de special over ‘taal en ontaal’ aan het woord komen zijn: Karin van den Broeke, Huub Oosterhuis, Kees van der Staay, Boris van der Ham en Wislawa Szymborska.Ook in het kerstnummer van Volzin: sterrenkundige Heino Falcke over God, zwarte gaten en de Drie Wijzen, gastvrijheid voor ongedocumenteerden, de Eltense Boternacht, vrouwen in de Protestantse Kerk en de jaarlijkse kerstpuzzel. Read More
  • Van martelwerktuig tot levensboom

    Het kruis is het bekendste christelijke symbool ter wereld en de variëteit aan christelijke kruizen is enorm. Al in eigen land is er het verschil tussen ‘met’ en ‘zonder’. Protestanten hebben een kruis zonder en rooms-katholieken een kruis met corpus. Met veel realisme wordt het symbool in katholieke kring aangekleed met het gemartelde lijf van Jezus, daarmee de grenzen van wat een logo is behoorlijk oprekkend. Er zijn talloze kruisvormen in het christendom: het orthodoxe, Maltezer, Georgische, Koptische, Egyptische en Keltische kruis, om er een paar te noemen. Met als toppunt het onder protestantse dominees populaire hugenotenkruisje, waarvan de symboliek niet op een A4’tje past. Het Egyptische kruis, of levenssleutel, is bekend van de sleuteldrop. Dan is er nog het Petruskruis, een omgekeerd kruis en daarom populair onder satanisten en hardrockers. Dit kruis op zijn kop dankt zijn naam aan de legende dat de apostel Petrus ondersteboven is gekruisigd omdat hij zijn Heer niet wilde kopiëren. Allemaal nogal morbide, want het christendom heeft niet voor niets een martelwerktuig als logo. Christenen hebben niet het alleenvertoningsrecht op het kruis. Er zijn varianten bekend uit het Verre Oosten en van de Indo-Germanen, zoals de swastika, het ‘hakenkruis’, dat eerder beweging dan stagnatie symboliseert. Het Keltische kruis heeft een ronde bovenkant die verwijst naar het zonnewiel. De Maya’s kenden een kruis dat verwees naar een kosmische boom. Dat is dan weer een verbinding met de christelijke traditie, vooral in de schilderkunst, om het kruis af te beelden als levensboom: aan het ruwhouten kruis ontspruiten takken met groene blaadjes, waarmee het kruis van Goede Vrijdag een plaats krijgt in de lentesymboliek. Maar is er ook een verband met het kruis waarmee bijvoorbeeld een boom ter dood veroordeeld wordt? Het symbool van ‘weg ermee’? Of waarmee op een schatkaart de plek wordt gemarkeerd waar gegraven moet worden? Dan moeten we naar het Andreaskruis, genoemd naar Petrus’ medeapostel Andreas, die iets gekanteld werd gekruisigd. Het Andreaskruis vind je bij spoorwegovergangen en is het oerbeeld voor het kruis dat in de meetkunde bekend is geworden. Het kruis markeert daar de punt: het kleinste element in een plat vlak, het in principe oneindig kleine snijpunt van twee oneindig dunne lijnen dat de ene dimensie te midden van de twee dimensies symboliseert, oftewel de oriëntering in de ruimte van het platte vlak. De ter dood veroordeelde boom zit nog in de buurt van het kruisje van de dood, zoals het askruisje en het kruisje achter de naam van een overledene, met de schatkaart komen we in het snijpunt van coördinaten. Zoals het moment van de kruisdood van Jezus wel eens in dogmatische geschriften is weergegeven als ‘een punt des tijds’. Het staande, gelijkbenige kruis is al enige tijd aan een seculier bestaan begonnen. Tegenwoordig denken de meeste mensen bij zo’n kruis aan Zwitserland of een ziekenhuis. Sinds Henri Dunant wemelt de medische wereld van de kruisen: rood, zilveren en witgeel (rooms-katholiek). Maar als we het ijzeren kruis even overslaan is het Elfstedenkruisje toch wel het meest begeerd. Read More
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6

Doorzoek de website

Social media

FacebookTwitterLinkedIn

Agenda

Geef een Volzin cadeau!

 

Advertentie